Interview Midas Dekkers
‘Het overkomt me regelmatig,’ vertelt bioloog, schrijver en columnist Midas Dekkers (1946). ‘Ik loop door een straat, denk aan niets bijzonders, en plotseling sta ik stil. Waarom, vraag ik me dan verbaasd af. Ik kijk om me heen en natuurlijk loopt daar weer een roodharige vrouw. Mijn voeten hadden haar al gelokaliseerd voordat ik haar had gezien. Dat gaat buiten mijzelf om. Zo’n beeld beneemt mij telkens weer de adem. Zo mooi.’
Roodharige vrouwen spreken tot zijn verbeelding, een obsessie die hij met veel mannen deelt. Waarom is dat zo, al eeuwen lang? Wat is het nut van zo’n felle haardos, behalve de schoonheid ervan? Midas Dekkers verdiepte zich in deze vragen en schreef daar een uitbundig boek over, Rood.
Het boek staat vol passages waarin hij zich uitput in lof voor het fenomeen. ‘Ik ontdekte een rode tovertuin van peenhaar, vermiljoenen lokken, kastanje, sterappel en kersen, het ene rood nog mooier dan het andere.’ Hij geeft hoog op van de bekoringen van een rode vrouw: het wassenbeelden-achtige van de huid, de glazen wenkbrauwen en doorzichtige gordijntjes van wimpers, de tepels ‘als het neusje van een pasgeboren pup’, het firmament van sproeten.
Hier lijkt een heel andere schrijver aan het woord dan de auteur van non-fictie boeken als Lief dier, De vergankelijkheid en De larf, die zowel cynisch als monter de wonderlijke betrekkingen tussen mens en dier aan de kaak stelt. Of, recenter, de schrijver van Lichamelijke opvoeding die vanuit een biologisch gezichtspunt ferm uithaalt naar de adidasmens (‘het lichaam is tegenwoordig belangrijker dan de geest’) en de sportverdwazing (‘geen enkel dier doet aan sport’). Er is maar één onderwerp in zijn oeuvre dat hij eerder teder heeft behandeld: de poes. ‘Poezen en rode vrouwen drukken op dezelfde knopjes van je ziel,’ schrijft hij. En: ‘Heeft een gewone vrouw al iets katachtigs, een rode vrouw is een kat in het kwadraat.’
Kapitaal op hun hoofd
‘Met het bejubelen had ik al ervaring,’ zegt Midas Dekkers. ‘In mijn stukjes over poezen heb ik die beestjes zo veel mogelijk verafgood. Ik probeerde als een ouderwetse dichter de juiste woorden te vinden om ze te bezingen. Bij het schrijven van Rood heb ik mijn fagot bewust thuisgelaten. Op dat register heb ik de laatste decennia al flink geoefend. Ik heb voor dit boek de lier uit de kast gehaald, er nieuwe snaren op gezet en die gestemd, om er zo mooi mogelijke muziek mee te maken. Daarom staan er ook geen plaatjes in.
Er is wel verwantschap tussen dit onderwerp en dat van mijn vorige boeken: het verband tussen de binnenkant en de buitenkant. Ik vroeg mij af of iemand die er zo anders uitziet, ook van binnen anders is – of anders is geworden. Zoiets deed ik al eerder in bijvoorbeeld De larf. Als iemand zonder kinderen, en zonder het verlangen ze te hebben, heb ik kinderen beschreven. Als een buitenstaander. In dit boek ben ik er ook weer een.’
Toch was het aanvankelijk zijn bedoeling een heel ander boek te schrijven. ‘Het zou moeten gaan over álle roodharigen, mannen, vrouwen en kinderen. Dat bleek niet te kunnen. De roodharige man en de roodharige vrouw hebben, wat effect betreft, niets met elkaar te maken. Rode mannen laten hun haar meestal heel kort knippen, zodat je er zo min mogelijk van ziet. En veel roodharige kinderen lijden onder hun haarkleur. Ze worden uitgescholden, zijn vaak de pispaal. Ik vind ze prachtig, maar ik heb dit boek niet voor roodpedofielen geschreven.
Nee, dan de vrouwen. Na hun puberteit beseffen alle roodharige vrouwen dat hun grootste kapitaal op hun hoofd groeit. Ze stallen het op alle mogelijke manieren uit. In dit boek beschrijf ik de roodharige als gezien door de ogen van een romantische meneer. Het gaat me om de mythe van die haarkleur, om de roem en de sfeer die eromheen hangen. En ook om de aaibaarheidsfactor, om een begrip van Rudy Kousbroek te gebruiken.’
Geen Pippi Langkous
Je bent nu wel een héél romantische meneer, zeg ik. Je lofdicht gaat ver uit boven een biologisch getint essay, het lijkt hier en daar wel een alternatief Hooglied. Dat verbaast Dekkers niet. ‘De oorspronkelijke ondertitel was Een ode,’ vertelt hij. ‘Dat heb ik later veranderd in Een bekoring. Een ode is iets wat ík roodharigen breng, maar een bekoring is iets wat die vrouwen mij, en alle mannetjes met mij, aandoen. Een wisseling van perspectief. Bij een loflied gaat het om de geheimzinnige kracht die er van die roodharigheid uit gaat. Bij “een bekoring’ is er zowel sprake van iets positiefs en zuivers, als van iets achterbaks. Dat heeft te maken met de mores van de Rooms-Katholieke Kerk. Als jongetje bad ik het Onze Vader waarin staat: “En leid ons niet in bekoring.” Maar als volwassen man denk ik: niets liever dan dat ik in bekoring geraak.’
Dekkers mag dan in de ban zijn geraakt van het haar, de huid en de habitus van de roodharige, voor roodharigen zelf is het niet altijd zo’n genoegen. Ikzelf bijvoorbeeld heb het de eerste twintig jaar van mijn leven vreselijk gevonden. Het begon al bij mijn geboorte. ‘Ach, ze is rood,’ zei de vroedvrouw volgens mijn moeder meewarig. ‘Nou én, wat zou dat,’ brieste de dokter. Die dubbelheid tekende mijn jeugd, want ik was geen Pippi Langkous die erop los mepte als ze werd uitgescholden. Ik kreeg pas wat zelfvertrouwen toen ik op mijn zestiende toestemming kreeg ‘lichte make-up’ te gebruiken en kleur aan te brengen op mijn ‘glazen wenkbrauwen’.
Dan dat sproetenfirmament dat hij zo bezingt. Mijn zusje, ook rood, en ik verslonden ooit het meisjesboek Sproet van Elisabeth Stelli, waarin de hoofdpersoon van haar gehate spikkels afkwam dankzij het vocht van komkommers. Nachtenlang lagen wij in navolging van onze heldin krampachtig op onze rug in bed, ons gezicht hoopvol bedekt met vers gesneden groene schijfjes. ‘Ach,’ zegt Dekkers met een glimlach, ‘niet alle volwassen rode vrouwen kunnen omgaan met hun opvallendheid. Laat staan jonge meisjes. Ze worden tot die maskeringen gedreven door de mensen om hen heen.’
Goed, een verhaal uit mijn jongevrouwenbestaan dan. Op mijn twintigste zou ik met mijn vriend naar Parijs fietsen. Van tevoren maakte ik mij vreselijk druk om wat hij ’s nachts te zien zou krijgen: een soort biggetje. Ik besloot vlak voor het vertrek naar een schoonheidsinstituut te gaan, om mijn wimpers te laten verven. Dat pakte verkeerd uit. Nog dagenlang waren mijn oogleden rood en opgezet, wat het biggetjeseffect versterkte en mijn zelfvertrouwen zo mogelijk nog verder ondermijnde. Trouwens: ook nu nog draag ik ’s zomers uitsluitend broeken. Met die witte melkflessen van benen over straat? Geen gezicht.
Midas Dekkers lacht minzaam. ‘Die make-up en dat verven zouden verboden moeten worden, dat is heiligschennis. Dat heeft niets te maken met roodharigheid, maar met vrouwen. Zij willen altijd iets anders zijn en doen dan ze zijn. Dat zie je ook in hun huis, voortdurend veranderen ze het interieur. Een tijdlang had ik een zwak voor vrouwen die kleiner waren dan een meter vijfenvijftig. Maar wat deden ze? Zij droegen bij voorkeur hoge hakken, of van die afschuwelijke plateauzolen. Iedereen streeft naar een soort gemiddelde, terwijl het extreme juist zo mooi is.’
Een soort vogelaar
Natuurlijk is Rood veel meer dan een verslag van ‘een bekoring’. Als bioloog heeft Dekkers zich grondig verdiept in vragen die met roodharigheid samenhangen. De hun toegedichte hartstochtelijkheid. De kleurenleer: ‘Hoe ruikt rood?’ Hoe zit het met kleur en hemoglobine? Roodharigen in de schilderkunst. De lange golflengte van de kleur rood, ‘de lokkleur bij uitstek’ en de erfelijkheid: ‘Het gen is grillig, kan zich lang verborgen houden.’ De baarden van orang-oetans. De fraaie filmster Rita Hayworth, die de habitus van een roodharige bezat, maar een kleine correctie nodig had: de haarkleur. ‘Zij was dus een nep-rooie.’ De achterdocht van mannen voor vrouwen met hennahaar. Een intrigerend hoofdstuk wijdt hij aan de witte kleur van de huid. Daarin staat een opvallende passage over blozen: ‘Roodharige vrouwen blozen het best’.
Over dat laatste vertelt hij een mooi verhaal. Een jaar of vijftien geleden ging Dekkers met een televisieteam op zoektocht naar roodharigen in Ierland en Schotland, als een soort vogelaar. Op die plaatsen in Europa is de roodharigendichtheid het grootst, vijf procent van de bevolking in Ierland en bijna twaalf procent in Schotland. In Nederland is er maar voor een op de vijftig mannen een rode vrouw beschikbaar. Het doel was een televisiereportage voor een jubileum van de VARA, Naar Roodland.
Dekkers belandde in het paradijs: waar hij ook keek, in pubs, op straat, in parken, hij viel van de ene verrukking in de andere. Overal rood, in alle schakeringen. ‘In een uithoek van Connemara in Ierland, een soort Biblebelt, troffen we een jonge vrouw aan met prachtig lang rood haar. Ze droeg een jurk tot op haar enkels. Ze was heel timide. Ik durfde haar op den duur te vragen: heb je ook sproeten op je benen? Zij tilde haar rok zes centimeter op en daar verscheen een albasten been vol sproeten. Maar tegelijkertijd, of juist daardoor, begon ze hevig te blozen. Ik geloof niet dat ik ooit een erotischer moment heb beleefd dan dit.’
Rossige driehoekjes
Hardop denkend stel ik me voor wat een genoegen het zou zijn geweest als we het verslag hadden kunnen lezen van een ontmoeting tussen Dekkers en de vorig jaar overleden essayist Rudy Kousbroek. Ze lijken deels verwante geesten. Beiden voorzien van een flinke dosis dierenliefde in het algemeen, beiden in katzwijm voor de poes en zijn aaibaarheid, allebei een vaardig essayist. Kousbroek heeft in het essay ‘Mijn dood’ beschreven dat een ontroostbaar gevoel zich van hem meester maakt als hij beseft dat er nog miljoenen katten zijn die hij nooit heeft geaaid. En: ‘Voor ik doodga wil ik eerst nog even met de helft van de mensheid naar bed.’ Met speciale aandacht voor vrouwen met rossige driehoekjes.
Kousbroeks tweede vrouw was een roodharige Ierse. Hoe zou zo’n tweegesprek tussen de schrijvers, bijvoorbeeld na de publicatie van Rood, zijn verlopen, vraag ik Dekkers. Hij vindt dat een vreemde vraag. ‘Ik ben een groot bewonderaar van Kousbroek. Onlangs heb ik met veel genoegen De aaibaarheidsfactor voorgelezen als gesproken boek. Hij kon zo helder, duidelijk schrijven, en bovendien ongehoord geestig. Ik waardeer zijn vermogen om ook over iets ogenschijnlijk onbenulligs heel serieus te schrijven. De gedachte dat je over álles zinvol kunt schrijven bevalt mij in deze tijd waarin zoveel onzin wordt verkocht. Ik was van plan ooit een boek over mijn liefde voor mechanieken te beschrijven, maar Kousbroek heeft mij veel gras voor de voeten weggemaaid. Het is boeiend als bioloog in zoiets doods als motoren iets menselijks waar te nemen. Ik ben dan ook een liefhebber van de bewegende machines van Jean Tinguely. Die doen niets anders dan machines zijn. Dat appelleert aan een gevoel voor schoonheid. Net zoals dat bij mijn fascinatie voor roodharige vrouwen het geval is. Wat is het nut van dat opvallende uiterlijk? Louter schoonheid?’
Ja, Dekkers heeft een vrouw. En nee, ze is niet rood. Is hij afgunstig op Kousbroek en zijn de koperharige echtgenote? ‘Nee, ik zit kennelijk anders in elkaar. Het hebben van de zaak is het einde van het vermaak. Dat is ook het aardige van poezen. Je kunt zo’n dier niet daadwerkelijk bezitten, alleen aan hun luimen voldoen. Er moet iets mythisch aan blijven. Zo blijven ook roodharige vrouwen voor mij een droom. De pot met goud aan het einde van een regenboog.’
Midas Dekkers, ‘Rood. Een bekoring’, 204 p., Contact, € 19,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.