Schoolkinderen leren niet meer waarom Nederland zo tolerant is, maar waarom we zo racistisch zijn. Wat is er aan de hand met dit land?

Laatst vroeg mijn dochtertje van twaalf: ‘Papa, waarom zijn de Nederlanders zo racistisch?’

Toen ik haar vroeg hoe ze daarbij kwam, vertelde ze dat ze op school met een opdracht over de Nederlandse identiteit bezig was geweest. Daarbij had ze op Google de woorden: why are the dutch so… ingevuld.

Bij de zoek-suggesties was behalve why are the dutch so direct en why are the dutch so tall ook verschenen: why are the dutch so racist.

‘Nou?’, vroeg ze. ‘Waarom zijn we zo racistisch?’

Ik vertelde haar dat ik als schooljochie in de jaren zeventig en tachtig nog had geleerd dat Nederland juist een tolerant land was, dat we tegen de Apartheid in Zuid-Afrika waren, dat we discriminatie heel erg vonden. En dat we er trots op waren dat Nederland niet zo was als andere landen. Ik legde haar uit dat veel mensen sinds de terreuraanslagen in Amerika in 2001 en de moord op Pim Fortuyn en Theo van Gogh in de jaren daarna boos en bang waren geworden, bang voor wat van buiten kwam. Dat ze daarom op Geert Wilders stemden, en dat ze Zwarte Piet wilden houden, ook al vond de rest van de wereld ons racistisch.

Terwijl ik mezelf hoorde praten, kreeg ik een steeds ongemakkelijker gevoel. Zo ver is het nu dus gekomen, dacht ik: dat ‘why are the dutch so racist’ bovenaan de zoeksuggesties van Google komt, en dat schoolkindertjes daar vervolgens mee bezig zijn.

Tijdens mijn studie geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam in de jaren negentig debatteerden we urenlang over de Nederlandse identiteit. Onze professoren hielden ons voor dat Nederland zich zo ongeveer sinds de Boerenoorlogen aan het eind van de negentiende eeuw als gidsland beschouwde: een moreel baken in een wereld van brute nationalistische machtspolitiek. Dat we ons sindsdien heel vroom lieten voorstaan op ons gebrek aan nationalisme, maar dat achter de grote woorden vaak eigenbelang schuil ging. De geleerden betoogden dat ons internationalisme paradoxaal genoeg juist onze nationale identiteit bepaalde: de mythe van de tolerante, vreedzame natie die de wereld wel eens even de weg zou wijzen.

Na de val van de Muur vlamde het idee dat Nederland een moreel gidsland zou zijn nog een paar keer op, zoals bij de briefkaartenactie ‘Ik ben woedend’ in 1993: na een rechts-radicale aanslag op een Turkse familie in het Duitse Solingen stuurden 1,2 miljoen Nederlanders op initiatief van twee radio-dj’s een boze briefkaart naar Helmut Kohl.

Na de opkomst van Pim Fortuyn, Rita Verdonk en Geert Wilders was het snel gedaan met het geheven vingertje. De tolerantie werd ontmaskerd als hypocrisie en onverschilligheid, het multiculturele denken moest plaats maken voor ‘zeggen wat je denkt’, de buitenlanders moeten zich maar aanpassen en Zwarte Piet moet gewoon kunnen want hij is niet racistisch bedoeld. Dat Schiphol al jaren geen Zwarte Pieten meer laat rondlopen vanwege de geschokte reacties van Engelsen, Fransen en Amerikanen willen we niet weten. En Angela Merkel met haar naïeve Wilkommenskultur komt er nog wel achter hoe de echte wereld in elkaar zit, want wij, de Nederlanders, hadden het zoals gewoonlijk al veel eerder door.

En zo vond Nederland zich opnieuw uit in een andere gedaante: als gidsland van de onderbuik.

Leg dat maar eens uit aan je dochtertje van twaalf.