Dit is de prijswinnende documentaire die Lampedusa een gezicht geeft

Kees Driessen
Vluchtelingenbotengraf op Lampedusa. Foto: Giles Clarke/Getty
Voor een vluchteling uit Afrika betekent Lampedusa hoop. Voor een Europese burger vooral angst. En op het eiland zelf, aldus de documentaire Fuocoammare, gaat het leven door.

In 2013, met de vluchtelingencrisis in volle gang, verkiest de populaire reiswebsite TripAdvisor het strand Rabbit Beach op Lampedusa tot ‘mooiste strand ter wereld’. Dat stemt behoorlijk ongemakkelijk, als je bedenkt dat er dagelijks mensen verdrinken in een poging het eiland te bereiken. Helemaal pijnlijk zijn de enthousiaste reacties van bezoekers van de site (geciteerd in de korte film Waste No. 2 Wreck van Jan Ijäs uit 2016). ‘Never have I seen such a place in Europe, and I doubt I ever will again.’ ‘A great place to get away from it all.’ ‘Lovely to float in the clear water and relax.

Pas na enig zoeken vind ik een discussiepagina op TripAdvisor, waarop iemand zich rekenschap geeft van de vluchtelingencrisis. Maar die ziet ‘met dit soort nieuwskoppen’ dan weer vooral risico’s voor het toerisme – verwijzend naar een bericht op EuroNews over aangespoelde drenkelingen. Het zijn twee groepen die om extreem verschillende redenen naar Lampedusa komen. In de speelfilm Terraferma van Emanuele Crialese uit 2011 (grotendeels opgenomen op het nabijgelegen en vergelijkbare, nog kleinere eiland Linosa) zien we een stampvolle boot met vluchtelingen die staan te zwaaien om gered te worden. Even later zien we een stampvolle boot met toeristen die staan te zwaaien op muziek. Het contrast is niet subtiel, wel helder. De één duikt het water in uit wanhoop; de ander springt voor zijn plezier. En al reageren de toeristen behulpzaam wanneer uitgeputte vluchtelingen, meer dood dan levend, tussen hen het strand op kruipen, redelijkerwijs zullen ze hun vrienden afraden hier vakantie te komen vieren.

Opgepakt

Leg Terraferma, die destijds de Speciale Juryprijs won in Venetië, naast de documentaire Fuocoammare, die dit jaar de Gouden Beer won in Berlijn, en je ziet hoe de vluchtelingencrisis is veranderd. In 2011 arriveerden vluchtelingen in de haven en op het strand. In 2016 merken de zesduizend inwoners van Lampedusa nauwelijks nog dat er vluchtelingen zijn.

Samuele is zo’n vermakelijke hoofdpersoon dat je de vluchtelingen gemakkelijk vergeet. Zoals dat in werkelijkheid ook gebeurt.

‘Lampedusa is de grens tussen Afrika en Europa. Maar die grens is beweeglijk,’ zegt de regisseur van Fuocoammare, de Italiaan Gianfranco Rosi, die ik spreek in een Amsterdams hotel. Hij pakt een papiertje en een pen. ‘Kijk,’ hij maakt een ruwe schets van Lampedusa, ‘eerst lag de grens hier, op het eiland, maar nu,’ hij tekent de noordgrens van Afrika en zet een streep in het midden, ‘ligt hij hier, op zee. Daar varen twintig militaire schepen uit verschillende Europese landen. Dat is Frontex – wat eerst Mare Nostrum was. Die pikken de vluchtelingen op voordat ze het eiland bereiken. De boot brengt ze naar de haven, waar een bus ze direct naar het opvangcentrum brengt. Dat centrum ligt laag, in een soort kuil, dus je ziet het van een afstand niet liggen. Bovendien is het voor de bewoners vrij ver weg, een half uur of een uur van waar ze wonen. En ze willen er uiteraard ook liever niet aan denken.’

Vooral dat laatste natuurlijk. Net als wij. En zolang we de vluchtelingen maar niet zien, lukt dat meestal goed. En dus zijn de toeristen weer terug op Lampedusa. ‘Dit jaar alweer drie keer meer dan vorig jaar,’ aldus Rosi. Maar dat is niet waarover hij het wil hebben. In tegenstelling tot Terraferma, dat zich in de zomer afspeelt, filmde hij in de winter. Dan draait het op Lampedusa nog maar om twee groepen: de vluchtelingen en de bewoners. Het eiland, dat ook in nieuwsberichten steeds meer een symbool is geworden voor de hele vluchtelingencrisis, vormt bij Rosi daarmee een microkosmos van Europa.

En dat betekent: gescheiden werelden. Op het oog, in elk geval. Gescheiden genoeg, om voor een groot deel van Fuocoammare op stap te kunnen gaan met het twaalfjarige visserszoontje Samuele, die over het eiland trekt met zijn katapult, verbale gaven en Italiaanse handgebaren, zonder iets van de vluchtelingen te merken. Sterker nog: het ventje is zo’n vermakelijke hoofdpersoon dat je voor de duur van die scènes de vluchtelingen gemakkelijk vergeet. Zoals dat in werkelijkheid ook gebeurt. Uit het oog, uit het hart. En dat is beleid.

‘Toen ik op Lampedusa arriveerde, was er geen migrant te bekennen,’ zegt Rosi. ‘Er waren rellen geweest in de opvang en een deel van de gebouwen was in brand gevlogen. Sindsdien werden de migranten op zee opgevangen en naar elders vervoerd. Ik verwachtte op Lampedusa een mengelmoes van bewoners en vluchtelingen, maar dat bestond niet meer. Daar gaat mijn film, dacht ik. Maar het gaf me wel de kans de bewoners beter te leren kennen. Samuele werd mijn gids en via hem ontmoette ik mijn andere hoofdpersonen. En toen later een nieuw opvangcentrum op Lampedusa werd geopend, ben ik ook daar gaan filmen.’


De 12-jarige Samuele in Fuocoammare (2016).

Maar zonder Samuele. ‘Iedere andere regisseur had hem mee naar de opvang genomen om te kijken wat er zou gebeuren. Maar ik film alleen wat er gebeurt. En het gebeurde niet. Vroeger, toen de vluchtelingen nog overal kwamen, gedroegen de meeste bewoners van Lampedusa zich overigens gastvrij. Maar voor Samuele bestaat die hele crisis alleen nog maar uit een paar schepen die hij in de verte ziet varen.’

Dokter Bartolo

De verbindingspersoon tussen die twee gescheiden werelden is in Fuocoammare dokter Pietro Bartolo, een immens droevige en ontroerende figuur. ‘Toen mijn oorspronkelijke filmplan in duigen viel, wilde ik eigenlijk meteen weer vertrekken,’ zegt Rosi. ‘Maar ik kreeg bronchitis en moest op het eiland naar de dokter. Dokter Bartolo. Die gaf me een usb-stick en zei: “Hier moet u naar kijken. En daarna moet u terugkomen om uw film te maken.” Hij had jarenlang beelden gemaakt van de vluchtelingen. Vreselijke beelden. Door hem ben ik teruggekomen en uiteindelijk anderhalf jaar op het eiland gebleven.’

Deze dokter ontfermt zich over iedereen die aanspoelt op Lampedusa Lees verder Dokter Bartolo heeft vanaf begin jaren negentig, toen de migratie naar Lampedusa op gang kwam, naar eigen zeggen iedere arriverende migrant gezien. Hij besluit wie er behandeld moet worden en wie rechtstreeks naar de opvang kan. Hij neemt ook, zoals hij vertelt in Fuocoammare, lichaamsmonsters in de hoop op latere identificatie – wat bij velen nooit zal lukken. ‘Het went nooit,’ zegt Bartolo, die geplaagd wordt door nachtmerries, ‘maar het is noodzakelijk, dus ik doe het. Hij vermoedt dat hij in de afgelopen kwart eeuw een kwart miljoen mensen voorbij heeft zien komen (al zegt een tekst in Fuocoammare 400.000). Het is een last die Bartolo mee lijkt te torsen in zijn vriendelijke, eeuwig vermoeide gezicht.

Ik houd niet van documentaires waarin met de camera wordt gezwaaid om het gevoel te geven dat het echt is. Ik wil juist dat je de camera vergeet. Dat je mij vergeet.

Door Rosi’s geduldige en aandachtige manier van filmen krijgen de personages in Fuocoammare extra gewicht. Bartolo wordt De Dokter. Samuele wordt Het Jongetje. En de vluchtelingen vertegenwoordigen gezamenlijk De Vluchteling. ‘Ik werk met archetypen,’ aldus Rosi. ‘Samuele staat voor duizend andere jongetjes die op het punt staan volwassen te worden.’ Maar dan net ietsje archaïscher – wat past bij een archetype. ‘Ik houd ervan dat hij niet de hele dag achter zijn computer zit, maar een katapult maakt en eropuit trekt. Dingen die kinderen eigenlijk niet meer doen. Het doet me denken aan mijn eigen jeugd.’

Weken op wolken wachten

Ook het eiland zelf zet Rosi gedeeltelijk naar zijn hand. Zo is het in Fuocoammare continu bewolkt. ‘Soms moest ik weken op wolken wachten voordat ik weer kon filmen. Maar het zonnige Lampedusa, met de blije badgasten, past niet bij dit onderwerp. Daarom film ik ook in de winter, niet in de zomer. De film moet koud aanvoelen. Ongemakkelijk.’ Het is bovenal die sfeer waarmee Fuocoammare zich onderscheidt van de vele reportages over Lampedusa. ‘En daarom is het belangrijk de film te zien op een groot scherm, niet op televisie. Ik wilde weg van het nieuws. We krijgen al te veel informatie. Mijn taak was om er cinema van te maken. Dat betekent ook: enige afstand tot de werkelijkheid houden. Als dat is gelukt, zou deze film over twintig jaar nog even goed moeten zijn – ook als de crisis voorbij is.’

Voor Rosi hoort daarbij dat hij zichzelf wegcijfert. ‘Ik houd niet van documentaires waarin met de camera wordt gezwaaid om het gevoel te geven dat het echt is. Ik wil juist dat je de camera vergeet. Dat je mij vergeet. Daarom zet ik mijn camera vaak op statief. Elk afzonderlijk beeld moet goed genoeg zijn om een eigen verhaal te vertellen.’
En juist door zelf een stap opzij te doen, creëert hij ruimte voor de toeschouwer om rechtstreeks empathie te voelen met de geportretteerden – de dokter, de bewoners en de vluchtelingen.

De plaats van de vluchteling

Dat is niet wat Ai Weiwei deed toen hij eerder dit jaar een foto van zichzelf liet maken alsof hij dood was aangespoeld in de branding – een nabootsing van de iconische foto uit 2015 van het overleden driejarige Syrische jongetje Alan Kurdî. Die foto is niet te zien op Ai Weiweis tentoonstelling #SafePassage in het Amsterdamse fotomuseum FOAM, maar wel de korte film On the Boat, waarin Ai Weiwei eveneens de plaats van de vluchteling inneemt door in een achtergelaten bootje op zee te dobberen. En kijk naar iPhone Wallpaper, wanden volgeplakt met honderden fotootjes over de migratiecrisis: het meest opvallende terugkerende beeld daarop is Ai Weiwei zelf, op ontelbare selfies.
Zo gaat de kunstenaar tussen ons en de vluchteling in staan. Precies zoals op Lampedusa en in de rest van Europa mensen tussen ons en de vluchtelingen in zijn gaan staan: politici, kustwachters, bewakers, agenten, militairen, artsen.


Ai Weiwei doet de foto van het aangespoelde jongetje na.

Nu is het niet gek dat een kunstenaar die zo’n boot aantreft er iets mee wil doen. Maar ga er dan niet, zoals de Britse kunstenaar Lucy Wood in 2013 deed, in je eentje mee van Lampedusa naar Londen varen – kijk, mij lukt het lekker wel! Wel een goed idee is het Nederlandse ‘Rederij Lampedusa’, een initiatief van kunstenaar Teun Castelein, die met twee opgeknapte vluchtelingenboten door de Amsterdamse grachten en bij festivals als Oerol en de Parade vaart. Het verschil is dat vluchtelingen hieraan zelf meewerken. Ze vertellen hun verhaal, beantwoorden vragen en staan letterlijk aan het roer. Met een schip dat ooit werd opgepikt door de Italiaanse kustwacht met 282 mensen aan boord en nu, aldus de site, ‘volgens de Binnenvaartwet maximaal met 12 man’ mag vertrekken.

De geest van de afwezigen

In de korte documentaire Waste No. 2 Wreck wordt het cynische economisch traject van zo’n vluchtelingenboot beschreven. Hij begint als afgedankt visserschip, dan wordt het een vaartuig op leven en dood, eenmaal aangespoeld wordt het afval, hoogstens als wrakhout verkocht – totdat eventueel een kunstenaar of museum interesse toont: ‘Zo wordt het toch weer gewild, ook al is het verrot, wanneer het maar voldoende symbolische waarde heeft gekregen.’

Maar die symbolische waarde hebben de schepen op Lampedusa zelf ook. Vrij toegankelijk en zonder dat je ze naar een museum hoeft te slepen. ‘Deze boten die hier zijn achtergelaten, zijn monumenten voor wie vrijheid zoekt,’ aldus de vluchteling Zakaria Mohamed Ali in zijn eigen korte film To Whom It May Concern uit 2013. Daarom liet de Nederlander Morgan Knibbe in 2014 in de korte film Schipbreuk, nog te zien bij De Correspondent, een vluchteling ter plekke in fluisterende voice-over de vrienden herdenken van wie hij zwemmend op zee afscheid had moeten nemen. Terwijl de camera om hem en de wrakken heen zweeft en zo de geest van de afwezigen verbeeldt.
Want het is een wrang feit dat de meeste slachtoffers van de vluchtelingencrisis afwezig zijn. Onzichtbaar. Daarom ensceneert Knibbe in zijn lange documentaire Those Who Feel the Fire Burning (waarin Schipbreuk deels is opgenomen) een verdrinkingsdood vanuit het perspectief van een vluchteling die ’s nachts overboord slaat. Het zijn beelden die geen documentairefilmer op een normale manier kan betrappen. En dat terwijl de bodem van de Middellandse Zee op dit moment bezaaid ligt met duizenden en duizenden lichamen. Beelden die we eigenlijk zouden moeten zien om de omvang van de ramp te beseffen.

We hebben beelden nodig

Op 3 oktober 2013, niet lang nadat TripAdvisor had bekendgemaakt dat Rabbit Beach het mooiste strand ter wereld was, vond vlak voor de kust van Lampedusa een van de grootste afzonderlijke rampen van deze vluchtelingencrisis plaats. Nadat een volgeladen schip met migranten was gezonken, werden meer dan 360 doden geteld.

Op de Italiaanse site Repubblica TV staat een onderwateropname van duikers die het schip bezochten om te zien wie en wat kon worden geborgen (met als titel Lampedusa, le immagini in esclusiva del naufragio all’Isola dei Conigli). Het zijn, het klinkt misschien vreemd, mooie beelden. Diep donkerblauw, met nog net genoeg licht en als enige geluid het mechanische ademhalen van de kikvorsman. En dan, naast andere verspreid liggende lichamen, een stel dat, zij aan zij gelegen, nog in de dood elkaars handen vasthoudt. Misschien heb ik slecht opgelet, maar ik had dit beeld niet eerder gezien. Het deed de Corriere della Sera denken aan de historische doden uit Pompeï – wat aangeeft dat dit beeld iconische waarde zou kunnen hebben. En dat zou goed zijn: we hebben beelden nodig die ons gesprek hierover kunnen leiden.

De eerste neiging bij elk beeld van de dood is afschuw en afwijzing. Het beeld onder water is draaglijk omdat het wazig is, zonder te veel gruwelijke details, en omdat het direct ontroert, nog voordat we de tijd hebben gehad het hoofd af te wenden. Het lijkt bijna alsof ze slapen – net zoals Alan Kurdî op zijn foto. En doordat we blijven kijken, wint empathie het van afkeer.

Ook Gianfranco Rosi toont ons de dood. In zijn geval aan boord van een vluchtelingenschip – doden die niet meer het nieuws domineren, maar die nog dagelijks door hun reisgenoten en door kustwachten, reddingswerkers, artsen en journalisten worden gezien. Rosi wilde eerst niet benedendeks gaan, waar altijd de meeste slachtoffers vallen. Maar de kapitein van het reddingschip met wie hij meevoer, gaf hem dezelfde boodschap als Rosi eerder had gekregen van dokter Bartolo: je moet dit filmen.

Rosi filmde met rust en zonder effectbejag. Zo behouden de slachtoffers een minimale waardigheid. Rosi, een kunstenaar die zelf de camera hanteert, geeft zijn beelden vanzelf een zekere schoonheid en ook dat helpt om de gruwelijke werkelijkheid te verzachten. Al verandert Rosi mijn term ‘schoonheid’ liever in ‘noodzakelijkheid’. Hij vergelijkt het met een gedicht, waarin de dichter op zoek is naar precies het goede woord: ‘Zo ben ik op zoek naar precies het goede beeld.’ Belangrijker nog dan hoe Rosi (die veertig dagen lang met het militaire reddingsschip op zee was) dit moment in beeld heeft gebracht, is de plek die het inneemt in zijn film. Fuocoammare heeft een rustige opbouw. We leren de eilandbewoners kennen. Komen daarna pas in de vluchtelingenopvang. En pas als we helemaal zijn opgenomen in het ritme van Rosi’s filmstijl, gaan we mee aan boord. ‘De hele opbouw van de film werkt toe naar deze tragedie’ – Rosi’s vaste woord voor de doden aan boord – ‘en dan stop ik niet meteen, maar bouwen we langzaam af.’

De omgekeerde route

Je kunt op het resultaat iets aanmerken: Fuocoammare duurt nogal lang, Rosi had niet dezelfde toegang tot de vluchtelingen als tot de eilandbewoners, zodat die als individuen grotendeels onbekend blijven (al is er een sterke scène waarin ze zingend verhalen van hun overtocht) en het feit dat hij werelden filmt die elkaar nauwelijks raken, betekent ook dat Fuocoammare per definitie in delen uiteenvalt: ‘Drie delen,’ aldus Rosi, ‘de eilandbewoners, de vluchtelingen en het schip.’

De Italiaanse premier Renzi deelde in maart 27 dvd’s van Fuocoammare uit aan zijn collega-regeringsleiders bij de Europese Raad.

Dat neemt niet weg dat de film een ongewoon rustige blik werpt op een crisis die zelden een menselijk gezicht krijgt. De Italiaanse premier Renzi deelde daarom in maart 27 dvd’s van Fuocoammare uit aan zijn collega-regeringsleiders bij de Europese Raad. ‘Ik hoop dat ze tijd hebben om deze film te bekijken,’ zei hij volgens de Corriere della Sera, ‘En misschien kunnen we daarna op een andere manier over immigratie spreken.’

Rosi had eigenlijk verder willen filmen: ‘Mijn plan was om eerst Lampedusa te filmen, dan de zee, dan Libië en dan door naar Niger.’ De omgekeerde route van veel migranten dus. Maar hij kon niet meer. ‘Iets in mij is gestorven toen ik die tragedie filmde. Ik kon de camera niet meer oppakken. Daarom heb ik Fuocoammare gemonteerd uit wat ik al had.’

En zo strandde Rosi, net als zovele anderen, op zee bij Lampedusa. Een eiland van maar twintig vierkante kilometer dat zo ver weg is van de rest van Europa, dat het geologisch gezien bij Afrika hoort. ‘Als je Italië googelt, zie je Lampedusa niet eens op de kaart liggen – het is te ver weg,’ aldus Rosi. Lampedusa ligt twee keer verder van Sicilië dan van Tunesië: zo zuidelijk, dat je vanuit Tunis naar het zuiden moet varen om er te komen.

Het is een eiland waar de bewoners zich vaak net zo vergeten en verwaarloosd voelen door Rome en Europa als de vluchtelingen en daarom (zoals je kunt zien in de documentaire Lampedusa in Winter van Jakob Brossmann, 2015) zelfs gezamenlijk hebben gedemonstreerd. Een vreemd soort niemandsland, niet echt deel van Europa, niet echt los van Afrika. Met één vuurtoren, gericht op Europa, terwijl aan de andere kant van het eiland wanhopige migranten in het donker dobberen in gammele bootjes.

Het is klein Europa, waar bewoners en vluchtelingen langs elkaar heen leven, en tegelijk niet echt Europa, iedereen voelt zich er min of meer verlaten. Met rondom een zee waar samen met duizenden, duizenden mensen ook een zeker idee van Europa ten onder is gegaan.

Fuocoammare van Gianfranco Rosi draait vanaf 6 oktober 2016 in de Nederlandse bioscopen. De tentoonstelling ‘#SafePassage’ van Ai Weiwei is nog t/m 7 december 2016 te zien in FOAM Amsterdam.

Sluit je nu aan voor slechts €4,99 per maand

Sorry, je hebt op het moment geen toegang tot dit artikel.

Waarschijnlijk heb je een abonnement zonder digitale toegang. Wil je deze content graag lezen, sluit dan snel een abonnement af.

Heb je wél een abonnement met digitale toegang, neem dan contact op met onze klantenservice: 020 – 5518701.