…een verwarde man terugkeek op zijn werdegang.
Ontwaakt in de isoleercel van het uitzetcentrum. Foto: iSockphoto.
Ontwaakt in de isoleercel van het uitzetcentrum. Foto: iSockphoto.

Daar zat hij dan. Op de betonnen vloer met zijn rug tegen de muur. Hij was uitgeput, voelde zich vies en verging van de honger. De scheurbestendige pyjama die ze hem hadden laten aantrekken, schuurde op zijn huid. Het was voor zijn eigen veiligheid, hadden ze gezegd. Zodat hij zichzelf geen gekke dingen kon aandoen. Een camera hield hem permanent in de gaten. Hoe lang zat hij hier nu al? En hoe lang moest hij nog? Elk besef van tijd verdween in de isoleercel van het uitzetcentrum.

Ze hadden hem in verwarde toestand aangetroffen. In de nacht van 4 op 5 mei stond hij op een uitgestorven Albert Cuypmarkt rode rozen uit te delen aan fictieve voorbijgangers. Twee agenten hielden hem staande. ‘Weet u wel wie ik ben?’ had hij met rood aangelopen hoofd geroepen. De agenten haalden hun schouders op. En toen moest hij tot zijn eigen ontsteltenis bekennen dat hij het zelf ook niet meer wist. Geen idee. Blanco. Driftig begon hij in al zijn zakken te zoeken; naar een paspoort, een rijbewijs, een bibliotheekpasje desnoods. Maar nergens was er een spoor van een identiteit te bekennen.

Opgepakt op de Albert Cuyp in verwarde toestand. Foto: iSockphoto.
Opgepakt op de Albert Cuyp in verwarde toestand. Foto: iSockphoto.

En dat terwijl hij ooit toch echt iemand geweest was. Een trotse man, met een rotsvast geloof. Geen olietanker of walvisvaarder die hem van zijn principes af kon brengen. Voor zijn naaste omgeving was het wel eens lastig, die onverzettelijkheid. Maar hé, hij durfde tenminste risico’s te nemen. Omdat hij de dingen béter wilde maken. En nu? Nu hadden ze hem opgesloten, tussen de illegalen, statenlozen en andere onbestaanbaren. Alles was hij kwijtgeraakt, niet in de laatste plaats zichzelf.

Waar hij vandaan kwam, hadden ze hem gevraagd. Dat wist hij zich nog vagelijk te herinneren, maar hij durfde het niet te zeggen. In plaats daarvan had hij een onnavolgbaar verhaal opgehangen over de reis die hij achter de rug had. Dat hij met een stuk of vijfenzeventig anderen in een wrakke boot was gestapt, waarvoor hij een hoge prijs had moeten betalen. Dat ze een stormachtige tocht hadden afgelegd, die wel drieënhalf jaar leek te duren. Dat sommigen, nota bene zijn eigen stamgenoten, plots een heel andere koers wilden varen. En dat hij hen dus wel overboord had moeten duwen, wilde de boot niet kapseizen. Zijn ogen waren op de einder gericht, waar een betere, eerlijkere toekomst gloorde. Niet zozeer voor zichzelf, maar voor het thuisfront. Voor zijn mensen.

Na een stormachtige tocht van drieënhalf jaar. Foto: iSockfoto.
Na een stormachtige tocht van drieënhalf jaar. Foto: iSockfoto.

Eenmaal aan land gekomen, zo hadden ze afgesproken, zouden ze bij elkaar blijven, want dan stonden ze sterker. Maar zochten die anderen wel hetzelfde geluk als hij? Zijn twijfels over de club waaraan hij zijn lot verbonden had, werden door de kapitein en zijn getrouwen weggelachen. Een onderkomen, werk en stabiliteit was hem beloofd, maar gaandeweg leken ze er vooral op uit om hem totaal afhankelijk van hen te maken. Steeds verder gingen hun eisen. Hij moest precies doen wat zij wilden, anders zouden ze hem als een baksteen laten vallen. En wie had wie nou het hardst nodig? Uit pure wanhoop had hij zich in de situatie geschikt, terwijl hij ondertussen steeds meer het contact met het thuisfront verloor.

Dit was het verhaal dat hij met horten en stoten aan zijn ondervragers had verteld. Aan de andere kant van de tafel keken ze hem hoofdschuddend aan. Ongeloofwaardig en incoherent, oordeelden ze. Zolang hij zijn identiteit niet zou prijsgeven, zou hij hier blijven vastzitten, hadden ze gezegd. Werkte hij wél mee, dan moest hij terug.

En nu weer op zoek naar een identiteit. Foto: iSockfoto.
En nu weer op zoek naar een identiteit. Foto: iSockfoto.

Toen was hij wild om zich heen gaan slaan. Hij kón niet terug. Ze zouden hem verstoten als hij met lege handen aan zou komen. Dan nog liever zijn dagen slijten in totale afzondering. Vlak voordat ze hem naar de isolatiecel hadden afgevoerd, had hij nog een blik in de spiegel geworpen. Maar daar trof hij niemand aan.

Nu knielde de man die ooit Diederik Samsom was voor de schuimrubberen matras die zijn bed moest voorstellen, en bad dat ze hem wat brood kwamen brengen.