Ik ben in Utrecht geboren, in 1987. De Utrechtse serieverkrachter was voor mij als het monster onder mijn bed en de geest op zolder. Net niet echt, maar altijd daar. Nu krijgt hij een gezicht: het fantoom van Utrecht en omstreken.

Ik ben geboren in 1987 en praatte tussen 1996 en 2008 opvallend vaak in mezelf. Op de fiets, heel hard, netjes articulerend. ‘Waar ben je? Ja, ik ben er bijna. Wat zeg je? JA, BIJNA!’ Ik slingerde het gesprek de leegte in, in de hoop dat de grote boze wolf het zou horen en denken: ‘Ah, die is bijna thuis. Laat die verkrachting dan maar zitten.’

De compositietekening van de Utrechtse serieverkrachter kan ik dromen. Ik groeide op in Zeist, een schiereiland voor verwende Utrechters, en leek door de tekening te worden achtervolgd. Hij keek me aan, vaag en vaal, het gezicht van de kinderlokker voor grote kinderen. En elke man leek er wel een beetje op.

Een kennis van mijn ouders werd weleens verdacht. Niet officieel, maar officieus. ‘Jij lijkt er toch verdomde veel op!’ grapten mijn ouders. ‘Verrek,’ zei hij. ‘Verdomme.’ Hij meed de tekening als de pest. Zijn kop naast dat ding zou het dorp aan het denken kunnen zetten. Verder deed hij zo normaal mogelijk, wat vanzelfsprekend ontzettend verdacht was.

Mijn moeder is gauw bang. Bij het stoplicht voel ik de ferme greep van haar hand nog in mijn bovenarm, haar duim in mijn oksel, duwend, prikkend. In het bos kijk ik achterom, veel vaker dan nodig. In zee heb ik nog de neiging na elke duik naar het strand te zwaaien en te roepen ‘Ik ben er nog! Ik leef!’ Maar het bangst was ze voor de man op de tekening.

De oude compositietekening.

Het begon in 1996. ‘Niet met vreemde mannen meegaan, Roos,’ zei ze vaak. ‘Ook niet als hij zegt dat er thuis een nest jonge poesjes op je wacht. Juist dan niet.’ Ik werd ouder, de man op de tekening bleef toeslaan en de waarschuwing groeide mee: ‘Niet fietsen in je hockeyrok, en nooit alleen. Met z’n vieren. Niet fietsen door het bos, niet fietsen waar de straatverlichting niet werkt, niet fietsen naar Utrecht of naar Odijk. En al helemaal niet in het donker.’ En ouder: ‘Geen drankjes aannemen van mensen die je niet kent. Laat iemand voorproeven. Let op elkaar, trek de zoom van je rok wat omlaag.’ En nog ouder: ‘Niet naar het park als je de kroeg zat bent.’ En als je dan toch, onverhoopt en te hopen van niet, alleen bent, doe dán alsof dat niet zo is. ‘IK ZIE JE! IK BEN ER BIJNA!’, bleef ik dus schreeuwen, op het verlichte pad naar huis.

In 1999 ging Sybine Jansons dood. Ze had na moeten blijven, fietste noodgedwongen in haar eentje naar huis, en kwam daar niet aan. Sybine woonde even verderop, in Maarn. Of het de man van de tekening was, de Utrechtse serieverkrachter, wisten we niet, maar op school waarschuwde de juf met de stem van mijn moeder. Langs mijn huis reden extra bussen, om jonge studentes veilig naar de universiteit te brengen. De man op de tekening keek me spottend aan. ‘Pak me dan,’ zei hij. ‘Maar wel met z’n vieren.’

In 2001, -02, en -03 spookte de verkrachter rond langs de weg naar mijn hockeyclub. Hij zou meisjes van hun fiets hebben getrokken. Mijn moeder bracht me met de auto. Soms ging ik uit school stiekem of per ongeluk mee met Marlot uit Odijk. Dan voerde ik een slecht-nieuws-gesprek met mijn moeder, en moest ze me ophalen. Terloops leerde ik de betekenis van een ‘fait accompli’, en de straf die daarbij hoort.

Miljoenen euro’s en een aantal slachtoffers later wachtte de politie de man met het gele haar en het oorbelletje op in het bos. Meisje na meisje fietste langs. De verkrachter hield zich gedeisd. Een fantoom. Ongrijpbaar, als het spook onder je bed en de grote boze wolf die ’s nachts in het geniep de kippen van stok grist.

Voor de rechter

Vandaag staat Gerard T. voor de rechter. Het kan ‘m zijn, de man van de tekening: ik herken ‘m niet één, twee, drie, maar zijn DNA heeft hem verraden. Mijn moeder volgt de zaak op de voet. Ik ook. De documentaire, de reconstructie, dat nieuwtje over wat-ie met die fietspomp deed.

T. blijft vooralsnog zwijgen. Op de radio hoorden we Lex Mellink, oud-politieman, de hoop uitspreken T. in de ogen te kijken. ‘Ik hoop dat het me lukt. Het fantoom. De man die, als we ‘m niet hadden gepakt, een nagel aan mijn doodskist zou zijn gebleken.’

De man die voor mij een gezicht gaf aan de grote boze wolf. De man die de basis legde voor een diep geworteld wantrouwen jegens mannen met geel haar en een oorbel. En mannen die op een mountainbike door het bos fietsen. Jegens mannen, eigenlijk.

Nu hebben ze hem te pakken. Ik hoop het zo. Als een fantoom vleselijk wordt, is het een kwestie van beetpakken. Met je duim in zijn oksel, duwend, prikkend.

‘Ach, het is een Utrechts gebruik,’ lacht mijn moeder aan de telefoon. ‘Die fantomen. Voor je het weet is er een nieuwe.’