Neergestoken
‘Als mensen te ver gaan, kan ik ze zo de keel doorsnijden’
Hij zit een beetje ineengedoken. Armen over elkaar op tafel, rug rond. Hij draagt een felrood pak, de stof houdt het midden tussen linnen en katoen. Tijdens het verhoor door de rechter beweert Younes dat hij geen actief lid meer van de Bloods is, de beruchte Amerikaanse gang die in Amsterdam Nieuw-Sloten op bescheiden schaal werd nagedaan.
Younes (19) heeft een dochtertje van vijf en staat terecht voor poging tot moord, afpersing en straatroof. Aan het tafeltje naast hem zit de moeder van Tom, de jongen die werd neergestoken.
Ze weet niet goed waar ze moet kijken, lijkt het. Ze wil weten wie het leven van haar zoon Tom overhoop heeft gegooid. Maar zo’n directe confrontatie, Younes en zij zitten twee meter van elkaar, is ook beangstigend.
Voor Younes zelf is er, behalve zijn advocaat, niemand naar de rechtbank gekomen. Geen ouders, geen broers of zussen, geen vrienden, geen vriendinnen.
De officier van justitie zou het liefst zien dat Younes door het Pieter Baan Centrum wordt geobserveerd. Juist omdat nog steeds onduidelijk is waarom Younes zijn slachtoffer heeft gestoken. Waar die ongebreidelde agressie vandaan komt. Zelf noemt hij dat psychologisch onderzoek een onzinnig plan: ‘Nergens voor nodig, ik heb geen ziekte. Ik weet wat ik doe.’
Het gebeurde begin juni om half twaalf ’s avonds. Tom was aan het skaten, op weg ?naar een vriend bij wie hij zou logeren. Vanuit het niets sprong Younes op zijn rug, ?en gooide hem op de grond. Tom verzette zich, Younes haalde een mes te voorschijn en?stak hem in zijn buik. Zomaar.
Dat mes was voor iemand anders bedoeld, legt Younes de rechtbank uit. X viel zijn vriendin lastig en dat moest afgelopen zijn. Hij en X hadden die avond afgesproken om het uit te praten, maar X kwam niet opdagen.
Rechter Janssen: ‘En toen kwam Tom langs.’
Younes: ‘Ik kon de woede niet tegenhouden.’
Hij heeft geen stoornis, zegt hij nog eens. Hij is alleen af en toe agressief. ‘Als mensen te ver gaan, kan ik ze zo de keel doorsnijden.’ Hij heeft al verschillende anti-agressietrainingen gehad en die hielpen niet.
Als de rechter de zaak sluit, uitspraak over twee weken, loopt Younes naar de moeder van Tom. Hij steekt zijn hand uit en vraagt zachtjes of ze hem kan vergeven. De moeder kijkt hem aan, tranen in haar ogen. Ze recht haar rug: ‘Hoe het ook verder met u zal gaan, ik hoop dat uw dochtertje zoiets vreselijks nooit zal hoeven meemaken.’
Margalith Kleijwegt
Darwinisme van de voetbalkantine
Dirk Scheringa: ‘Vrouwen bleven in het stenen tijdperk achter in de hut’
Yves Gijrath, organisator van de jaarlijkse miljonairsbeurs, laat een filmpje zien. Martin Luther King schalt over de hoofden van een paar honderd marketingmedewerkers van allerhande Nederlandse bedrijven en bedrijfjes. Ze zijn in het Tropenmuseum bijeengekomen om te luisteren naar ‘toppers uit de media-, marketing- en reclamewereld’. Onder de titel ‘koffiedik kijken’ vertellen de toppers wat Nederland het komende jaar staat te wachten. Gijrath over King: ‘Kippenvel, nog altijd. De mooiste reclamefilm ooit.’ En daarna zegt hij het echt: ‘Martin Luther King wist een stukje communicatie over te brengen.’
Daarna komen de voetbalmetaforen. De een na de ander. Zelden zoveel voetbalmetaforen in één uur gehoord. Zelfs de kleurloze PCM-topman Bart Groenewegen zegt: ‘We zitten kort op de bal.’ Hij bedoelt het krantenconcern. En de directeur commercie van Albert Heijn: ‘Ons bedrijf speelt iedere dag Champions League.’ En later vergelijkt hij het rood-witte hart van Ajax of Feyenoord met ‘het blauwe bloed van Albert Heijn’.
Dirk Scheringa van de DSB is de enige spreker die de voetbalmetafoor buiten zijn verhaal houdt. De voorzitter en grootste geldschieter van voetbalclub AZ is uitgenodigd omdat hij altijd zijn eigen reclamecampagnes maakt. Tot hilariteit van de kenners. ‘Tenenkrommers,’ noemt de spreekstalmeester ze. ‘Maar ze werken wel,’ constateert Scheringa droog. ‘We krijgen zoveel nieuwe klanten, dat is gewoon erg.’
In een vermakelijke speech legt hij uit waarom zeventig procent van de DSB-medewerkers vrouw is. En zo brengt Scheringa toch het voetbalspel in, via de achterdeur. Want zijn opvattingen over de kwaliteiten van mannen en vrouwen komen direct uit het darwinisme zoals dat gemeengoed is in de voetbalkantine. ‘Vrouwen kunnen vijf dingen tegelijk,’ beweert Scheringa. Want, en dat weet iedere regelmatige bezoeker van een voetbalkantine: ‘Vrouwen bleven in het stenen tijdperk achter in de hut, waar zij zich bezighielden met voedsel bereiden, kinderen opvoeden en het huishouden. Terwijl wij maar één ding deden: jagen.’
Bijkomend voordeel, legt Scheringa uit, is dat mannen daardoor nog altijd beter kaart kunnen lezen. ‘Wij moesten de weg terugvinden naar de hut. Zij konden blijven zitten waar ze zaten.’
Pieter van Os
Feestdagen bij de maffia
‘Ik heb vijf Oekraïense meiden laten invliegen’?
Een Moskouse maffiaheer had me voor de feestdagen uitgenodigd in Palermo. Maar na drie nachten van whisky drinken in de bar van Grand Hotel Des Palmes, rond de stoel waarop Wagner hier zijn Parsifal voltooide, krijg ik spijt en houd ik het voor gezien. Ik stap in een huurauto en rijd via Mozia (Phoenicische nederzetting) en Marsala (mierzoete wijn) naar Agrigento. De oranje en gele spatten van de sinaasappels en citroenen in de bomen, maar vooral de vergezichten met de turkoois opblinkende zee zijn – na de donkere Russische maanden – als prettige zweepslagen in mijn gezicht.
Bij de brokstukken van een Griekse tempel krijg ik ineens last van hartkloppingen. En hoor ik galmende stemmen. Geschreeuw. Ik voel me een negentiende-eeuws hysterisch wijf dat de zuidelijke antieke pracht – op haar grand tour ter voltooiing van haar opvoeding – ineens te veel wordt. Het is de whisky, denk ik. Vanaf nu alleen nog maar wijn. ?Op Oudejaarsdag zet ik koers naar Siracusa. Van een boom jat ik drie sinaasappels en vreet ze staande op. Elegant geklede mensen doen in de verregende nauwe Italiaanse straatjes hun laatste inkopen. Mijn Moskouse maffiaheer belt me op. ‘Ik heb vijf Oekraïense meiden laten invliegen. Zeg, wat doe je daar verdomme? Zal ik je met een taxi laten ophalen?’ Maar ik verzin een smoes, vind in de Via Malta een hotelletje en wandel even later naar de oude haven. De regen knalt neer op mijn paraplu. Deze Ionische schuimgolven moeten Plato en Archimedes ook hebben gezien. Pas dan bedenk ik me dat Geerten Meijsing hier woont. Ik ken hem niet. We komen beiden uit de buurt van Haarlem. En verpesten beiden ons leven met de schrijverij; meer klimatologisch uiteen kan welhaast niet. Exilstakkers. ?Het nieuwe jaar begroet ik in een twijfelaar met hompen kaas en flessen Nero d’Avola. Tegen twaalven houd ik een plastic fluitglas champagne op naar de schimmen van mijn gestorven ouders. Ooit was dit een feestdag. De volgende ochtend schijnt de Siciliaanse zon overdadig. Wat een blauwe lucht! Op een marktje zie ik hoe vissers vers gevangen zwaardvissen neerkwakken op een kraam. Ik zou hier goed kunnen wonen. Schrijven ook. Wat voor boeken? Maar voel me een indringer in het decor van Meijsing. Dan zie ik mijn ondergesneeuwde Moskouse binnenplaats voor me. Het hok waarin ik woon. De maffiaheer belt me opnieuw. Hij voelt zich beledigd en wil me nooit meer zien. Zo heeft het nieuwe jaar meteen al weer winst opgeleverd.
Pieter Waterdrinker
Bolussen in de volkstuin
‘Walgelijk, ik heb al het beddengoed meteen bij het grofvuil gezet’
Het volkstuincomplex ligt aan de rand van de Amsterdamse wijk Slotervaart – een locatie met een beroerde reputatie. De paden zijn modderig, de tuinen verkeren in winterslaap, maar de volkstuinders brengen toch regelmatig een bezoek aan hun erfje. Niet alleen om te zien of er al een sneeuwklokje bloeit, of om de bloembollen te inspecteren. Nee, een veel belangrijkere reden is om na te gaan of hun tuinhuis nog in ongerepte staat verkeert.
De nieuwjaarsreceptie in het clubhuis is dé gelegenheid om angstaanjagende verhalen te horen over wat sommigen nu weer is overkomen: die verdraaide insluipers en inbrekers.
En ja hoor, daar is de eerste al die de vraag durft te stellen: ‘Hoe zit het dit jaar met die vermaledijde ongenode bezoekers?’
Onmiddellijk komen de verhalen los. Hoe diverse tuiniers opeens hun zonnepanelen ?misten. Hoe onverlaten een raam hadden geforceerd en een paar dagen in tuinhuisbedden hadden doorgebracht. ‘Walgelijk,’ gruwt een vrouw, ?‘ik heb al het beddengoed ?meteen bij het grofvuil gezet.’
‘Ik moest kokhalzen,’ vertelt een ander, ‘toen ik in de wc keek. Het water was afgesloten, maar ze hadden gewoon op de pot gescheten. Dagenlang. Die was tot de rand gevuld met bolussen.’
De politie kwam, vertelt ze, en die zei: ‘O, Polen, mevrouw.’ Volgens hen waren het een man en een vrouw geweest. Waarom? ‘Er waren mannelijke bolussen. En er was gekookt. Mannen koken, niet, mevrouw.’
Een andere ervaringsdeskundige: ‘Als er een raam is ingegooid, en alle pakken koekjes zijn leeggegeten, dan waren het Marokkaanse jongens.’
In het huisorgaan van het volkstuincomplex is aandacht besteed aan dit probleem. In het herfstnummer lag een inlegvel dat je op het raam kunt plakken. ‘Zomerhuis. Geen eten. Geen drinken. Geen bedden. Geen zonnepanelen. Geen verwarming. Geen lampen. Geen kaarsen,’ staat erop in grote letters. Voor de zekerheid ook in het Engels. Lastig voor de tuiniers die alleen over een fiets beschikken om hun matras naar huis te vervoeren. Het toegangshek tot het complex is voorzien van prikkeldraad. Alleen als het flink vriest, kunnen zwervers, buurtjongeren en daklozen via de bevroren sloten het terrein op.
Martje Breedt Bruyn
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.