Koos Breukels kunstogen

Truus van Nisselrooy, met voor zich haar aantekeningen in braille en met naast zich haar witte Canadese herder, vindt het zelf ook vreemd. Ze spreekt ons toe over foto’s die ze niet heeft gezien. Maar fotograaf Koos Breukel heeft haar nu eenmaal nadrukkelijk gevraagd om zijn tentoonstelling Cosmetic View te openen.

Van Nisselrooy kan Breukels werk niet bekijken omdat ze blind is sinds haar achttiende. Ze ziet wel de ironie van de situatie, die is haar inmiddels zelfs vertrouwd: haar partner is een enthousiast amateurfotograaf. Ook het portret dat Koos Breukel van haar maakte in zijn serie portretten van mensen met een of twee oogprothesen, kent ze dus alleen van horen zeggen. Soms is dat een voordeel: in wat mensen erover vertellen, hoort ze meteen ook hoe ze haar zelf zien. ‘Zo streng ben je helemaal niet,’ reageerde iemand. Een ander zei, en toen begreep ze dat het portret geslaagd was: ‘Het lijkt net of je naar binnen kijkt.’

Haar toehoorders weten waarover ze het heeft, de meesten hebben tenminste één oogprothese. Als vanzelf let iedereen hier meer dan anders op de ogen van medekunstkijkers: welk van de twee ogen is het echte? Terwijl gemiddeld ongeveer een op de duizend mensen een oogprothese draagt, zijn de twee-ogigen hier in de minderheid. Dat leidt tot confidenties als: ‘Okay, het zíjn allebei echte ogen, maar het ene is zó lui dat ik er zo goed als niets mee zie.’

Jeanine van Beelen heeft wel een echt kunstoog en ze was verrast door de indrukwekkend mooie foto die Breukel van haar maakte, die ook het omslag is van het boekje bij de tentoonstelling. Terwijl ze meestal juist wil dat er zo min mogelijk aandacht aan haar linkeroog wordt besteed, dat sinds haar derde van kunststof is. Een van de andere geportretteerden liet zich een kattenoog aanmeten, om de kunstmatigheid ervan te benadrukken. Als reserve-oog heeft hij er een met een smiley als iris. Dat zou zij niet gauw doen, hoe echter haar kunstoog oogt, hoe liever het haar is. Jeanine: ‘Toen ik klein was, waren mijn ogen grijs, ze zijn steeds groener geworden. Bovendien ben ik zelf gegroeid, en mijn prothese moet dan meegroeien. Dus ik ga regelmatig langs bij mijn oculariste, voor controle of voor een heel nieuw oog.’

Die oculariste is Erica Groet, en dit is ook háár tentoonstelling. Ze draagt een ketting die is samengesteld uit ogen met irissen in verschillende kleuren (‘ja, je mag me wel geobsedeerd noemen’). Een gekartelde paarse designbril omlijst haar eigen ogen. Deze opening is tegelijkertijd de eerste reünie van haar klanten. Alle oogprothesen, aan de wand en in het publiek, zijn door haar gemaakt. Met de hand: slijpen, polijsten, schilderen. Het is puur ambachtelijk werken met kunststof – als je liever een glazen oog hebt, moet je bij een Duitse ocularist zijn, die hebben die markt van oudsher in handen. De geportretteerden komen allemaal bij haar in de praktijk – sommigen al dertig jaar. Groet is een van de vier ocularisten in Nederland (‘het is een klein wereldje’) en ze heeft vierduizend patiënten. Als verzamelaar van fotoboeken en foto’s kende ze galeriehouder Willem van Zoetendaal, die haar in contact bracht met fotograaf Breukel. Toen Groet haar patiënten vroeg om te poseren, stemde bijna iedereen meteen toe. Alleen een Marokkaanse vrouw wilde het eerst aan haar man vragen. ‘Van haar heb ik jammer genoeg verder niets meer gehoord.’ De oculariste vond de tentoonstelling eerst ‘heel griezelig’. ‘Ik was bang dat ik bij het portret van zo’n mooi mens zou denken, had ik dat oog niet toch net ietsje hoger of iets meer naar rechts moeten zetten.’ Nu de foto’s van Koos Breukel eenmaal hangen, ziet ze tot haar opluchting: het gáát hier helemaal niet om die kunstogen.

Mischa Cohen

De iPod-priester

Toen CNN vorig jaar berichtte dat zelfs het Vaticaan aan podcasting doet, werd er niet bij vermeld dat de Heilige Vader zijn nieuwe communicatiemiddel te danken heeft aan een eenvoudige pastoor uit Amersfoort. Het medium – internetradio voor de mp3-speler – bestond nog geen twee maanden toen pastoor Roderick Vonhögen, op bezoek in Rome, bij Radio Vaticana binnenstapte om uit te leggen waarom podcasting de toekomst heeft. Zelf was hij op dat moment al doende met zijn eigen site, www.catholicinsider.com, die in korte tijd geweldig populair werd. Met Adam Curry behoort hij tot de pioniers van het hippe medium. ‘Het feit dat het Vaticaan er ook aan begon, heeft het podcasten een enorme impuls gegeven,’ zegt pastor Roderick. ‘Het is een leuk gevoel daar een steentje aan bij te dragen.’

De jeugdige Amersfoortse priester had aanvankelijk een miljard katholieken als doelgroep, zodat hij besloot de podcast in het Engels op te zetten. Inmiddels is echter gebleken dat de luisteraars, afkomstig van alle continenten, voor tweederde uit niet-katholieken of zelfs uit ongelovigen bestaan.

Iedere ochtend wordt pastor Rodericks ontbijtshow, met muziek, nieuws en ‘een stukje inspiratie’, door zo’n twintigduizend mensen beluisterd, van Japan tot Canada. ‘Zoveel zitten er niet op zondag bij mij in de kerk,’ grinnikt hij. Openingsitem op de website is ‘God’s Keynote Speech’, een lichtvoetige persiflage op de jaarlijkse speech waarmee Apple-topman Steve Jobs zijn nieuwe producten presenteert. In pastor Rodericks variant kondigt God zelf de nieuwe doorbraak aan: de geboorte van het kerstkind.

Bijzonder geliefd zijn zijn podcasts over Narnia, de film naar de boeken van C.S. Lewis die nu in de bioscopen draait, en Harry Potter. Ook aan Star Wars wordt op ‘catholicinsider’ uitgebreid aandacht besteed. Dat laat zich raden: toen Roderick Vonhögen net priester was, bestierde hij een van de best bezochte Star Wars-websites ter wereld. In die tijd werd hij zelfs een keer werd uitgenodigd op de Skywalker Ranch van George Lucas, het Mekka van de Star Wars-liefhebber. ‘En nu zijn er Star Wars-fans die via mijn site geïnteresseerd raken in de katholieke kerk. Wie had dat kunnen denken?’ Zo vindt het Woord van de Heer onvermoede wegen, al haast pastor Roderick zich te zeggen dat hij allerminst op bekering uit is. ‘Ik doe niet aan Godcasting, en dat wordt kennelijk door veel mensen gewaardeerd. Het verklaart misschien waarom zoveel mensen mijn podcast zo leuk vinden.’

De kritiek van sommige conservatieve christenen, als zouden de fabelverhalen van Narnia, de tovenarij van Harry Potter en de sciencefiction van Star Wars bijgelovige onzin zijn, en niet te verenigen met de dogma’s van het geloof, wil pastor Roderick krachtig weerspreken. ‘In die films vind je juist de grote, universele thema’s van het christelijke geloof. Als theoloog wil ik dat graag uitleggen.’ Star Wars bijvoorbeeld, zo verwoordt hij het op de site, draait om ‘Messianic hope, vocation and celibate, fall and redemption, betrayal and fidelity’.

Het podcasten is pastor Vonhögens hoogstpersoonlijke initiatief, dat geheel buiten de kerkelijke hiërarchie tot stand is gekomen. Want, zegt hij: ‘Je moet in de Kerk niet alleen maar passief wachten op wat van boven komt.’ Inmiddels heeft hij de site ook gedemonstreerd aan kardinaal Simonis. ‘En die vond het prachtig.’ Pastor Roderick heeft veel plannen voor de toekomst. Op dit moment is hij bezig met het opzetten van het StarQuest Podcast Network (www.sqpn.com), dat een professioneel internationaal netwerk moet gaan vormen van gelijkgestemde Podcast-initiatieven. ‘Ik heb nog nooit zo’n spannende tijd meegemaakt,’ zegt hij verheugd. ‘En het is allemaal nog niet eens een jaar geleden begonnen.’

Thijs Broer

Robert Wilsons kunstverzameling

‘Dit is het duurste stukje Manhattan,’ zegt Casten Siebert op de grens van SoHo en Tribeca. Hij loopt langs de zoveelste glazen toren waar Californische filmsterren voor miljoenen dollars de illusie kopen dat ze midden tussen de kunstenaars in een ruige buurt wonen. Siebert werkt als zakelijk leider voor de Amerikaanse theatermaker Robert Wilson. Over een paar maanden moet Wilsons imposante kunstverzameling verkassen van Tribeca naar diens Watermill-complex op Long Island. Dan loopt namelijk het huurcontract af van het pakhuis waar hij de afgelopen twintig jaar heeft gewoond. Siebert verwacht dat de nieuwe huur onbetaalbaar zal zijn. Wilson zelf wordt niet direct dakloos. Hij heeft sowieso geen permanente verblijfplaats en logeert hooguit vier weken per jaar in zijn New Yorkse pied-à-terre. Het is vooral de sfeer in de enorme verdieping die verloren zal gaan. ‘Bob is er helemaal kapot van.’

Siebert opent de deur van het pakhuis dat ooit eigendom was van de DIA-stichting voor hedendaagse kunst, die er kunstenaars liet wonen en werken. Zo moest Wilson plechtig beloven de graffiti van John Chamberlain in de badkamer te behouden. Toch kon hij het niet laten om er zilveromrande Russische iconen en zwart-witfoto’s van Marlene Dietrich op te hangen. Toen DIA geld nodig had, werd het pand verkocht. Wilson liet de kans om het samen met de andere bewoners te kopen, voorbijgaan. Nu doet de marktwerking de rest.

Wilsons woning is een échte loft, met een industrieel aandoend trappenhuis, bakstenen muren en geïmproviseerde wanden. Met grote zorgvuldigheid heeft hij er een deel van zijn collectie van zo’n achtduizend objecten geïnstalleerd. Tot in de slaapkamer toe, waar een legertje goden, godinnen en krijgers over het bed waakt. Stoelen en Indonesische figuren vormen ruimten binnen de ruimte, die elk hun eigen sfeer hebben. Fel winterlicht schittert door de glazen kunstwerken bij de grote ramen. Een monochrome Marlon Brando kijkt neer op een bontgekleurd Navajo-kleed en de roodblauwe stoel van Rietveld.

‘Ik zie stoelen vooral als beeldhouwkunst,’ legt Wilson uit per e-mail. ‘De manier waarop een genie als Rietveld traditionele vormen revolutioneerde, heeft mijn eigen werk beïnvloed. Stoelen zeggen iets over de mensen die ze gebruiken. Ze kunnen worden gebruikt om status aan te geven, zoals de stenen zetels op het Watermill-terrein, die waren gemaakt voor de koningen van Lombok.’

Indonesië zal duidelijk aanwezig zijn in het pakhuis op Long Island. De verhuizing naar Watermill gaat gevierd worden met een tentoonstelling van de collectie die door de Zwitserse Indonesië-expert Jean-Paul Barbier-Mueller zal worden samengesteld. De afgelopen zeventien jaar verzamelde Wilson beelden en objecten van verschillende eilanden en culturen. ‘Ik heb iets met dat gebied,’ zegt hij. ‘Indonesische kunst is niet zo bekend als Afrikaanse, Amerikaanse of eskimo tribal art. Het is niet iets waar je direct aan denkt als je naar de Metropolitan Museum in New York gaat. Maar je kunt veel leren van bijvoorbeeld een voorouderbeeld van Nias, een eiland bij Sumatra. Het straalt een bepaalde kracht uit door de manier waarop de ogen en het hoofd staan. Door die spanning domineert het de ruimte er omheen, niet alleen de ruimte tussen de kijker en zichzelf. Ik vertel mijn acteurs vaak dat ze de aandacht van het publiek kunnen krijgen door zich bewust te worden van de ruimte achter hun hoofd, en van de manier waarop dat hun lichaamshouding bepaalt.’

De relatieve onbekendheid van Indonesische kunst in de New Yorkse markt heeft een aantrekkelijk voordeel. Wilson mag dan wel met zijn loft de vastgoedboot hebben gemist, dat zal hem met kunst niet overkomen. ‘Een meer praktische reden om Indonesische werken te kopen, is dat het tot een paar jaar geleden nog redelijk betaalbaar was.’ Noot voor trendwatchers: zijn laatste aankopen deed Wilson tijdens een zeer recente reis door Vietnam; de werken zelf zijn nog niet eens in de Verenigde Staten gearriveerd.

Het bezoek is voorbij. Wilsons huisfotograaf, die opduikt uit het relatief spaarzaam ingerichte kantoor, gaat verder met het vastleggen van een door William Burroughs gemaakte potloodtekening. Hij schakelt zijn lampen aan. Het lage middaglicht werpt een laatste blik in de loft. De meeste objecten zijn schaduwen geworden, maar er is nog een kortstondige toegift weggelegd voor een Deense bijzettafel met Japanse keramiek. Dan valt ook voor hen het doek.

Thessa Mooij

De stem van ‘Het Oog’

Natuurlijk wist ze wie hij was. Al jaren werkt Mieke van der Weij met hem samen. Maar vanavond zíét ze hem voor het eerst, net als de meeste presentatoren van Met het oog op morgen. De man achter de stem die hen al drie decennia introduceert met dezelfde woorden: ‘Buiten is het?… graden. Binnen zit?…’

Het radioprogramma dat dertig jaar geleden door Kees Buurman werd bedacht, viert deze avond zijn jubileum aan de Amsterdamse Plantage Middenlaan. In een overvolle lobby van de Desmet-studio’s zitten de presentatoren aan een grote tafel, omringd door gasten, deskundigen en andere genodigden. Eerder deze avond is er gegeten, gespeecht, gedronken en gepraat. Nu gaan de gesprekken van de genodigden op gedempte toon verder. Maar de presentatoren moeten aan het werk.

In de uitzending debatteren Henk van Hoorn, Tijs van den Brink, Max van Weezel, Stephan Sanders, Jeroen Pauw en John Jansen van Galen, onder leiding van Mieke van der Weij, over de politieke toekomst van Nederland en de rest van de wereld. Maar ook over de toekomst van de publieke omroep. Zelfs het WK voetbal komt even aan bod.

Tussen hen zit Hans Hogendoorn, de man die eigenlijk alleen maar stem is, en die vanavond een gezicht krijgt; rossig, bebrild en gerimpeld. Vriendelijker dan zijn radiostem doet vermoeden. Sinds de eerste uitzending van Het oog is zijn stem aan het programma verbonden. Hij is de man die elke avond om vijf over elf de inmiddels legendarische woorden spreekt: ‘Buiten is het?… graden. Binnen zit?…’ Het is misschien wel de bekendste stem van Nederland.

Maar vrijwel niemand in dit gezelschap herkent hem. Tenminste: totdat hij begint te spreken. ‘Zouden er nog steeds mensen zijn die denken dat jij elke avond bij ons in de uitzending zit?’ vraagt Mieke van der Weij zich af, nadat ze Hogendoorn heeft geïntroduceerd. Het is niet de eerste keer dat Hogendoorn zelf bij de uitzending aanwezig is om de beroemde woorden te spreken. In de beginjaren deed hij het regelmatig.

‘Het blijft leuk om te doen,’ vertelt Hogendoorn na afloop. Als hij niet in functie is, heeft hij een zachtere, bijna verlegen stem. Voor zover hij zich het herinnert, heeft hij maar één keer een uitzending gemist. Lang geleden, toen het bandje een keer zoek was geraakt. ‘Of was ik nou onbereikbaar?’ zegt hij. ‘In elk geval heeft Kees Buurman het toen zelf gedaan. Hij probeerde me zo goed mogelijk te imiteren. Maar het was voor iedereen duidelijk dat het een andere stem was.’

Tegenwoordig zijn alle zinnen opgeslagen op de computer. Een á twee keer per jaar trekt hij zich nog terug in de studio te Hilversum om de zinnen, waar nodig, opnieuw in te spreken. ‘Het is vrijdag’, ‘Het is zaterdag’, ‘Het is zondag’, ‘Buiten is het drie graden’, ‘Buiten is het vier graden’, ’Buiten is het vijf graden’, ‘Binnen zit Henk van Hoorn’?…

Zelf werkt Hogendoorn, ooit begonnen als radiomaker op de boot van Veronica, voor de Wereldomroep. Maar zijn stem leent hij nog graag uit aan de NOS. Niet alleen Het oog, maar ook het Radio1 Journaal, Langs de Lijn en Radio Tour de France worden ingeleid door zijn stem. Een stem die vanavond voor Mieke van der Weij even een gezicht kreeg.

Thijs van Brussel

Tegenvallende duinen op de dertiende

In de toren van Babel zit gelukkig een lift. Ik stap uit op vier hoog. ‘Ser-ruimte, bureau zelfstandigen’, staat er op een bordje tegenover de liftdeur. Vanuit een ruimte rechts klinkt een sonore stem. ‘Struikel niet over de lichtstraal van mijn zaklantaarn,’ zegt de dichter als ik binnenkom. De dichter is Ingmar Heytze. Hij draagt routineus voor uit zijn recente oeuvre. De rond veertig aanwezigen luisteren goed, want bij Ingmar liggen altijd grapjes op de loer. Vrijwilligers lopen rond met champagne in plastic bekertjes. Het is zondag en dit is het festival Mooie Woorden, tevens Kunstroute, tevens Nieuwjaarsduik.

Als Heytze klaar is, kondigt zijn collega Tsead Bruinja een dichteres aan: Vrouwkje Tuinman. Haar voordracht hapert aanvankelijk nogal, zodat ze bij het aankondigen van een volgend gedicht anticipeert met een ontwapenend: ‘Dit zal vast net zo slecht gaan. Maar ach, ik moet het érgens leren, hè?’ Haar poëzie roept het gevoel op dat je soms kunt hebben als je een steeg in kijkt die leeg is, maar eruitziet alsof er zojuist iemand de hoek om is geslagen. Het gaat over gemis en aanwezigheid, die soms niet goed te scheiden zijn. Het gaat ook over Noorse borduurpatronen en Vincent van Gogh, onderwerpen waar ze naar eigen zeggen ‘weinig mee heeft’. Het heeft de gedichten niet geschaad.

De begeleidende tentoonstelling is het resultaat van een soort estafette. Acht met Utrecht verbonden schrijvers, onder wie Arthur Japin, Hagar Peeters en Tommy Wieringa, leverden een tekst. Acht kunstenaars lieten zich daardoor inspireren, waarna hun werk weer aan acht anderen werd voorgelegd, en tenslotte aan een laatste achttal. Zo ontstond een serie korte reeksen. Het is als het oude verjaardagsspelletje; je fluistert iemand iets in het oor, en dan maar kijken wat er zoveel oren later nog van over is. Alleen heet het hier multimediale kunst.

Theatergroep Zuur heeft fragmenten uit het gedicht dat ze kregen op lichaamsdelen geschreven. Daar werden dia’s van gemaakt. Op een blote rug staat ‘z.o.z.’ Op drie handen respectievelijk ‘nood’, ‘breekt’ en ‘wet’. Kunst met een knipoog, zoveel is duidelijk. De werken moeten het alleen doen, want het decor verleent het geheel weinig cachet. Op de grond ligt versleten vaalgrijze kantoorvloerbedekking met donkere morsvlekken. De luxaflex hangt er lusteloos bij, maar de ramen rondom bieden een schitterend uitzicht op Utrecht en omstreken.

Achter de microfoon zit nu een smal gebouwde jongen met een baardje – Phinx genaamd. Hij zingt songs van eigen makelij – in het Engels, wat eigenlijk niet zo heel erg bij de rest van het festival past – en begeleidt zichzelf op een elektrische piano. Zijn stem is hoog en zuiver.

Ik wil naar de dertiende verdieping, waar Ingmar Heytze een duinlandschap in het vooruitzicht heeft gesteld, maar word bij de lift weg gewenkt door een beeldschoon meisje. Ze leidt me naar een deur die toegang geeft tot een verduisterde ruimte. Binnen zitten enkele mensen in eerbiedige stilte naar een projectiescherm te staren waarop dichtregels en beelden verschijnen en vervagen. Een verstilde zee, met daarop de woorden Er is een weg. Dan: Ik wandel, dat even later overgaat in: Ik adem en wandel. De straat uit. Op de achtergrond blikkert nog steeds doodgemoedereerd de zee. Het kunstenaarsduo dat deze presentatie ontwierp, heet Blindschelders & Raadsman.

Er komt een man binnen, die voor de projector langs loopt, en zich, zoals mensen in zulke situaties nu eenmaal doen, vergeefs klein probeert te maken, zodat we zijn gebogen silhouet door het beeld zien schuiven. Ik wandel. Het beeld- en woordspel blijkt zichzelf na verloop van tijd te herhalen.

Toch maar naar boven. De duinen op de dertiende verdieping vallen wat tegen. Er ligt slechts een bescheiden laagje zand op de vloer. Daarop staan rode plastic krukjes, waartussen blije peuters rondscharrelen. In een hoek lezen studenten voor uit pril eigen werk. Het uitzicht hierboven is helemaal fantastisch, de sfeer prettig, informeel, studentikoos. Er heerst een grote mate van welwillendheid. Aanstellerij is ver te zoeken. Ik blijf een paar uur in het zand zitten. Het is een gezellig rommeltje hier in de toren van Babel, misschien wel de lelijkste kantoorflat van Utrecht. Vroeger zat in dit gebouw de Sociale Dienst. Wie wil beweren dat er geen vooruitgang bestaat?

Niek Miedema