Vergeefs hopen op sorry
Hij kwam, zoals zoveel Polen, naar Nederland om te werken. Om een huis in Polen te kunnen bekostigen en een gezin te stichten met zijn vriendin Aga. Maar op de nacht van 2 oktober 2005 verdronk Tomasz Paja (24) in het koude water van de Prinsengracht, na een vechtpartij met een groepje jongens. Volgens getuigen hadden zij Paja belet de kant op te klimmen, zelfs een fiets naar zijn hoofd gegooid. Vandaag staan ze voor de rechtbank: Andy, Buck en Erik, drie Amsterdamse jongens van begin twintig. Hoewel uit telefoontaps is gebleken dat ze hun verhalen op elkaar afstemden, spreken ze elkaar en zichzelf voortdurend tegen, als ze zich al iets van de avond zeggen te herinneren.
Rechter: ‘Volgens een getuige riepen jullie: kanker, als je aan de kant komt, maken we je af!’
Andy: ‘Ik kan me het niet herinneren.’ Buck: ‘Volgens mij heb ik dat zo niet gezegd.’ Erik: ‘Ik sla bijna nooit iemand. Ehm, ik sla nooit iemand.’ Hun families mompelen instemmend. Na een tijdje is de rechter het zat: ‘U zag Paja verdrinken en greep niet in. U hebt nota bene uw duikbrevet! Vindt u dat niet laf?’ Buck begint te huilen: ‘Meneer, ik leef al twee jaar in een verschrikkelijke nachtmerrie. Nadat die Poolse meneer was verdronken, ben ik drie weken thuisgebleven en heb ik geen leuke dingen gedaan. Zoals naar de kermis gaan, en zo. Ook tijdens mijn vakanties ben ik niet uit geweest, en ik ben zeker drie keer op vakantie geweest.’ Zijn advocate brengt hem een glaasje water.
Dan is het woord aan Tomasz’ vriendin Aga, een langbenige blondine. Ze heeft haar tekst samen met het Leidse echtpaar bij wie ze schoonmaakt in het Nederlands geoefend, opdat de verdachten en hun partners en families geen woord hoeven te missen: ‘We voelden ons veilig samen hier in Nederland. En dan, ineens, heb ik niks meer. Ik besta, maar leven is niet wat ik doe. Ik hoop dat de verdachten vanuit het diepst van hun hart sorry kunnen zeggen.’ Aga’s moeder en haar twee vriendinnen, afgereisd uit Polen, schieten vol. Tomasz’ moeder Ewa staart voor zich uit, Tomasz’ neef kijkt naar beneden.
Later horen Andy en Buck één jaar voorwaardelijke celstraf, en Erik honderd uur taakstraf, tegen zich eisen. Aga hoopt nog steeds op een sorry. Maar medeleven is er niet voor de Paja’s. De verontwaardigde ouders kloppen hun zoons op de schouder, beklagen zich over de straf, en benen dan weg. Over twee weken is de uitspraak.
Carolina Lo Galbo
Voor een eerdere reportage over de zaak-Paja en de uitspraak op 13 december, zie www.vn.nl/verhalen/inditnummer
Karel van het Reve wordt verzameld
Je kunt nog zo’n fraai programma hebben opgesteld voor het verloop van een avond, er komt gemakkelijk zand in de machine. Spreekstalmeester Theodor Holman maakt er behendig een running gag van. ‘Omdat de minister er nog niet is,’ zegt hij, gooien we het programma om. ‘Nu Plasterk op zich laat wachten, beginnen we alvast met een volgend onderdeel.’
Deze avond in De Rode Hoed in Amsterdam staat in het teken van ‘Karel van het Reve en het raadsel van zijn leesbaarheid’. Aanleiding: het verschijnen van het driedelige cd-luisterboek Karel van het Reve leest Luisteraars! Het bevat een selectie radiocolumns die Karel van het Reve (1921-1999) tien jaar lang maandelijks uitsprak voor de Wereldomroep. Een deel van het geluidsmateriaal is onlangs herontdekt en nog nooit gepubliceerd. Daar komt een beetje Van het Reve-liefhebber natuurlijk op af.
Eindelijk maakt de minister zijn entree. Het eerste exemplaar is voor hem, ook ‘een verklaard liefhebber’. Hij krijgt het pas in handen nadat hij de betogen heeft moeten aanhoren van de secretaris van de stichting Karel van het Reve en uitgever Wouter van Oorschot. Er stond een opwindende zin in de aankondiging van deze avond: er zouden details bekend worden gemaakt over het Verzameld Werk van de schrijver. De secretaris, Ton van Brussel, vertelt het verhaal nog maar eens. Het Constantijn Huygens Instituut vond Karels werk niet goed genoeg voor een wetenschappelijke editie. Verontwaardiging alom. Er werd een stichting opgericht, en er was ook al een uitgever, Van Oorschot. Na giften van vijfduizend euro van Arnon Grunberg en Maarten ’t Hart – ‘de zuinigste schrijver van Nederland’ – begon er geld binnen te komen. Vrijwilligers zetten zich aan de redactionele voorbereiding.
Het nieuws: het Verzameld werk zal verschijnen in zeven delen, verantwoord en geannoteerd. Met een ruime keuze uit niet eerder gepubliceerd werk. De eerste twee delen verschijnen najaar 2008. Maar ja, er is nog een gat van zeventigduizend euro voor de uitgave. De secretaris en de uitgever doen een onverhuld beroep op de minister, maar Plasterk geeft geen sjoege.
Alle beetjes helpen. Op 20 december begint in het Leidse antiquariaat AioloZ de verkoop van de bibliotheek van Karel, duizenden boeken met zijn aantekeningen en opdrachtexemplaren. De bibliotheek verkopen? Ja, zegt zoon David van het Reve later in de foyer. ‘De familie heeft er geen plaats voor. Wij hebben eruit gehaald wat wij begeerden. De Russische boeken zijn nu in de UB. De opbrengst van de verkoop gaat naar het Verzameld werk.’ Nog steeds boos: ‘Schandelijk, die weigering van het Huygens Instituut.’
Martje Breedt Bruyn
Zeeland, USA, mag weer aan het bier
Op een zonnige dinsdagmiddag in oktober heerst er een opgewonden stemming bij Vitale’s Pizza in Zeeland, een dorpje van nog geen zesduizend inwoners in het westen van de Amerikaanse staat Michigan. Bij de bar heeft zich een gezelschap verzameld van tienermeisjes, veertigers met baseballpetjes en dorpsnotabelen in pak. Er zijn vier cameraploegen.
Om klokslag drie uur neemt Ryan Snyder, de eigenaar van Vitale’s Pizza, het woord. Snyder, een lange, magere man met een ringbaardje, ziet er nerveus uit. Hij bedankt de gasten voor hun komst, evenals de gemeenteraad van Zeeland, de lokale ondernemers, zijn schoonvader, zijn vrouw. ‘En ik zou natuurlijk een fout begaan als ik God niet zou danken.’ Dan komt het ogenblik waarvoor iedereen naar Vitale’s Pizza is gekomen: Snyder haalt een flesje Budweiser tevoorschijn en opent het met een theatraal gebaar. Gejuich.
Bijna honderd jaar lang werd er in Zeeland, Michigan, geen druppel alcohol geschonken. De gereformeerde immigranten uit Nederland die het dorp halverwege de negentiende eeuw stichtten, legden de boel in 1910 droog, en zo is het altijd gebleven. Wie trek had in een borrel, reed naar het aanpalende stadje Holland, of plopte stiekem een flesje open in de kelder.
Maar de laatste jaren kreeg de middenstand in Zeeland er genoeg van. Mooi, al dat fatsoen, maar de plaatselijke economie liep wel sloten met geld mis. Er kwam een referendum over het alcoholverbod, en de koopmannen versloegen de dominees met een minimale marge: 1425 tegen 1385 stemmen (Zeeland telt nog altijd zestien kerken). Ryan Snyder verbouwde de ijssalon van zijn pizzeria tot een bar met vier taps, twee rijen gepouleerde wijnglazen en een bescheiden maar goed gesorteerde collectie sterke drank. ‘Godzijdank, de droogte is voorbij,’ zegt Kevin Philips, een lokale radiobekendheid die anderhalf jaar campagne voerde tegen het alcoholverbod en als beloning zojuist het eerste flesje Budweiser in ontvangst heeft genomen. ‘Drank is goed. Jezus dronk toch ook wijn?’
Bang voor zedelijk verval nu er vrijelijk gepimpeld kan worden, is men in Zeeland niet. Alle aanwezigen (inclusief de burgemeester, die een opmerkelijke uiterlijke gelijkenis vertoont met Ariel Sharon) benadrukken dat calvinistische principes als gematigdheid en zelfbeheersing diep verankerd blijven in de Zeelandse ziel. ‘Wij zijn niet veranderd,’ zegt een advocaat met een pint Miller Lite in zijn hand, ‘de rest van Amerika is veranderd. En daar moeten we ons aan aanpassen.’
Thijs Niemantsverdriet
Op de wijven kruipen in Utrecht
Nederlands grootste studentenstad is verlaten. Het is de morning after donderdagnacht. Het epicentrum van universitair Utrecht, het Academiegebouw, loopt vol ouwelui, waarschijnlijk universitair docenten. Vlak bij het statige Academiegebouw ligt de Woolloomooloo, de discotheek van het Utrechtsch Studenten Corps. Vannacht was het hier warm, druk en onrustig. Hoe anders is het deze morgen. Stil en schoon.
In het academiegebouw keuvelen academici over studenten. Over hun rol en plaats in de Nederlandse samenleving, vroeger en nu. Het stereotype van de corporale student, die al zuipend, gokkend en neukend het studentenbestaan tot een goddelijk nietsdoen heeft gecultiveerd, blijkt al ruim anderhalve eeuw te bestaan. Het symposium heet ook ‘Zoep’n, toep’n en op de wiev’n?kroepen?’ Het vraagteken in de titel geeft al aan dat dit beeld van nuances kan worden voorzien. En dus wordt er flink genuanceerd door de heren wetenschappers. Ja, gebrast en gebrald werd en wordt er. Maar de negentiende-eeuwse sociëteiten waren ook kweekvijvers voor goede burgers. Het vocabulaire van de eerste spreker, dat in een collegezaal anno 1876 niet zou misstaan, strekt zich uit tot termen als sociabiliteitsdenken, burgerschapsidealen en gedragsbonificatie. Het corps als minimaatschappij waar jongelui worden gevormd tot nuttige burgers. Een verfijnd sociaal systeem dat leidde tot ‘een veredeling van hart, verstand en smaak’. Een smeedplaats van de nieuwe elite. Maar wel een strategische elite, die macht verwerft door vaardigheden, niet door afkomst of bezit. Vaardigheden aangeleerd in de krochten van de sociëteit of aan de bar van de kroeg, De Kroeg. Bildung en voorbereiding op de volwassen wereld. Een opvoeding tot wereldburgerschap.
De studenten zelf hebben bijgedragen aan de negatieve en gesimplificeerde beeldvorming. Zij hebben het in stand gehouden door de deuren naar hun geheime genootschappen gesloten te houden. Rond het middaguur is het mooi geweest. Langs de lege grachten, de stille straten en verlaten universiteitsgebouwen terug met de trein, die is volgepakt met frisse en geëngageerde middelbare scholieren op weg naar het Museumplein.
Maurits Martijn
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.