Analyse / Ook zonder Verdonk blijft de VVD in crisis

Hoewel zijn ‘partij’ binnen de kortste keren in het niets verdween, trekt Pim Fortuyn vijf jaar na zijn dood nog altijd diepe sporen in de Nederland­se politiek. Het zwaarst getroffen slachtoffer is de VVD. Sinds Fortuyn de VVD genadeloos beroofde van het perspectief de grootste van Ne­der­land te worden, verkeert de partij in een permanente staat van wanorde. De ironie is dat deze is ontstaan doordat de VVD als geen andere partij heeft getracht het gedachtegoed van Fortuyn te kopiëren, tot aan, of misschien zelfs over de grens van zelfverloochening. De bange vraag voor de liberalen is of dat komt doordat ze zich onnodig het hoofd op hol hebben laten brengen, waarmee de crisis rond de breuk met Verdonk van incidentele aard kan zijn, of doordat de VVD zelf onvoldoende substantie heeft om een roofoverval door de populisten af te slaan. In dat geval kan de Verdonk-crisis een existentiële crisis zijn.

‘We zijn nog niet tot de bodem gegaan,’ zei toenmalig fractieleider Jozias van Aartsen in 2005 over het bezinningsproces dat Fortuyn in de VVD op gang had gebracht. Het was volgens hem een vergissing te denken dat de VVD klaar was met de herziening van haar gedachtegoed. Voordelig uitgelegd, waarschuwde Van Aartsen zijn partij niet opnieuw te vervallen in de zelfgenoegzaamheid die tijdens Paars van de VVD bezit had genomen, en attent te blijven voor signalen van onvrede bij de kiezers.

Van Aartsen zelf ging diep in zijn wil tot de bodem te gaan. In antwoord op diens kritiek op de traagheid van het politieke systeem, stond hij net als Fortuyn de introductie van allerlei vormen van directe democratie voor, óók in eigen gelederen. Dat was een vérgaande breuk met het eigen erfgoed. Vanouds was de VVD een geharnaste tegenstander van het referendum, de gekozen minister-president en andere vormen van directe democratie, vanwege de wispelturigheid en de nadruk op personen die inherent zijn aan dat systeem. De liberalen koesterden de vertegenwoordigende democratie zoals zij vorm heeft gekregen sinds de liberaal Thorbecke er de grondslagen voor legde, met als kerngedachte dat afstand tussen burgers en politici is vereist om de besluitvorming enige bescherming tegen de waan van de dag te bieden. En uitgerekend deze partij haalde de gevreesde nadelen van de directe democratie in eigen huis, door de leden direct de lijsttrekker te laten kiezen.

Het is geen wilde gok dat in het oude kiessysteem, waarin de partijtop de keuze van de nieuwe leider informeel bedisselde, de doorknede politicus Henk Kamp, nu gedoodverfd opvolger van Rutte, de VVD allang zou hebben aangevoerd. Of misschien was het wel Van Aartsen zelf geweest. Maar de lijsttrekkersverkiezing in de VVD had nooit zo’n explosieve lading gekregen als de partij alleen deze noviteit uit het ranseltje van Fortuyn had geplukt. In het rechts-populistische deel van de VVD, gerepresenteerd door Verdonk, is de drift om zijn denkbeelden te kopiëren echter verder gegaan en kregen ook Fortuyns agressieve taal over moslims en diens onbehagen over het opengrenzenbeleid een ruime ingang. Het voorwerk was al eerder gedaan, door de toenmalige VVD-Kamerleden Hirsi Ali en Wilders. In naam van de ‘liberale jihad’ die zij wilden uitroepen, bepleitte dat duo onder meer de ‘tijdelijke’ opschorting van burgerlijke vrijheden, zoals de vrijheid van onderwijs en van godsdienst, voor radicale moslims.

Daarmee was de vrijheid zelf, het liberale grondbeginsel, een spanningsbron in de VVD geworden. Dat verklaart waarom de aloude vleugelstrijd in de VVD, tussen behoudzuchtigen en liberalen, van een beheersbaar bijverschijnsel veranderde in een grimmige bron van conflict. Behoudzuchtigen en liberalen konden in de VVD lange tijd met elkaar door één deur. Hun gezamenlijke afkeer van sociaal- en christen-democratische beheerspolitiek was groter dan hun onderlinge verschillen. Dat is veranderd nu de mondialisering met haar migratiestromen en culturele botsingen het brandpunt van de politiek vormt. Li­be­ra­len met een sterk vooruitgangsgeloof en optimisme over de weldaad van de mon­di­a­li­se­ring, staan tegenover conservatieven die de wereld waaraan zij gewend zijn bedreigd zien. Als een van de oudste partijen van Ne­derland, loopt de VVD daarmee aan tegen het fenomeen dat geschillen in de samenleving over de grote kwesties van deze tijd, zoals de immigratie, niet meer parallel lopen met de scheidslijnen tussen politieke partijen.

Elders in deze VN legt D66-leider Alexander Pechtold, concurrent op de links-liberale vleugel, de vinger op de pijnlijke plek, als hij in reactie op de breuk met Verdonk constateert dat de VVD pas weer in het liberale kamp kan worden verwelkomd als zij vrijheidsrechten aan iedere burger garandeert, ongedacht diens afkomst of geloof. Tot voor kort plachten VVD’ers conflicten in eigen kring gekscherend te relativeren door te zeggen dat ze alleen over personen gaan. Inhoudelijk hebben ze niet veel met elkaar te verhapstukken, wilden ze daarmee zeggen. Maar dat gaat niet meer op, nu in de VVD keer op keer het debat over de liberale grondwaarde vrijheid oplaait. De uitkomst van die discussies maakt op het eerste gezicht een wispelturige indruk, waarbij de VVD dan het ene vrijheidsrecht het zwaarst laat wegen en vervolgens het andere. Achter die wispelturigheid blijkt bij nadere beschouwing echter een constante lijn schuil te gaan. In het algemeen bepleit de VVD om gelovigen en hun gemeenschappen in hun vrijheidsrechten te beperken en gunt zij hun tegenstanders juist méér bewegingsvrijheid.

Zo blijkt de tolerantie van de VVD jegens gelovigen die een mening uiten op basis van de Bijbel of de Koran, minder ver te gaan dan jegens bestrijders van religie. De waarde die zij hecht aan de vrijheid van meningsuiting beweegt met die schuivende tolerantiegrens mee. Na kwetsende uitspraken van imam El Moumni (‘Homo’s zijn minder dan varkens’) en RPF-politicus Leen van Dijke (‘Een praktiserend homo is voor mij even zondig als een dief’) relativeerde toenmalig VVD-politicus Zalm de vrijheid van meningsuiting en stelde hij het verbod van discriminatie voorop. Na de moord op cineast Theo van Gogh (‘Moslims zijn geitenneukers’) plaatste de VVD evenwel de vrijheid van meningsuiting op de voorgrond en vroeg ze van gelovigen kwetsende opmerkingen te incasseren. ‘We moeten niet met zijn allen naar het lagere incasseringsvermogen van de moslims,’ zei Verdonk toen.

Al met al wreekt zich dat de VVD het aarzelend begonnen partijdebat over de grenzen van de vrijheid in 1996 abrupt heeft stopgezet. Par­tij­leider Bolkestein, bijgestaan door conservatieve denkers als Andreas Kinne­ging, entameerde destijds een discussie of de publieke moraal beperkingen oplegt aan de individuele vrijheid, en zo ja welke. Maar de VVD wilde er niets van weten. Tekenend voor de wrevel die zich meester had gemaakt van de partijraad, was de opmerking dat elke VVD’er die nog een keer het woord ‘moraliseren’ in de mond durfde te nemen, het pand ‘besmeurd met pek en veren’ zou verlaten. Later, bij zijn afscheid als partijleider, verweet Bol­ke­stein zichzelf dat hij toen niet intervenieerde. Hij bleef zitten en zweeg. ‘Dat is een van de fouten die ik als VVD-leider heb gemaakt.’

Achteraf bezien is het partijdebat in 1996 een van de laatste pogingen tot inhoudelijke verdieping in de VVD geweest, afgezien van de discussie over het Liberaal Manifest van 2005, een nieuwe verkenning van de liberale beginselen. Bij gebrek aan doorwerking in de dagelijkse VVD-politiek heeft dat manifest evenmin veel bijgedragen aan ideologische stevigheid. Daarmee lijkt de vraag beantwoord of de VVD voldoende substantie heeft om na de breuk met Verdonk een nieuwe aanval van de populisten, in welke vorm dan ook, af te slaan. V