David Schrooten werd opgepakt en veroordeeld voor 12 jaar cel in de VS. De Nederlandse hacker zou creditcardgegevens hebben gestolen en verkocht. Dit is zijn verhaal. En dat van VN-redacteur Freke Vuijst: ‘ik hoorde zijn stem en dacht: mijn god, dit is een kind, een kind in doodsangst.’

Aan handen en voeten geboeid zit ik in de bewaarcel. Ik ben op transport gezet naar mijn ‘designation’, de gevangenis waar ik mijn tijd moet uitzitten. De andere gedetineerden kijken wantrouwend naar me. Ze weten dat ik uit de SHU (Special Housing Unit – isoleercel) kom. Misschien is hij een rat, hoor ik ze denken. Ik heb geen idee waar we heen gaan. Moet ik geloven wat ik over designation-gevangenissen heb gehoord van de ‘old timers’, de geestelijk en fysiek gehavende kerels die de gevangenis beschrijven als ‘killing fields vol gang bangers en verkrachtingen’? Hun verhalen lijken op de Amerikaanse televisieshows waar ik nog niet zo lang geleden naar keek, thuis, comfortabel op de bank aan de andere kant van de wereld. Toen had ik nooit kunnen denken dat ikzelf ooit in deze barbaarse situatie terecht zou komen, want dat speelde zich allemaal af in de Verenigde Staten, ver van mijn bed. Wat als ik de komende twaalf jaar opgesloten zit met moordlustige gestoorden? Wat als het zo erg is dat ik beter af ben in een isoleercel? Het is angst die zich als gif door mijn aderen verspreidt, een cocktail van tegenstrijdige emoties, een beker met een doodswens, gemengd met een sprankje hoop en een theelepel liefde die mij de kracht geeft om door te gaan.

‘Kijk eens wie we daar hebben. De Vliegende Hollander. Hoe is het met je maat?’ Het is iemand uit de groep blanken van de eerste afdeling waar ik zat. Hij stoot de man naast hem aan.

‘Zie je die jongen daar, met dat grappige accent? Hij is honderd miljoen dollar waard.’
‘Echt? Wat heeft hij in godsnaam gedaan?’
‘Een stel banken gehackt.’
‘Honderd miljoen dollar? Hoe oud is hij?’
‘Weet ik veel. Ik weet alleen dat de overheid hem heeft ontvoerd en dat hij doorsloeg toen hij op onze afdeling zat.’
‘Hoe lang hebben ze hem gegeven dan?’
One piece.’
‘Tien jaar?’
‘Ja, zoiets.’
‘Zou jij niet flippen als je door Russen werd gekidnapt en werd veroordeeld voor tien jaar cel? Tering.’

Na zeven uur wachten gaan we de gevangenisbus in. Ik krijg een plek achterin, vlak voor een kooi waarin een dikke U.S. Marshal zit met een shotgun. Het einde van de loop is op mijn hoofd gericht. Begeleid door een zwaarbewapende escorte voert de bus ons naar een klein vliegveld. We stappen uit. De deur van een klein vliegtuig gaat open. Gevangenen komen de trap af. Ze staan te bibberen in hun oranje papieren overalls. Het lijkt of ze uit Guantánamo Bay komen, alleen de blinddoeken en oordoppen ontbreken.

Als vee worden we het vliegtuig ingedreven. Iemand maakt een opmerking over het eindeloze wachten. ‘Shut the fuck up!’ schreeuwt een marshal en dwingt hem op de grond te gaan liggen met zijn gezicht op het asfalt. ‘Dat is wat er gebeurt als je je als een smart ass gedraagt!’

Op de trap kijken we om naar de hulpeloze figuur op het asfalt.

Onze Con Air, zoals de gevangenen het vliegtuig noemen, ziet er vanbinnen doorsnee uit, al is het interieur behoorlijk slecht onderhouden. Het vliegtuig hopt van gevangenis naar gevangenis, krijg ik te horen, bij iedere tussenstop worden mensen opgehaald en afgeleverd. Deze vlucht begon in Anchorage, Alaska. Seattle is de tweede stop. De volgende is Federal Correctional Institution (FCI) Sheridan in Oregon. En de laatste, tevens onze eindbestemming, zal Las Vegas, Nevada zijn.

Ik kijk gebiologeerd uit het raampje naar het landschap onder mij: de wolken die langszweven, het groen van Seattle, het dorre geel van de woestijn, en opeens een lichtpunt, Las Vegas. Als ik het vliegtuig uitstap, slaan mijn zintuigen, die door de isoleercel niets meer gewend zijn, op hol. Een helderblauwe hemel, de zon die in mijn ogen prikt, de weldadige buitenlucht die mijn botten verwarmt.

We worden gefouilleerd, gesorteerd en aan elkaar geketend. De bestuurders en bewakers lijken me geen politie of BOP (Bureau of Prisons). Ze dragen een embleem op hun mouw met CCA, ‘Corrections Corporation of America’. We rijden over de beroemde Las Vegas Strip. Als een toerist kijk ik naar de wonderlijke architectuur. We passeren een onwerkelijk hotel-casino in de vorm van een piramide met voor de ingang een gigantische sfinx. Ik ben op weg naar een andere woestijn: Death Valley, de Vallei des Doods.

Blijkbaar ben ik zo gevaarlijk dat maximale beveiliging noodzakelijk is.

De gevangenis ligt in het gat Pahrump, een uur rijden van Las Vegas. Pahrump ziet eruit als een uitgegroeid woonwagenkamp. Het staat bekend als een van de weinige plekken in de VS waar prostitutie legaal is. De gevangenis waar we op afrijden, is omringd door verchroomd prikkeldraad, het glanst in de felle zon. Pahrump is een detentiecentrum, net als SeaTac in Seattle waar ik vandaan kom, maar hier in de woestijn zitten voornamelijk mensen op doortocht naar de gevangenissen waar ze hun straf moeten uitzitten. Het bedrijf, CCA, eigenaar van de gevangenis, deelt nieuwkomers in naar beveiligingsniveau. Levenslang veroordeelden krijgen ‘supermax’ en gaan de isoleercel in. Ik krijg eerst een blauwe overall wat betekent dat ik als ‘laag’ beveiligd geclassificeerd ben, maar dan word ik alsnog samen met een oudere man uit de bewaarcel gehaald om een rode overall aan te trekken. Blijkbaar ben ik zo gevaarlijk dat maximale beveiliging noodzakelijk is.

We worden samen in een extreem krappe cel geplaatst, die hermetisch is afgesloten zonder kieren of gaten, en extreem schoon is. Het lijkt wel een gaskamer, denk ik, en ik huiver. Maar ik wen snel aan mijn nieuwe onderkomen, vergeleken met de isoleercel van SeaTac is dit beslist een upgrade. Het bed heeft meerdere dekens en zowaar een hoofdkussen. Ik heb geleerd om dingen die ooit vanzelfsprekend waren, en waar ik toen niet bij stilstond, te waarderen.

Mijn celgenoot blijkt Moyer te heten. Met zijn lange haar en John Lennon-brilletje met blauwe, ronde glazen lijkt hij op de Big Lebowski. Moyer zit al eenentwintig jaar vast voor de productie van crystal meth. Overdag fabriceerde zijn bedrijf gewone chemicaliën, maar ’s nachts produceerden ze crystal meth met een extreem hoge zuiverheidsgraad. Breaking Bad, maar dan echt. Moyer praat er trots over. Hij is nu op weg van een ‘medium’ beveiligde gevangenis naar een ‘laag’ beveiligde gevangenis in Texas. Maar of hij ooit levend de gevangenis uitkomt? Hij is onlangs gediagnosticeerd met leukemie. ‘I don’t think so…

Ik vertel Moyer kort over mijn situatie. Ik praat er tegenwoordig met een zekere emotionele afstand over. Alsof het iemand anders is overkomen. Wanneer ik terugdenk aan alle gevangenen die ik heb ontmoet, realiseer ik me dat ze precies hetzelfde doen als ik; ze ontkennen de realiteit. Je leeft iedere dag alsof je iemand anders bent.

De eerste dagen breng ik samen met Moyer in onze cel door om boeken te lezen. Op onze afdeling zitten veel bendes: Aryan Brotherhood, Sureños, MS-13, Armenian Power, Nazi Lowriders, Mexican Mafia, Vice Lords, Crips. De meesten van hen zien er gevaarlijk uit. Wanneer ik eindelijk naar buiten ga, is het prachtig weer. Ik installeer me in een hoek van het basketbalveldje in de zon. Een blanke man komt naast me zitten. Hij introduceert zichzelf als Kevetan.

Foto: Annaleen Lauwes

‘Gozer, je ziet er nogal bleekjes uit. Waar kom je vandaan?’ vraagt hij.
‘Seattle, SeaTac.’
‘Ah shit, dat verklaart alles. Niet in slaap vallen, hoor. Een paar maanden geleden was hier ook iemand uit SeaTac, hij stierf door een zonnesteek. Hij viel in slaap in deze kooi en de bewakers waren hem vergeten. De man had al meer dan vijf jaar geen zon gezien. Jij ziet er ook nogal bleekjes uit, dus pas op jezelf.’
‘Waar zit jij voor?’ vraag ik hem.
‘Bankoverval, jij?’
‘Computerhacking.’
‘What the fuck. Waarom plaatsen ze je dan in deze afdeling? Ben je al veroordeeld?’
‘Ja, twaalf jaar.’
‘Ben jij een cyberterrorist zoals in Die Hard 4?’
‘Kev, je bent echt een idioot,’ zegt een andere blanke die bij ons komt zitten. We kijken in de brandende zon naar de dorre vlakte die zich eindeloos voor ons uitstrekt.
‘Hoe heet je?’ vraagt Kevetan mij.
‘David.’
‘David, dit is Rainbow Bob. Rainbow Bob, dit is David. David is de nieuwe generatie crimineel. Een pioneer, te vooruitstrevend voor deze tijd, daarom plaatsen ze hem in de gevangenis. Deze gozer is echt fucking extreem hardcore. Nu kunnen we onze familie en vrienden vertellen dat we in de gevangenis hebben gezeten met een echte computer hacker.’
‘Zitten jullie hier al lang?’
‘Zes maanden,’ antwoordt Kevetan.
‘Elf maanden,’ zegt Bob.
‘Wat is het ergste wat jullie hier is overkomen?’ vraag ik.
‘Vorige maand was er iemand die de babyolie-behandeling kreeg.’
‘Wat is dat?’
‘Ze stoppen een flesje babyolie in de magnetron en gooien het over je gezicht, je huid smelt onmiddellijk en je bent voorgoed verminkt. Het is verschrikkelijk om te zien en te ruiken. Ik had echt medelijden met die gozer. Soms is er een steekpartij. Maar ik heb nog geen gevechten tussen de bendes meegemaakt. Alles wordt onder controle gehouden door de bendeleiders, zonder hun goedkeuring kun je niets doen.’

Kevetan werkt als ‘orderly’. Hij maakt schoon en serveert het eten. Dankzij zijn baantje kan hij ook aan extra’s komen zoals voedsel, batterijen en gratis radio’s. In vergelijking met SeaTac is Death Valley inderdaad stukken comfortabeler. Ik kan zelfs mijn familie weer bellen na ze bijna een jaar niet via de telefoon te hebben gesproken. We hebben dit redelijk snel weten te regelen via Freke Vuijst, een Nederlandse journalist. Sinds ik in de isolatiecel zat in Seattle corresponderen we met elkaar. Mijn ouders hebben ook contact met haar. Ze is onderdeel van de synergie van mensen die zich inzetten voor mijn terugkeer. Omdat zij in de VS woont, kan ik haar bereiken met ‘collect calls’ en zij kan geld storten op mijn rekening zonder ingewikkelde tussenstappen. Ik moet de telefoongesprekken naar Nederland kort houden vanwege de hoge tarieven, maar dat maakt allemaal niet uit, ik kan tenminste de stemmen van mijn familie horen en dat is een enorme oppepper.

Reporter’s Notebook: Thuisfront

Mijn telefoon gaat. Het is halftwaalf in de ochtend, Amerikaanse tijd. Het is Davids moeder, Barbara Schrooten. Barbara zit achter haar computer in Spijkenisse, ik achter de mijne in mijn werkkamer in Great Barrington, Massachusetts. We staren allebei op ons computerbeeldscherm naar de artikelenlijst van Tiger Correctional Services, een bedrijf dat etenswaren en andere spullen aan gevangenen levert. Gewoonlijk kan een gedetineerde zelf een bestellijst invullen bij de winkel in de gevangenis, maar David zit vast in een county jail, een huis van bewaring in een gehucht in Oklahoma, waar geen winkel aanwezig is. Vandaar het urgente overleg.

Barbara en ik zijn met elkaar in contact gekomen omdat ik samen met mijn collega Harry Lensink over David heb geschreven in Vrij Nederland. Ik heb Barbara en haar man Wim mijn hulp aangeboden omdat ik wist hoe moeilijk het kan zijn voor families om vanuit Nederland contact te houden met dierbaren die in een Amerikaanse gevangenis opgesloten zitten.

Jaren geleden heb ik met collega Marian Husken voor Vrij Nederland een serie artikelen geschreven over Nederlanders die waren uitgeleverd aan Amerika vanwege de beschuldiging van xtc-smokkel. Ik had destijds – in 2001 – contact met verschillende uitgeleverde jonge Nederlanders in detentie in Brooklyn, Long Island en New Jersey. Naast bezoeken verliep ons contact vooral telefonisch. Het duurde niet lang of ik kreeg telefoontjes – meestal collect – met verzoeken of ik boodschappen kon doorgeven aan de familie in Nederland. Bellen naar Nederland was vaak lastig en duur, soms hadden de jongens geen geld meer op hun gevangenisrekening. Gewapend met deze kennis had ik David in zijn isoleercel in Seattle geschreven dat hij mij altijd collect kon bellen. Ik had ook zijn ouders laten weten dat ik ze kon helpen bij het leggen van telefonisch contact met hun zoon.

Wat ik me niet had gerealiseerd, was dat de laatste twaalf jaar het Amerikaanse gevangeniswezen veranderd was in een ‘prison industrial complex’. Contact onderhouden met een gevangene bleek een hobbelige weg te zijn langs een schier oneindig aantal private ondernemingen.

Geen telefoonrekening

De eerste keer dat ik David aan de lijn had, was in april 2013, toen hij me collect belde uit het Nevada Southern Detention Center in Pahrump, Nevada. Ik had hem niet eerder gesproken omdat hij vanuit de isoleercel niet kon bellen. Mijn eerste reactie toen ik zijn stem hoorde, was: mijn god, dit is een kind, een kind in doodsangst. David kon zijn ouders niet bellen vanuit de private gevangenis, eigendom van de Corrections Corporation in America (CCA) een van de twee grootste gevangenisbedrijven in de Verenigde Staten, want hij had geen telefoonrekening. Hij wist alleen mij te bereiken. Hij móést beltegoed hebben.

Het kostte Davids ouders en mij enkele dagen om erachter te komen hoe we geld op een rekening voor David konden zetten. We werden voortdurend van het kastje naar de muur gestuurd. Hoewel we er allengs behendiger in werden om contact te leggen met de diverse bedrijven – via internet of telefoon – bleef iedere transactie een tijdrovende bezigheid. En nu staarde ik samen met Davids moeder naar de website van Tiger Correctional Services en brainstormden we wat een tweeëntwintigjarige gevangene op transport nu eigenlijk nodig had.

‘5 kip, 2 garnaal?’

We weten inmiddels dat pakjes instant noedelsoep populair zijn in Amerikaanse gevangenissen. ‘Daarvan zeven? Vijf kip, twee garnaal?’ Voor het ontbijt lijkt instant havermout ons wel wat. ‘Ik denk dat hij ook wel wat extra kleren kan gebruiken,’ oppert Barbara. In de county jail moet hij zelf zijn was doen en ze betwijfelt of de onderbroeken van haar zoon met een handwasje wel schoon worden. Ze heeft een punt, vind ik. Ik vink T-shirts, sokken en boxershorts aan. Welke maat? Barbara stelt ‘medium’ voor want sinds zijn maandenlange verblijf in de isoleercel is David sterk vermagerd. We lopen de rest van de artikelenlijst langs: toiletpapier, plastic lepeltjes, een tandenborstel, een potlood. Snoep, stel ik voor. KitKats en MilkyWays komen op de lijst. En een poeder dat Orange Drink-mix heet, en lijkt op wat astronauten drinken.

We moeten opschieten, want als ik de bestelling voor 12 uur vanmiddag plaats, krijgt David alles nog dezelfde dag geleverd in Grady County Jail in Oklahoma, waar hij is beland op zijn reis als gevangene door Amerika. Ik moet de bestelling doen, want Tiger Correctional Services accepteert de Nederlandse creditcard van Barbara en Wim Schrooten niet. Ik zal de rol van intermediair voor de rest van Davids gevangenschap in de Verenigde Staten vervullen, hebben we afgesproken.

Hoe het verloop van Davids gevangenschap eruit zal zien, daarvan hebben we geen idee. Het transport van gevangenen is een duistere aangelegenheid. De enige manier om aan de weet te komen waar iemand zit, is via de ‘federal inmate locator’-website van het federale Bureau of Prisons. Davids ouders en ik houden de website nauwlettend in de gaten.

Onbegrijpelijke toeslagen

David zat niet lang in Nevada. Toen ik weer van hem hoorde, belde hij me collect uit de Grady County Jail in Chickasha, Oklahoma. Ik had nooit van die plaats gehoord en moest het op de kaart opzoeken. Chickasha was een stadje van 16.000 inwoners ten zuiden van Oklahoma City in het midden van de staat. Waarom federale gedetineerden in een county jail werden opgesloten, was me een raadsel, tot ik ontdekte dat de U.S. Marshal Service, verantwoordelijk voor het transport van gevangenen, een contract had met de county jail – een lokaal huis van bewaring – om federale gevangenen zoals David te huisvesten als het federale transfer centrum in Oklahoma City overbevolkt was.
Omdat een jail een tijdelijk huis van bewaring is, zijn er geen voorzieningen. Er is geen bibliotheek, geen gym, er zijn geen gezamenlijke ruimtes. Jails hebben de reputatie dat het eten er belabberd is en de porties minimaal zijn. De Grady County Jail waar David zit, heeft geen winkel, vandaar het contract met Tiger Correctional Services. Voor gedetineerden is een winkel een lifeline. Je kan er extra voedsel en kleren bestellen, zelfs radio’s en koptelefoons, alles betaald – niet door de staat of de federale overheid, maar door de familie en vrienden van gevangenen.

Tiger Correctional Services fungeert al vijftien jaar als ‘winkel’ voor county jails in het Midden-Westen. Het bedrijf werkt efficiënt en kan onze bestelling zo snel bezorgen omdat het een magazijn heeft in hetzelfde stadje als waar de county jail staat. Voor deze service rekent Tiger tien procent boven op de bestelling. Het eindbedrag, inclusief btw, komt op 62,89 dollar.

Nou ja, David heeft tenminste wat extra’s te eten – en schoon ondergoed.
Het zou niet bij een keer blijven dat ik samen met de ouders van David bij Tiger Correctional Services een bestelling plaats. Elke week dacht David dat hij op transport gesteld zou worden, wat dan weer niet doorging. Op een gegeven moment zei hij tegen me dat de noedelsoep hem de strot uitkwam, maar de havermout was heel welkom, het stilde zijn honger.

Onze volgende uitdaging werd om een telefoonrekening voor David te openen zodat hij zijn ouders kon bellen en ik niet als doorgeefluik hoefde te fungeren voor boodschappen over en weer (en ja, vaak waren die hartverscheurend, zoals ‘zeg hem dat we hem in gedachten omhelzen’, of, ‘zeg tegen mijn ouders dat ik van ze houd’).

We zouden hierbij onverwachts hulp krijgen vanuit Amerika, toen de verloofde van Davids celgenoot met zijn ouders in Nederland contact opnam om uit te leggen hoe een telefoonrekening kon worden aangevraagd. Ik kon het regelen met mijn Amerikaanse creditcard. Omdat we niet wisten hoe lang David in de county jail zou zitten, zette ik 40 dollar op zijn rekening. Daarvoor bracht het bedrijf 9,95 dollar in rekening. En elke keer als ik weer geld op Davids telefoonaccount zette, kwam dat bedrag erbovenop. We zouden met nog veel meer van dit soort commerciële bedrijven te maken krijgen. Elke keer als David verhuisde naar een andere gevangenis, was er weer een nieuw telefoonbedrijfje met zijn eigen ingewikkelde instructies en onbegrijpelijke toeslagen.
Nieuwsgierig naar al die bedrijven waarvan ik nooit eerder had gehoord maar waarmee ik nu regelmatig contact had, ging ik op onderzoek uit. Het bleek om een gespecialiseerde tak van het ‘prison industrial complex’ te gaan. De ‘Inmate Calling Services’ (ICS) zoals de industrie wordt genoemd, heeft een omzet van 1,2 miljard dollar.
De afgelopen jaren was telefoneren in Amerika veel goedkoper geworden, maar gek genoeg gingen de ICS-tarieven almaar omhoog. Daar was een reden voor en die had niets te maken met de legitieme bedrijfskosten van een telefoonsysteem met extra beveiligingsfuncties. Het was een direct gevolg van ‘kickbacks’, of, zoals de industrie en de penitentiaire inrichtingen het eufemistisch noemen: ‘commissies’. De contracten die private telefoonbedrijven met gevangenissen sluiten, bevatten een clausule die omschrijft hoeveel het bedrijf aan de gevangenis zal afdragen – meestal een percentage van de bruto omzet in die gevangenis. Dus: hoe hoger de kickback, hoe meer kans het bedrijf maakt om een contract af te sluiten met een gevangenis. Natuurlijk moet het telefoonbedrijf de kickback terugverdienen. Dat verklaart de hoge tarieven en de toeslagen.

18 dollar per telefoontje

Toen de Schrootens en ik erin slaagden om een telefoonrekening voor David in de Grady County Jail te openen, zette ik het account op bij een bedrijf in Louisiana. Dit bedrijf, waarvan de naam ook op mijn creditcardafschrift verscheen, bleek een callcenter te zijn dat Lattice Inc., een onderneming in New Jersey gebruikte. Lattice was het bedrijf dat het eigenlijke contract met de county jail had. Uit documenten van de SEC (de Amerikaanse beurstoezichthouder) bleek dat Lattice zich agressief op de markt van gevangenistelefonie had gestort en een goede positie had veroverd in de staat Oklahoma. Trots berichtte het bedrijf dat ‘ons gemiddelde inkomen per gevangene 800 dollar is, vergeleken met 515 dollar per gevangene voor de rest van de industrie’.
Lattice waarschuwde dat de omzet negatief kon worden beïnvloed als de Federal Communication Commission (FCC) de Inmate Calling Services industrie reguleerde en de tarieven zou inperken. Dat is precies wat de FCC deed in oktober 2015, toen het nieuwe voorschriften voor de industrie uitvaardigde die in maart 2016 van kracht werden.

Een telefoongesprek van vijftien minuten (langer mag een gesprek vanuit de gevangenis niet duren) dat voorheen 18 dollar kostte, mocht nu niet meer dan 3,25 dollar kosten. Maar de FCC moest toegeven dat ze aan de basisstructuur van de telefoniebedrijven niets kon veranderen. De overheidsdienst was niet wettelijk bevoegd om de betaling van ‘commissies’ te verhinderen. Ze kon niet meer doen dan de commissies ‘ontmoedigen’ en een plafond stellen aan de dubieuze toeslagen die de bedrijven hieven.

Astma

Voor het thuisfront lopen de kosten dus flink op als een familielid achter de tralies zit. Het Ella Baker Center for Human Rights publiceerde in 2015 een rapport over de financiële stress voor families: ‘Who Pays? The True Cost of Incarceration on Families’. Dit rapport toonde aan dat één op de drie gezinnen schulden maakte als gevolg van hun pogingen om in contact te blijven – per telefoon en met bezoeken – met een dierbare in de gevangenis. Proceskosten en schadevorderingen waren andere grote uitgaven. De gemiddelde schuld voor een familie liep op tot bijna 14.000 dollar terwijl veertig procent van de families er een jaarinkomen van 15.000 dollar of minder op nahielden.
Ook Wim en Barbara Schrooten kregen hoge onkosten te verduren als gevolg van Davids gevangenschap. Barbara had het bijgehouden en stuurde mij een overzicht. De Schrootens hadden de griffiekosten van 500 dollar betaald en de schadevordering van 2815 dollar. De hoogste uitgavepost die daarop volgde, was de 1742 dollar die ze mij hadden terugbetaald voor de telefoonkosten en bestellingen die ik had voorgeschoten.
Niet alleen commerciële bedrijven in Amerika zijn vindingrijk in het uitpersen van de families van gedetineerden. De Nederlandse overheid kan er ook wat van. Toen David nog in SeaTac zat, stortten de Schrootens via Buitenlandse Zaken geld op zijn account. Van de 150 euro hield de overheid 50 euro in voor administratieve kosten. Aan de andere kant: de Nederlandse overheid stuurde David elke maand 30 euro, het standaardbedrag voor Nederlandse gevangenen in het buitenland.

MRSA-infectie

Geld was een ding, medische zorg was van een heel andere orde. David had vijf maanden isoleercel overleefd en tijdens zijn maandenlange gevangenistocht door Amerika werd duidelijk dat hij mentaal sterker was geworden. Maar er waren fysieke problemen. Zijn astma speelde op en hij kampte met een langdurige infectie. Voor het thuisfront zijn de medische problemen van hun geliefde in de gevangenis extra stressvol. Ik had talloze telefoongesprekken en e-mailwisselingen met Wim en Barbara over de medische zorg van David. Amerikaanse gevangenissen – van county jails tot federale inrichtingen – besteden de medische zorg uit aan private bedrijven. Die bedrijven zijn al zo vaak in opspraak gekomen dat niemand meer verbaasd is als een gevangene overlijdt omdat hij niet op tijd werd behandeld, verkeerd werd gediagnosticeerd, of niet met een ambulance naar een ziekenhuis werd vervoerd omdat het bedrijf de kosten van een ambulancerit wilde vermijden.

In de Grady County Jail had David een infectie opgelopen – het duurde bijna een jaar voor werd vastgesteld dat het om een MRSA-infectie ging – en hij had hoge koorts. De verpleegster had hem afgescheept. Pas toen de Schrootens de ambassade inschakelden, verstrekte de jail antibiotica. De federale overheid betaalde de Grady County Jail 57 dollar per dag voor de detentie van David. Daar kon blijkbaar nog geen pil vanaf.

Van Grady County Jail in Oklahoma wordt David met Con Air vervoerd naar een beruchte federale gevangenis in Atlanta, Georgia, waar voor zijn ogen een gevangene wordt neergestoken. Na enkele weken wordt hij per bus naar een geprivatiseerde gevangenis, eigendom van de GEO Group, getransporteerd, ook in Georgia. Van daaruit gaat de tocht, die inmiddels vier maanden heeft geduurd, door naar de oostkust.

Als ik ooit uit de gevangenis kom, eet ik nooit meer een bologna-sandwich, beloof ik mezelf.

Lang zit ik niet in gevangenis #5. Twee weken later word ik met vijfentwintig man, allemaal latino’s, opnieuw in een GEO-busje gepropt. Blijkbaar rijden we naar mijn eindbestemming, de GEO-gevangenis in North Carolina. Althans, dat hoop ik. De stoelen in het busje zijn van hard plastic, sommige zijn kapot, de mijne gelukkig niet. We krijgen het gebruikelijke lunchpakketje: een broodje bologna dat smaakt alsof het ver voorbij de houdbaarheidsdatum is. Als ik ooit uit de gevangenis kom, eet ik nooit meer een bologna-sandwich, beloof ik mezelf.

Half slaperig dommel ik in, wat een wonder is, want mijn handen zitten vast aan de ketting om mijn middel en mijn voeten zijn geketend. Opeens staat de bus stil op de snelweg. Een luide dreun op de deur maakt me wakker. Als ik uit het raampje kijk, zie ik dat het inmiddels ochtend is. De deur gaat open en twee State Troopers klimmen naar binnen. ‘Wat is dit?’ vraagt een van de Troopers aan de chauffeur. ‘Dit zijn gevangenen voor…’ Hij is nog niet uitgesproken of de andere Trooper onderbreekt hem. ‘Dat kan me geen reet schelen. Jullie, allebei, naar buiten,’ zegt hij tegen de chauffeur en de bewaker. ‘Armen en benen spreiden.’ De chauffeur en de bewaker kijken verbijsterd. ‘Hé, we worden gekidnapt!’ schreeuwt een latino.

Twee politieauto’s met zwaailichten en gillende sirenes rijden voor. We zien hoe de GEO-mensen die verantwoordelijk zijn voor het transport geïrriteerd raken. ‘Back off,’ schreeuwt een State Trooper tegen de bewaker. Dan: ‘Liggen, nu.’ De bewaker en de chauffeur storten zich op de grond.

Hilariteit alom in de bus.

Na een oponthoud van twee uur komt een agent van de Immigratiedienst opdraven die de situatie uitlegt. Dan kunnen we verder, richting Winton, North Carolina.
We doen er elf uur over, wederom zonder een plaspauze. Mijn blaas staat op knappen. We hebben geen flesjes om in te pissen. Er zit niets anders op dan het ophouden of in je broek plassen. Door de smalle verduisterde raampjes van de bus kan ik niet veel zien. Een enorme watertoren, verder niets, nowhere land. Eindelijk zie ik een bord, ‘Rivers Correctional Institution’, onze bestemming. Als we de zwaarbeveiligde ingang binnenrijden, denk ik: dit zal ik pas weer zien als ik word vrijgelaten. Ik hoop dat het is voor ik 33 jaar oud ben en prevel een schietgebedje.

Reporter’s Notebook: Criminele vreemdeling

Vroeg in de ochtend rijd ik door het uitgestrekte platteland van North Carolina naar Rivers Correctional Institution, de gevangenis waar David Schrooten zijn straf uitzit. De streek in het noordoosten van de staat maakt een verlaten indruk. Er is nauwelijks verkeer op de tweebaanswegen. De stadjes waar ik doorheen rijd, hebben de charme van vergane glorie, eens waren ze welvarend, nu staan de winkels op Main Street leeg of zijn ze dichtgespijkerd. Er is geen restaurant te bekennen, zelfs geen McDonald’s voor een kop koffie.

Rechter Richard Menandez in Seattle had aanbevolen dat David in een federale gevangenis aan de Oostkust zou worden geplaatst. Davids ouders en zijn advocaat hadden hierom gevraagd. Mocht David inderdaad twaalf jaar vastzitten in de VS, dan was een reis naar New York betaalbaarder dan een vlucht naar de Westkust. Bovendien zou ik hem regelmatig kunnen bezoeken en het Nederlandse consulaat in New York zou dat ook kunnen doen.

Bij de ‘Oostkust’ hebben we niet gedacht aan een verarmde plattelandsstreek in North Carolina, zo’n 800 kilometer ten zuiden van New York. De bewaker bij de bezoekersingang kijkt of mijn naam op Davids lijst van geautoriseerde bezoekers staat. Dan neemt ze me van top tot teen op. ‘We kunnen je niet binnenlaten,’ zegt ze bruusk. Ik weet niet zeker of ik haar goed heb verstaan. ‘Pardon?’ ‘Je broek is tegen de regels.’ Ik kijk omlaag naar mijn lichtbruine corduroy broek. ‘Mijn broek, wat is daar mis mee?’ vraag ik poeslief, om haar niet te irriteren. ‘Je broek heeft een kakikleur, dezelfde kleur als de kleding die de gevangenen dragen. Dat mag niet.’ Ik ben sprakeloos. Denken ze echt dat ik ongemerkt zal opgaan in een massa mannelijke gevangenen omdat mijn broek lijkt op de kaki broeken van gedetineerden? ‘Dit kan toch niet waar zijn,’ sputter ik tegen. ‘Ik heb bijna duizend mijl gereden om hier te komen.’ Ze antwoordt niet, geeft me mijn ID terug en roept naar het oudere echtpaar achter me: ‘Next.’

Ik loop het gebouw uit, furieus. Dit is niet mijn eerste bezoek aan een gevangenis, dus ik was, dacht ik, goed voorbereid. Ik had me mentaal ingesteld op het gesnauw van de bewakers die bezoekers behandelen alsof ze criminelen zijn. Ik had voorzorgsmaatregelen genomen: mijn handtas in de auto achtergelaten, sieraden afgedaan, ik had geen riem om en ook geen vest aan, omdat ik al een keer had meegemaakt dat een vrouw haar vest moest uittrekken – meerdere kledinglagen zijn niet toegestaan – om vervolgens uren te zitten koukleumen in de wachtkamer. Ik droeg geen beha met beugel om te voorkomen dat ik gefouilleerd zou worden. En ik had mijn handen zorgvuldig met water en zeep gewassen, als de dood dat de bewakers die met een soort toverstok mijn handen op drugs zouden inspecteren, een residu van een verdovend middel zouden aantreffen. Niet dat ik iets had gebruikt, maar ik had de nacht in een motel doorgebracht zodat ik vroeg bij de gevangenis kon staan en in mijn paranoia over de veiligheidsmaatregelen had zich een scenario in mijn hoofd gevormd van een drugsdealer die de nacht ervoor in de kamer had geslapen en met zijn cocaïnehanden onzichtbare sporen op de deurknop had achtergelaten. Dit broek-scenario gaat echter zelfs mijn verhitte fantasie te boven.

Gelukkig heb ik een oude spijkerbroek in de auto liggen. Ik duik tussen twee auto’s op de parkeerplaats, en in de hoop dat ik niet gearresteerd word vanwege openbare zedenschennis, verwissel ik van broek.

Bij mijn tweede poging kom ik zonder problemen langs de bewaking. Ook als bezoeker voel je je geïntimideerd in een Amerikaanse gevangenis. Je voelt instinctief aan dat op deze plek gevoelens van medemenselijkheid en empathie zijn verbannen, de sfeer is gespannen. Daarom klaagt niemand over het lange wachten of zegt ook maar een enkel woord als we door de bewakers naar de bezoekersruimte worden gebracht. Zelfs de kinderen zijn hier muisstil.

De bezoekersruimte valt gelukkig mee. Die is groot en de zon schijnt door de hoge ramen. De bewakers zijn ook niet al te nadrukkelijk aanwezig. David zit al aan een tafeltje. Hij mag opstaan om mij te begroeten – een omhelzing is toegestaan – maar hij moet wel de vier uur die het bezoek duurt op zijn stoel blijven zitten. Het is voor het eerst dat we elkaar ontmoeten. Af en toe sta ik op om de automaten te inspecteren en aan David verslag te doen. Ik heb het maximum aantal toegestane dollars bij me – twintig één-dollarbiljetten in een zip_lockzakje – voor de automaten. Als David zijn keuze heeft gemaakt, haal ik het eten uit de automaat, warm het op in de magnetron en breng het naar ons tafeltje. Hij verslindt een hamburger, een kip burrito en andere snacks alsof het haute cuisine is.

‘Warehoused and forgotten’

Rivers Correctional Institution is een geprivatiseerde gevangenis, eigendom van de GEO Group, dat toen het in 2001 werd gebouwd nog Wackenhut heette. Het bedrijf heeft een contract met het federale Bureau of Prisons (BOP) om gevangenen uit Washington DC in Rivers te huisvesten. Vanwege de speciale status van het District of Columbia (het is geen deelstaat) vallen gedetineerden uit DC onder de federale dienst justitiële inrichtingen.

Gemiddeld is het aantal gedetineerden in Rivers 1350, maar volgens het jaarverslag van GEO zelf was de gevangenis in de tijd dat David er zat overbevolkt. Opmerkelijk was dat het aantal gevangenen uit Washington DC was gedaald tot vijftig procent van de gedetineerden en dat de rest van de gevangenen bestond uit ‘criminele vreemdelingen’.

Er is weinig bekend over hoe private gevangenissen opereren, daarom is een rapport uit 2014 van de burgerrechtenorganistie ACLU opzienbarend. Voor het eerst werd duidelijk dat geprivatiseerde gevangenissen een cruciale functie vervulden in het opsluiten van buitenlandse gevangenen. Het rapport, getiteld ‘Warehoused and forgotten: immigrants trapped in our shadow private prison system’, documenteerde dertien private gevangenissen die door de BOP gecontracteerd waren als CAR (Criminal Alien Requirement)-gevangenissen. Rivers Correctional Institution in Winton, North Carolina, was een van de dertien correctionele instituten. Dit verklaart waarom David naar een private gevangenis was gestuurd. Het was geen pech, zoals ik veronderstelde, het was een bewuste keuze geweest van de BOP. David was een buitenlander, dus was hij een ‘criminal alien’, en dus werd hij gehuisvest in een private gevangenis waarmee de BOP een contract had.

De groei van de CAR-gevangenissen is een direct gevolg van de toenemende criminalisering van illegale immigratie. Wie bij de grens wordt gepakt en al eerder is gedeporteerd, krijgt nu een federale gevangenisstraf. Wie illegaal in Amerika is en opgepakt wordt, en eerder was veroordeeld – ook al was de veroordeling tientallen jaren geleden – komt terecht in een CAR-gevangenis. Niet iedereen zit daar vanwege immigratie-overtredingen. Een grote groep gevangenen bestaat uit niet-Amerikanen die voor drugsvergrijpen zijn veroordeeld. En een kleine groep (tien procent volgens de laatste cijfers uit 2010) bestaat uit vreemdelingen die veroordeeld zijn voor andere misdrijven.Wat alle CAR-instituten gemeen hebben, behalve dat het geprivatiseerde gevangenissen zijn, is dat gedetineerden na het uitzitten van hun straf gedeporteerd zullen worden naar hun land van herkomst. Dat is de reden waarom de overheid minder geld uitgeeft aan deze gevangenen. Want waarom zou je onderwijs of programma’s voor alcohol- en drugsverslaving aanbieden aan mensen die toch het land uit worden gezet?

Foto: Annaleen Lauwes
Opstand

De ACLU noemt de vijfentwintigduizend buitenlandse gevangenen ‘tweedeklas-gedetineerden’ die ‘verstrikt zitten op het kruispunt van drie verontrustende trends: de overbevolkingscrisis in de gevangenissen, de privatisering van het gevangeniswezen en de criminalisering van immigranten’. De ACLU concludeert: ‘Ons onderzoek bewijst dat de mannen in deze geprivatiseerde gevangenissen zijn blootgesteld aan schokkende mishandeling en verwaarlozing en dat de BOP hen discrimineert omdat ze uitgesloten worden van rehabilitatieprogramma’s en belemmerd worden in hun contacten met familieleden.’

Winstbejag ligt ten grondslag aan elk facet van het leven in CAR-gevangenissen. De medische zorg is beneden de norm. Er is nauwelijks werk, er zijn geen educatieve of rehabilitatieprogramma’s. In CAR-gevangenissen hebben gevangenen geen toegang tot CorrLinks, het federale e-mailsysteem voor gedetineerden. De gevangenen betalen meer voor telefonie en het voedsel is slechter. Het is een BOP-regel dat federale gedetineerden geplaatst moeten worden in een gevangenis die niet meer dan vijfhonderd mijl van hun directe familie ligt. Maar in de CAR-gevangenissen zijn gedetineerden vaak duizenden kilometers verwijderd van hun familieleden, die overigens meestal wel Amerikaans staatsburger zijn (de kinderen van illegale immigranten die in Amerika zijn geboren zijn automatisch Amerikaans staatsburger).
Overvol, met duizenden mannen die niets te doen hebben, nauwelijks bezoek van familieleden krijgen en die gerechtvaardigde klachten hebben over het eten en de medische zorg, kunnen deze gevangenissen elk moment ontploffen. En dat gebeurt dan ook. De meest recente opstand vond plaats in 2015 in Raymondville, Texas, waar 2800 niet-Amerikanen in enorme Kevlar-tenten waren ondergebracht. De opstand in ‘Ritmo’ zoals dit complex van tenten spottend werd genoemd, begon met een protest tegen de gebrekkige medische zorg en escaleerde toen de bewakers traangas en rubberkogels gebruikten. Het duurde twee dagen voor de autoriteiten de gevangenis weer onder controle hadden. Sindsdien is de gevangenis gesloten.

Bernie Sanders

De private gevangenisindustrie is een recent fenomeen in Amerika. Tot 1980 bestonden dergelijke gevangenissen niet. De industrie is het resultaat van twee samenvallende ontwikkelingen: een ‘tough on crime’-beleid dat resulteerde in massale opsluiting, en een overheidsbeleid gericht op de privatisering van overheidsdiensten. Daaruit ontstond vervolgens een geprivatiseerde strafindustrie, die gedomineerd wordt door twee bedrijven, GEO en CCA, die samen 3,3 miljard dollar per jaar omzetten. In twintig jaar (van 1990 tot 2009) is het aantal gedetineerden in geprivatiseerde gevangenissen met 1600 procent gestegen.

De gevangenisindustrie is gevoelig voor veranderingen in het politieke klimaat die nadelig zijn voor de industrie. GEO schreef in het rapport ‘Risk Related to our Business and Industry’ voor de Securities and Exchange Commission, de Amerikaanse beurstoezichthouder: ‘Onze groei als bedrijf is afhankelijk van nieuwe contracten. Veranderingen in beleid, zoals de decriminalisering van drugs, kunnen invloed hebben op het aantal personen dat wordt gearresteerd, veroordeeld en opgesloten, daardoor kan potentieel de vraag naar penitentiaire instellingen afnemen.’

Een industrie die zo afhankelijk is van overheidscontracten is natuurlijk actief in de politiek. Ze investeert miljoenen in het lobbyen bij volksvertegenwoordigers, zowel in de deelstaten als in Washington, en doneert aan politieke campagnes.

Kunnen geprivatiseerde gevangenissen verboden worden? Senator Bernie Sanders doet een poging. Samen met collega’s in het Huis van Afgevaardigden diende hij een wetsvoorstel in met de pakkende titel ‘Justice is Not for Sale’. ‘We kunnen het strafbeleid niet hervormen zolang we toestaan dat bedrijven winst maken met het massale opsluiten van mensen,’ zei Sanders. ‘Het opsluiten van mensen kan niet langer een acceptabel businessmodel zijn in Amerika. Er moet een eind komen aan de “private prison racket”.’

Toch zijn dit soort initiatieven nog maar een begin. De ‘industrie’ uit het ‘prison-industrial complex’ te halen zal een lang proces worden – als het ooit gebeurt. Tot die tijd zitten vreemdelingen zoals David Schrooten jaren achter de tralies als ‘second class’-gevangenen.

Aan het eind van mijn bezoek mogen David en ik even ‘luchten’ op een klein omheind terras naast de bezoekruimte. We kijken toe hoe een paar geliefden foto’s laten maken en vinden het eigenlijk jammer dat we er zelf niet aan hebben gedacht om ook een fotosessie te regelen. Met onze ruggen tegen het hek genieten we van de zon tot een bewaker ons beveelt om bij het hek weg te gaan. De kortstondige illusie van een normale dag is ruw verstoord.

Dit is een bewerkte voorpublicatie van deel 3 uit ‘Alias Fortezza. De Amerikaanse jacht op een jonge Nederlandse hacker’ door David Schrooten en Freke Vuijst, dat deze week verschijnt bij Balans, 336 p., € 17,95

In het boek Alias Fortezza vertelt de jonge hacker David Schrooten (1990), zijn eigen verhaal, dat begint met zijn arrestatie in Roemenië op verzoek van de Amerikaanse Secret Service, die in hem een grote cybercrimineel ziet. In de VS wordt hij tot twaalf jaar cel veroordeeld. Hij blikt terug op zijn jeugdige obsessie met computers, en hoe hij uiteindelijk terechtkwam in de duistere hackerswereld, wat zijn ondergang werd. Zijn persoonlijke verhaal wordt aangevuld met onderzoek naar de Amerikaanse jacht op cybercriminelen, het strafrechtsysteem en het ‘prison industrial complex’ door Amerika-correspondent Freke Vuijst, die tijdens Davids detentie nauw contact met hem onderhield. Uiteindelijk werd zijn straf omgezet naar drie jaar en zes maanden, waarvan negen voorwaardelijk.

David, inmiddels weer thuis: ‘Als we de zwaarbeveiligde ingang binnenrijden, denk ik: dit zie ik pas weer als ik word vrijgelaten. Ik hoop dat dat is voor ik 33 ben,’ schrijft hij in zijn boek.