Elf jaar geleden schreef Gideon Rachman, duider van de internationale politiek, in de Financial Times dat Nederland was toegetreden tot de ‘Anglosfeer’, de heilige alliantie van Engelssprekende landen. De Anglosfeer is het enige blok van landen waar je werkelijk op kunt rekenen als het gaat om de verdediging van politieke en economische vrijheid. Vergeet de Navo, reken niet op de Europese Unie, en denk vooral niet dat de Verenigde Naties je te hulp schieten als je land onder vuur ligt. Dat zijn schijnbondgenootschappen of toneelverenigingen, je wint er de oorlog niet mee. Zo ongeveer begon ik ook een column in juni 2006.
Meestal wordt bij de Anglosfeer gedacht aan de VS, Australië, Canada en Nieuw-Zeeland en natuurlijk aan het Verenigd Koninkrijk, vanwege de Engelstaligheid. En soms ook aan ex-koloniën zoals India, Kenia, Pakistan of een paar Caribische eilanden die vroeger vanuit London bestuurd werden.
De Anglosfeer is niet zomaar een romantisch verzinsel. Taal en geschiedenis verbinden. De leden delen de geheimste inlichtingen met elkaar. Het sleutelwoord is trust, vertrouwen. Als niet-Engelstalig land kun je lid worden, maar nooit voor honderd procent.
Wat wel helpt is als er ook gecricket wordt in je land.
Beter Engels spreken dan de Engelsen
Kijk naar Afghanistan, schreef Rachman in 2007. De Nederlandse militairen gingen daar samen met Australische kameraden naar Uruzgan. De Nederlanders sloten een deal met de inlichtingendiensten van de Anglosfeer (de ‘Five Eyes’), en met de Pakistaanse – en nogal beruchte geheime dienst – ISI. Daarmee verwierven ze het lidmaatschap van het genootschap, op zijn minst voor even.
Rachman: ‘De aanwezigheid van de Nederlanders zou vreemd kunnen zijn voor degenen die de Afghanistan-campagne als een zaak van de Anglosfeer zien. Maar dat is een misverstand. Want de Nederlanders lijken zich bij de Anglo’s te hebben aangesloten. Ze spreken over het algemeen beter Engels dan de Engelsen zelf, ze stemden tegen de Europese grondwet en – dat geeft de doorslag – ze zijn het enige land dat geen voormalige Britse kolonie is en deze maand meedoet aan het wereldkampioenschap cricket.’
De Amerikanen kunnen aardig honkballen, maar van cricketen hebben ze totaal geen verstand.
Deze feiten klopten niet helemaal, want de suggestie dat in de VS serieus wordt gecricket is zeker niet juist. De Amerikanen kunnen aardig honkballen, maar van cricketen hebben ze totaal geen verstand.
Een strohalm
Nu zijn we elf jaar verder en kun je de vraag stellen of de door-dik-en-dun-alliantie van de Anglosfeer nog bestaat. Ik hoef alleen maar de naam ‘Trump’ te noemen om twijfel op te roepen. Of aan het woord ‘Brexit’ te herinneren, dat de Britten misschien nog de illusie gaf dat handelsverdragen met de VS, Australië of India klaar zouden liggen om getekend te worden zodra de EU-markt wordt verlaten. Een glorieuze vergissing, kun je gerust vaststellen.
Toch is er vorige week een strohalm bij gekomen.
Het is zo goed als zeker dat Pakistan een cricketheld als nieuwe premier krijgt: Imran Khan. Het is op zich al vermeldenswaardig dat het land voor het eerst in zijn geschiedenis een premier de volledige termijn (vijf jaar) heet uitgezeten en de regeringsleider door middel van democratische verkiezingen een opvolger krijgt. Meestal is een militaire coup of paleisrevolutie de oorzaak van een Pakistaanse regeringswisseling, dus tot zover goed nieuws.
Pakistan scoort slecht op de Fragiliteitsindex (het land staat op de twintigste plaats, dat wil zeggen dat 158 landen het beter doen) van het Fund for Peace. Met 43 van de 100 te behalen punten doet het land het ook beroerd op de vrijheidsindex van Freedom House, en het grootste probleem is misschien wel de ingebakken corruptie. Kortom, een land waar Stef Blok weinig in zou zien.
Er is ook het nodige op te merken over de verkiezingen, de campagne en kansen voor Imran Khan, maar in de meeste commentaren is toch de conclusie dat het ‘naar Pakistaanse maatstaven’ redelijk is gegaan en dat de volksheld, die al meer dan twintig jaar in de coulissen op zijn kans zat te wachten, het nu maar eens moet laten zien. Wat betreft het verwijt dat Khan stiekem in het zadel geholpen zou zijn door de machtige steun van generaals: die steun is zo endemisch dat we de vraag helaas bijna moeten omkeren: kan het in een land als Pakistan wel anders?
Marco van Basten in het Catshuis
De keuze voor Imran Khan is ongeveer te vergelijken met die van Marco van Basten of Sven Kramer als volgende bewoner van het Catshuis. In Pakistan (een voormalige kolonie van Groot-Brittannië) is cricket ongeveer wat voetbal en schaatsen in Nederland zijn.
Khan was ongenaakbaar als bowler, batsman en nachtclubbezoeker. Hij is door en door Oxford-educated, womanizer, te-hardrijder op van Sussex-landweggetjes, maar tegenwoordig ook anti-feminist, Rushdie-criticus en Talibanversteher. Kortom: een lastig te peilen politicus.
Wat hij wil bereiken, zal energiek en vlug moeten gebeuren, want de honeymoon is gauw voorbij en het geduld van het Pakistaanse leger is snel op. Khan is voor toenadering tot aartsvijand India, maar zijn land is straatarm en voor investeringen volledig afhankelijk van China. Hij heeft spectaculaire beleidsplannen, maar die zullen direct wegsmelten zodra hij bij het IMF zal moeten bedelen om geld.
Hij heeft beloofd een einde te maken aan de corruptie in zijn land, maar het is bijna ondenkbaar in Pakistan iets te bereiken zonder duizenden politieke afkoopsommen aan lokale stamleiders en familieclans. Khan heeft zware kritiek op Donald Trump, die extra troepen naar Afghanistan heeft gestuurd om af te rekenen met de Taliban, en zit niet wachten op een telefoontje uit Washington met het verzoek om Trump daarbij te helpen door de grens af te sluiten.
Analisten geven hem, kortom, weinig kans.
Ik ook, maar ik moet bekennen dat ik een vleugje krediet geef voor de cricket-inborst van Imran Khan. Ik kan het weten, want een halve eeuw geleden speelde ik dat ingewikkelde spel ook. Ik bakte er weinig van, maar reisde zelfs een keer naar het deftige Lord’s Cricket Ground in London om een vijfdaagse testmatch tussen Engeland en West-Indië bij te wonen. Ik weet dat de heren samen lunchen, thee drinken, zelfs voor elkaar invallen als er iemand geblesseerd raakt en voor elkaar applaudisseren als er iets te applaudisseren valt. Als een cricketer ‘it’s just not cricket’ zegt, heeft dat een volstrekt andere betekenis dan ‘it’s just not fair’ uit de mond van Donald Trump.
Op 16 juni 2019 speelt Pakistan tegen India op het volgende wereldkampioenschap op Old Trafford, de heilige cricketgrond van Engeland. Het zou mooi zijn als er daar een kopje thee kan worden gedronken door Imran Khan, zijn Indiase rivaal Narendra Modi, en vooruit, de Afghaanse president Ashraf Ghani. Dan geloof ik pas dat die Anglosfeer iets voorstelt.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.