Op de achtergrond van de Amerikanen die het presidentschap van Donald Trump door dik en dun steunen, bevindt zich iemand van wie de boeken zoveel gelezen worden dat ze de Bijbel concurrentie aan doen. De ideeën die Ayn Rand via haar romans The Fountainhead (De eeuwige bron) en Atlas Shrugged verkondigde, hebben ‘America First’-Amerikanen vanaf het begin van de jaren vijftig van de vorige eeuw diepgaand beïnvloed, en dat doen ze nog steeds.

Ze onderschrijven de ‘selfishness’ die Rand propageerde, het extreme egoïsme dat schoon schip (‘swipe aside’) maakte met de restanten aan solidariteit voor de ‘parasieten’ die alleen maar uit de subsidieruif aten. Rand dacht ook keihard ‘objectief’, rationalistisch en in zwart-wit, want dat zou de ‘aard van het leven’ zijn. Verschillende ministers en trouwe medewerkers in Trumps regering zijn gezworen aanhangers van Rand. Zelf zei Trump over The Fountainhead: ‘it relates to business, beauty, life and inner emotions. That book relates to… everything.’

Verschillende ministers en trouwe medewerkers in Trumps regering zijn gezworen aanhangers van Rand.

De wereld van Trumps presidentschap draait om doctrines en overtuigingen die voortspruiten uit de gedachtenwereld van Rand, zoals te vinden in haar boek The Virtue of Selfishness en in de grote ideologische toespraak van John Galt in Atlas Shrugged. Het is de wereld van de zelfpromotie, zelfvergroting, eigenliefde en zelfverrijking. Zoals Galt zegt: ‘de mens is een doel in zichzelf, bestaat alleen voor zichzelf en het realiseren van zijn eigen geluk is zijn hoogste morele doel.’

Self-esteem’, zelfachting, maar nog beter te vertalen als eigendunk, werd in de voetsporen van Ayn Rand gezien als voorwaarde voor het bereiken van wat dan ook. Het werd een psychologische en therapeutische hype. Je ging er breedgeschouderd in, of je ging er niet in. Dat het door een Rand-aanhanger geschreven rapport Toward a State of Esteem gebaseerd was op gemanipuleerd onderzoek paste in het patroon: zelfbedrog.

Als het niet na een langdurig onderzoek was ontmaskerd, zou self-esteem bijna van staatswege op scholen zijn ingevoerd als een ‘sociaal vaccin’ ter bevordering van de zelfachting. Zelfs Oprah Winfrey stond erachter. Het paste goed in de Amerikaanse mythologie.

Volgens Jordan Peterson moet er weer in hiërarchieën worden gedacht en moet de man weer de dominante soort zijn.

Ook al is het kunstmatig opkrikken van de eigendunk een farce (zoiets als mentale bodybuilding), het gaat onverminderd door gezien het succes van Donald Trump en zijn wereld. Het heeft ondertussen gezelschap gekregen van andere stromingen op het gebied van zelfvertrouwen, zelfrespect, zelfwaardering en zelfmarketing.

Van de variant afkomstig van de Canadese psycholoog Jordan Peterson moet de man zijn zelfrespect terugkrijgen, hem afgenomen door de feminisering. Er moet weer in hiërarchieën worden gedacht en de man moet weer de dominante soort zijn. Mannen moeten hun rug weer strekken en zichzelf toesnauwen geen bange wezels meer te zijn (‘Toughen up, You Weasel!’).

‘Verbinding’ maken

Tegenover Peterson en de Trumpiaanse rücksichtslose zelfpromotie bevindt zich tegenwoordig prominent de school van het tegendeel: de kwetsbaarheid. ‘Je kwetsbaar opstellen’ wordt daarin beschouwd als een morele kwaliteit die breekt met de geharnaste masculiene houding, die in zijn vriendelijke gedaante ‘cool’ heet, in zijn harde variant gewoon kil en arrogant. Meer in zijn algemeenheid staat kwetsbaarheid tegenover ‘de eeuwenlange masculiene norm’.

Deze norm veronderstelt de aanwezigheid van een scala aan negatieve eigenschappen. Hij staat voor de prestatiemaatschappij, voor superioriteit, voor gebrek aan empathie. Kwetsbaarheid staat voor de zachte kanten, het vloeiende, poreuze en het niet-harde. Dat kan makkelijk afglijden naar passiviteit, camp en kitsch, zeker wanneer alles wordt omgedraaid en van kwetsbaarheid ‘een kracht’ wordt gemaakt, zoals in Brené Browns boek The Power of Vulnerability. Om je kwetsbaarheid te tonen, mag er van Brown lustig over mislukkingen worden gesproken. Andere gevleugelde woorden uit het boek zijn: wil je gelukkig worden, hou dan op perfect te willen zijn. Wat je weet, doet ertoe, maar meer nog wie je bent. ‘Verbinding’ maken, daarvoor zijn we op aarde, dat geeft zin en betekenis aan het leven.

Niet de minste kwaliteit van kwetsbaarheid zou zijn dat het voor authenticiteit zorgt: wie zich ‘kwetsbaar opstelt’ doet zijn masker af, wil zo echt mogelijk zijn, houdt zichzelf niet achter, hoeft niet perfect te zijn. Perfectionisme was juist een impliciete eis in de ideologie van Ayn Rand en de aanhangers van de self-esteem. Die worden daar in hun neoliberale wereld genadeloos op afgerekend.

In het recente, helemaal aan kwetsbaarheid gewijde nummer van het leesbare Vlaamse tijdschrift Rekto:Verso worden de verdiensten van kwetsbaarheid door Birsen Taspinar hoog opgevoerd wanneer zij claimt dat kwetsbaarheid ‘de kern is van wat ons allemaal verbindt’. Zoals Taspinar het beschrijft, moet je altijd je kwetsbaarheid tonen, zelfs op momenten dat dat niet zo handig is, zoals wanneer er moed en doorzettingsvermogen van je wordt verwacht, of onverschrokkenheid, of een gezicht dat niets laat merken. Dus ook op momenten dat stoïcijnse zelfbeheersing beter is.

Kwetsbaarheid mag volgens Taspinar ‘een vorm van sociale intelligentie’ zijn, maar dat is het niet op elk moment van de dag. Wanneer iemand niet meteen zijn kwetsbaarheid toont, loopt hij bij Taspinar de kans van ‘opgesloten kwetsbaarheid’ te worden beticht, kwetsbaarheid die zich verbergt.

Kwetsbaarheid kan makkelijk op een oneigenlijke manier worden gebruikt. Daar wijst Peter Venmans op in Rekto:Verso aan de hand van de Bekentenissen van Jean-Jacques Rousseau. Met een zekere wellust weidt Rousseau uit over zijn kleine zonden, fouten, gebreken en misstappen. Het tonen van kwetsbaarheid is hier een listig retorisch middel: door je zelf binnenstebuiten te keren, bevredig je de nieuwsgierigheid van de lezer naar pekel- en andere zonden. En maak je jezelf, door zelf met je zonden op de proppen te komen, onkwetsbaar voor kritiek. Zo ontstaat de paradox van de inauthentieke authenticiteit.

Gradaties van autonomie

De zelfpromotie, zelfachting of eigendunk in de populistische wereld van Ayn Rand en Donald Trump, de dominante masculiniteit van Jordan Peterson en de kracht van de kwetsbaarheid van Brené Brown zijn existentiële houdingen die de proporties uit het oog verliezen: ze zijn allemaal extreem, obsessioneel of hysterisch. Dat is afwezig bij een instelling die wél rekening houdt met de proporties: de menselijke autonomie. Ook al wordt er bijna dagelijks een aanslag op gedaan, de menselijke autonomie is een vorm van zelfstandigheid en openheid die tamelijk vrij is van zelfmarketing en exhibitionistische kwetsbaarheid.

De verleidelijke sociale media waar je gratis lid van kunt worden, zijn echt sociale media die mensen ontegenzeglijk verbinden.

Er worden voortdurend pogingen gedaan de autonome mens van zijn onafhankelijkheid te ontdoen. De verleidelijke sociale media waar je gratis lid van kunt worden, zijn echt sociale media die mensen ontegenzeglijk verbinden. Maar tegelijk worden de leden ingepakt en gebruikt voor het opzetten van algoritmen die hun gaan vertellen hoe ze moeten leven. Algoritmen kennen je op den duur beter dan je jezelf kent. Heb je een website een tijdje niet bezocht? Dan komt er een familiair algoritmisch berichtje met de vraag waar je was. In één moeite wordt de mens verwend met totale openheid én in de maling genomen.

Tegen de van teleurstelling kromlopende gedachte dat alles en iedereen probeert de menselijke autonomie om zeep te helpen, is de autonomie die Beate Rössler in haar boek Autonomie. Een essay over het vervulde leven verdedigt een oase van redelijkheid en potentie. Hier geen hysterisch egoïsme, geen mannelijkheid die wel voor orde zal zorgen, geen kitscherige kwetsbaarheid. Rössler maakt van de autonome mens geen in zichzelf opgesloten autarkisch wezen dat zich van de gemeenschap afkeert. Bij Rössler is hij ingebed in een sociale en politieke samenleving die autonomie mogelijk maakt.

De naar autonomie strevende mens is geen volkomen rationele, solipsistisch handelende persoon die volledig transparant is voor zichzelf, maar iemand die zich moet inspannen om zijn leven zelf te bepalen. Er zijn gradaties van autonomie: de een kan op bepaalde gebieden van het leven meer autonomie aan dan de ander.

Autonomie betekent ook niet volmaaktheid, zonder tegenstrijdigheden of ambivalenties. Zeker niet: het is juist door onafgebroken omgang met spanningen, tegenstrijdigheden, paradoxen en ambivalenties dat autonomie ontstaat. Als een persoonlijke verworvenheid.