Gekleed in het uniform van de links-liberale politicus – een licht overhemd met opgestroopte mouwen – spreekt oppositieleider Gergely Karácsony een demonstrerende menigte in Boedapest toe. ‘Dag lieve vrienden,’ zegt hij tegen zijn publiek. ‘Wij hebben een droom. Een droom van een vrij Hongarije en een vrije hoofdstad. En we hoeven niet bang te zijn, lieve vrienden.’

Het is een frisse vrijdagmiddag in september. Met vlaggen van oppositiepartijen, Hongarije en de Europese Unie wordt in een smal zijstraatje gedemonstreerd tegen de regering van Orbán en geluisterd naar de toespraak van Karácsony. Op zondag 13 oktober zullen verkiezingen uitwijzen of hij burgemeester van Boedapest wordt.

De 44-jarige politicoloog Gergely Karácsony is dé burgemeesterskandidaat van de oppositie in Boedapest. De verschillende oppositiepartijen, van links tot rechts, beseften dat ze individueel geen kans maakten tegen de almacht van Fidesz, de partij van de extreemrechtse premier Orbán. Samen besloten ze voor het eerst één kandidaat naar voren te schuiven.

Geen alternatief voor Fidesz

In Boedapest is de grandeur van het Oostenrijks-Hongaarse keizerrijk nog voelbaar: van het neogotische parlementsgebouw, de neoklassieke architectuur tot de brede negentiende eeuwse promenades.

Hier, in de linkse hoofdstad maakt de oppositie een goede kans. Maar door het hele land zijn duizenden verkiezingen om burgemeesters en gemeenteraden te kiezen. En de kloof tussen stad en platteland is groot: in kleine dorpen ís er vrijwel geen oppositie en is de macht van Fidesz onbetwistbaar.

In het dorpje Tapiobiscke heeft de nationalistische ex-special forces-agent Robért Herczegh zich opgeworpen als kandidaat tegen de Fidesz-burgemeester. ‘Maar in de meeste dorpen is er geen alternatief voor Fidesz,’ zegt hij.

Er kan zich zondag een Istanboel-scenario voltrekken: de linkse stad als liberaal-democratisch baken in een steeds autoritairder wordend land.

In de steden wel, voor het eerst sinds 2006, dankzij het pact van de oppositie. ‘Dit zijn de belangrijkste verkiezingen in dertien jaar,’ zegt de links-liberale Karácsony boven een bord spaghetti bolognese in de kantine van een theater in Boeda – het rijke gedeelte van de stad, westelijk van de Donau – vlak bij zijn partijkantoor.

Is hij de man die Fidesz kan onttronen in het linkse Boedapest? Er kan zich zondag een Istanboel-scenario voltrekken: de linkse stad als liberaal-democratisch baken in een steeds autoritairder wordend land. De overwinning zal erom spannen: Karácsony en de huidige burgemeester zijn volgens de meest recente peilingen in een nek-aan-nekrace verwikkeld.

Die overwinning is van levensbelang, vindt hij samen met een groot deel van de Boedapesters. De jonge Hongaarse democratie, die ontstond in 1990 na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, wordt stapje voor stapje afgebroken door Fidesz. ‘Dit land is op weg een dictatuur te worden,’ zegt Karácsony, ‘en dat moet voorkomen worden.’

Tussen dictatuur en democratie

Een paar dagen eerder is een lokale oppositiepoliticus gearresteerd. Nog geen vierentwintig uur nadat een wazige foto verscheen waarop hij een formulier in zijn handen had dat zou impliceren dat hij illegaal omgaat met de privacy van kiezer, viel de politie zijn partijkantoor binnen. ‘Een nieuwe stap in autocratische richting,’ zegt politicoloog en verkiezingsexpert Róbert László, van onderzoeksinstituut Political Capital. ‘Als dat tenminste nog iets zegt, na tien jaar Orbán.’ 

‘Je kunt de vormen van democratische instituties nog zien, maar de machtsstructuren erachter zorgen ervoor dat het systeem geen democratie meer is.’

‘Hongarije is geen democratie meer,’ zegt burgemeesterskandidaat Karácsony. ‘Het is een hybride vorm tussen dictatuur en democratie. Je kunt de vormen van democratische instituties nog zien, maar de machtsstructuren erachter zorgen ervoor dat het systeem geen democratie meer is.’

In het rapport van GroenLinks-Europarlementariër Judith Sargentini werd feilloos blootgelegd hoe de Hongaarse rechtsstaat afglijdt onder het beleid van Fidesz. De mensenrechten zijn in erbarmelijke staat, corruptie is alomtegenwoordig, ‘linkse’ universiteiten worden gesloten en de persvrijheid wordt gesloopt.

‘En hoewel Fidesz altijd een minderheid van de stemmen haalt,’ zegt politicoloog László, ‘heeft de partij door de verandering van de kieswet in 2010 een keizerrijk gebouwd waarin met verpletterende meerderheid wordt geregeerd.’

Geen plan B

Maar met de vereniging van de oppositie is er nu dus een sprankje democratische hoop ontstaan: Karácsony (wiens achternaam ‘Kerstmis’ betekent in het Hongaars) zou de verkiezingen in Boedapest kunnen winnen. ‘Wij vechten nu voor democratie,’ zegt de burgemeesterskandidaat. ‘Deze verkiezingen zijn cruciaal: als we kunnen laten zien dat een burgemeester van de oppositie succes kan hebben, maken we ook een grotere kans om de volgende verkiezingen te winnen.’

En als hij niet wint? ‘Dat mag niet gebeuren,’ zegt hij. ‘Wij zijn in de meerderheid. Er is geen plan B.’

Of er een grote druk op hem staat? ‘Nah,’ zegt Karácsony ironisch en hij lacht hard. ‘Ik geniet ervan, het is echt de eerste keer dat we een kans maken. Natuurlijk, de leugens en lastercampagnes van Fidesz zijn niet makkelijk om mee te dealen, maar het is het waard.’

Op propagandaposters van Fidesz staan de drie oppositiekandidaten naast elkaar met de tekst: ‘Laat Boedapest geen circus worden.’

Lees ookHoe filantroop George Soros de lievelingsvijand werd van dictators en trollen9 december 2018

Door de hele stad hangen propagandaposters tegen Karácsony, op plekken waar eerder miljardair en filantroop George Soros werd zwartgemaakt. Op de posters staat hij naast twee andere kandidaten: Robert Puzsér, een intellectueel en provocateur die bekend is van televisie, en Krisztián Berki, een kale man met grote spierballen die bekend is van reality-tv omdat hij zijn scrotum heeft ‘gestreken’. Wat dat precies inhoudt is onduidelijk.

Berki is een ‘achterlijke klootzak’ en een ‘marionet’ van Fidesz, zegt politicoloog László, en Puzsér is een ‘useful idiot’. Beiden maken geen enkele kans om de verkiezingen te winnen, maar worden door Fidesz gebruikt om Karácsony als niet-serieuze kandidaat af te schilderen: op de propagandaposters staan de drie naast elkaar met de tekst: ‘Laat Boedapest geen circus worden.’

‘Er klopt niets van die poster,’ lacht Karácsony. ‘Ik heb helemaal geen overhemd in die kleur!’

Bokshandschoenen

In de kranten, die fungeren als propagandakanalen voor de overheid, wordt ook veelvuldig gesproken van corruptie waar Karácsony mee te maken had als burgemeester van een district van de stad. Hij wordt niet als direct corrupt gezien, maar eerder als ‘incapabel’ om met de corruptie in de stad om te gaan, omdat hem dat in zijn eigen district al niet lukte.

‘Het zijn allemaal schandalen waar Fidesz voor verantwoordelijk is,’ zegt Karácsony. ‘Ik had er zelf niets mee te maken, maar ze willen me ermee zwartmaken.’

Maar er is ook kritiek van de kant van de oppositie. Karácsony was burgemeester in het district en had zich met een tegenstem kunnen verzetten tegen de corruptie, maar koos ervoor om zich afzijdig te houden van stemming. ‘Dat is geen stem vóór,’ verweert hij zich.

Andere kritiek uit eigen kamp gaat vooral over het gebrekkige leiderschap van de burgemeesterskandidaat: Karácsony zou geen ‘sterke leider’ zijn en niet degene die de bokshandschoenen aantrekt om het gevecht met Fidesz aan te gaan. ‘Ik ben de kandidaat die de voorverkiezingen heeft gewonnen,’ zegt Karácsony. ‘Dus de kiezers zien het kennelijk anders. Bovendien: deze mensen verwarren politiek leiderschap met het autoritaire gedrag van een “sterke man”. Ik wil geen “sterke man” zijn, ik wil deze stad goed besturen. In een land als Nederland zou ik deze kritiek niet krijgen.’

‘Hongaren is geleerd dat ze beter een sterke leider kunnen hebben die hen vertelt wat ze moeten doen.’

Daar zit precies de pijn: Hongarije is geen Nederland. ‘In Nederland hebben jullie een democratie sinds de negentiende eeuw,’ zegt László. ‘Wij hebben dat nog geen dertig jaar. Dat is essentieel om het succes van Orbán te begrijpen. De liberale elite wilde na de val van de Sovjet-Unie een democratie, maar heeft het volk nooit uitgelegd waarom dat beter is dan een dictatuur. Veel mensen zijn erop achteruitgegaan na het communisme. Hongaren is geleerd dat ze beter een sterke leider kunnen hebben die hen vertelt wat ze moeten doen.’

In de grote steden is er onder de goed opgeleide bevolking wel democratisch bewustzijn, legt László uit, maar in de rest van het land geeft men niet zoveel om de democratie. Wie de stad verlaat, en de negentiende-eeuwse grandeur plaats ziet maken voor grauwe Sovjet-flats en daarna boerderijen, ziet wat László bedoelt. ‘Hier bestaat niet eens een oppositie.’

De pro-Fidesz-propaganda is overal te zien, en in de kleine dorpen en steden bestaat er niet eens een oppositie, zegt László. Fidesz heeft de subsidies voor politieke partijen zo gekort, dat ze het zich niet kunnen veroorloven. ‘Ze hebben simpelweg niet het netwerk, niet de mensen, niet de activisten en natuurlijk hebben ze geen geld.’ 

Vriendjespolitiek

In het dorpje Tápióbicske, op een uur rijden van Boedapest, wonen vijfendertighonderd mensen. Het is een onopvallend plaatsje, bestaand uit een tiental straten. Uitgerekend hier is een zeldzaam voorbeeld van plattelandsoppositie opgestaan. ‘Ik ben absoluut een nationalist,’ zegt de 45-jarige burgemeesterskandidaat Róbert Herczegh, en hij klopt op zijn hart. Hij heeft een grote tatoeage op zijn bovenarm en zat bij de special forces van de Hongaarse politie. ‘Ik ben tegen Fidesz vanwege hun vriendjespolitiek. Als je hier in het dorp een vriend bent van de burgemeester, krijg je een baantje. Fidesz is corrupt. Maar het probleem is: de rest is nog veel erger. Er is geen sprake van oppositie. En een democratie? In de meeste dorpen kun je kiezen uit één kandidaat.’

Het hele platteland van Hongarije is in handen van Fidesz, zegt Herczegh. Maar in Tápióbicske is het anders, sinds hij zich heeft aangemeld om een onafhankelijke burgemeester te worden. ‘Ik zie dat de mensen eerlijkere politiek willen. De meeste mensen hebben een hekel aan Fidesz, maar weten niet eens dat er oppositie bestaat.’

Herczegh nodigt me uit op zijn boerderij voor een huisgestookte pálinka, een traditionele Hongaarse fruitbrandewijn. Een toost uitbrengen op de verkiezingen en de Hongaarse democratie, dat wil hij nog niet. ‘Wacht eerst maar tot we weten wie wint,’ zegt hij, en met een knipoog slaat hij het glas achterover.