Feuilleton

Aan alles komt een eind, denkt Betty terwijl ze haar definitief dode bonsaiboompje in de vuilnisemmer kiepert. Plantjes. Baantjes. De zomer. Ze kijkt uit het raam. Het regent. Toeristen in regenponcho’s staan als vogelverschrikkers beneden op het plein. Een vrouw in een King Louie-jurk, lege kinderbakfiets aan de hand, schuilt bij de bloemenkraam. Een eenzame man rookt een sigaret op het terras, droog onder de zonwering, en tuurt peinzend in een krant waarin ongetwijfeld het eind van van alles wordt gesignaleerd: democratie, welvaart, solidariteit, idealen, het mooie weer.

Betty wacht; ze weet alleen niet waarop. Zoals zo vaak heeft ze het vage gevoel dat er straks iets gaat beginnen, het, dat het gaat beginnen. Het leven, alsof dat niet al aan de gang is. Ze zucht; ze zou graag wachten op iets concreets. Als kind wilde ze later trouwen met een cowboy, herinnert ze zich. Niet om gezellig met hem over de prairie te jakkeren, maar om de hele dag lekker alleen te zijn...