Feuilleton
Iemand moet het doen, denkt Betty terwijl ze de ijskast van Jonas en Roos vollaadt. Eten kopen en koken is iets dat zoetjesaan geheel op haar schouders is gaan rusten, al hoort het officieel niet bij haar taak als nanny. Ze sluit de ijskastdeur. De lijst met de huisregels laat los en valt op de vloer. Gut ja, de regels. Ze raapt ’m op. Het papier is een beetje vergeeld.
1. Na schooltijd doen de kinderen een kwartiertje yoga om te aarden.
2. Suiker is gif: wij eten geen snoep.
3. Respecteer de dieren: eet ze niet op.
4. Respecteer elkaar: spreek je uit, voel je veilig.
5. Respecteer elkaars privacy: de yogakamer is voor Roos, de werkkamer voor Jonas, de logeerkamer voor Jo-Ann.
6. Ga niet naar bed voor een ruzie is uitgepraat.
7. Iedereen ruimt z’n eigen yogamatje op.
8. Wij vinden geld niet belangrijk; spullen zijn maar materie, een stofje in het universum.
Onderaan plakken nog een paar gele memopapiertjes met waarschuwingen over valhelmpjes, allergieën en al die veiligheidshekjes in huis. Is het echt nog maar een paar maanden geleden dat ze vol verbazing en ontzag die regels voor het eerst las?
Ze zijn allemaal gebroken.
Nu sluimeren ruzies in loopgraven, geheimen worden angstvallig bewaard, niemand ruimt z’n eigen rotzooi nog op. Betty is in Roos’ kamer binnengedrongen en vond er grote hoeveelheden snoep en geld. Jonas heeft zich al drie weken met Storm teruggetrokken in een testosteronachtig vader-zoononderonsje in een tent in de tuin en gooit grote lappen rood vlees op de barbecue. Roos verdwijnt steeds vaker in haar witte yogakamer of naar afspraken buiten de deur. Niemand is meer geaard, iedereen is losgeslagen. Alleen Vlinder houdt nog vast aan regels, zoals vierjarigen dat graag doen, weet Betty inmiddels; die zijn helemaal niet zo anarchistisch en creatief en onconformistisch als volwassenen ze graag willen zien. Ze zijn aartsconservatief, ze houden van herhaling, hetzelfde verhaaltje voor het slapengaan, papa die niet gek mag doen, een nanny die moet blijven.
Het was een noodgeval, het zou tijdelijk zijn. Jonas zei het lang geleden, maar inmiddels werkt Betty al maanden als kindermeisje voor Storm en Vlinder. Nu en dan treft het haar nog plotseling als merkwaardig: bijna achtenveertigjarige schrijfster van kunstrecensies (niet meer) en culicolumn (nog steeds) van gerenommeerde krant doet het werk van achttienjarige nog-niet-droog-achter-de-oren buitenlandse au pair. Alsof ze niets is opgeschoten in het leven. Alsof ze niet inmiddels zelf kinderen had moeten hebben, en een au pair. Alsof ze niet beters te doen heeft.
Eerst vond ze dat ook niet. De nieuwe, grote verantwoordelijkheid voor twee kwetsbare levende wezens trof haar als uiterst belangrijk, een groot avontuur. Ze was gretig en angstig tegelijk. Ze zou alles met deze kinderen kunnen doen. Ze kon ze buiten een balkon laten bungelen zoals Michael Jackson, in een te heet bad stoppen, onder een auto laten lopen, in de gracht laten donderen, of het ergste: vergeten. Roos’ veiligheidshekjesgekte kon ze ergens wel begrijpen.
Maar langzaamaan is ze minder onhandig geworden, meer vertrouwend en routineus. Ze leest Stoner terwijl Vlinder op haar hoofd probeert te staan, ze schrijft haar culicolumn terwijl ze met één oog Storm in het vizier houdt die iets onduidelijks in de magnetron stopt. Het zorgen voor kinderen wordt gewoner, zoals, stelt ze zich voor, nadat een kind geboren is, een kind dat eerst het centrum van je universum is en daarna steeds meer een dingetje in je leven, iets dat aandacht vraagt naast de boodschappen. Ze merkt dat langzamerhand de aandacht voor de kinderen minder intens, minder exclusief wordt. Een moeder die na de eerste gelukzaligheid steeds meer momenten van verstrooidheid kent, van afkeer zelfs, al zal geen moeder dat ooit toegeven.
Dan is er iets nodig om je weer bij de les te brengen. Een snelkookpanbom van een jongetje van zes. Een stervende vis in het bad. Het gekrijs van Vlinder wier vinger klem zit tussen een van die vele, vele door Roos aangebrachte veiligheidshekjes. Jonas, die het huis in beent, vastberaden één voor één alle hekjes eruit sloopt en er buiten een kampvuur van stookt, tot de buren beginnen te klagen en Betty steeds liever wilde dat ze ergens anders was, ergens ver weg, nergens, met niemand.
Nou ja, met Vlinder, naar wie niemand anders meer omkijkt.
Iemand moet het doen.
Betty en Vlinder trekken zich met pleisters en snoepjes terug in en rond Vlinders kamer, een roze meisjesoase in een huis vol afgesloten kamers met geheimen uit het verleden, volwassenen die oorlog voeren, een labyrint van ondoorgrondelijkheid. Waar je je verstand kunt verliezen, maar ook, als je vier bent en snel vergeet, vrolijk vrijelijk door de gangen kan dwalen, nu alle hekjes en regels zijn verdwenen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.