Feuilleton
Afvallen. Buiten is het min vier graden, gevoelstemperatuur min achttien, heel het land zit aan de stamppot met vette worst, maar van Theo moet haar kookrubriek over diëten gaan. ‘Mager hoeft niet smakeloos te zijn. Gezonde desserts zijn fris en licht en… heel lekker,’ tikt ze. Tussen de zinnen door neemt ze kleine hapjes chocoladeparfait – een restje van de Kerst, toen haar diner-voor-twaalf onverhoopt een slordig-hapje-voor-twee was geworden; ze kan nog tot Pasen voort. Buiten op haar dakterras buitelen koolmeesjes in haar enige, naamloze struik. Moet ik die niet tellen, voor de vogeltelling? Hoe doe je dat eigenlijk? Hoe weet je of je dezelfde vogel niet dubbel telt? Of dat je buurvrouw niet precies dezelfde vogels telt? In een vlaag van zorgzaamheid heeft ze gisteren twee vetbolletjes in de stakerige takken gehangen. Ze had zich na de aankoop ervan in de supermarkt zo genereus gevoeld jegens de wereld in het algemeen dat ze de supermarktdakloze naast de twee euro voor de daklozenkrant ook een kop koffie was komen brengen (zonder melk, hij was allergisch voor melk, zei hij, en waarom was ze toen toch kriegel geworden, alsof een dakloze te kieskeurig was als hij allergisch voor melk was, alsof allergie een luxe is, alsof het niet extra lastig is als je moet leven van wat je wordt aangeboden en je bent allergisch voor melk – dit was eigenlijk een extra zielige dakloze, een allergische dakloze, nu ze er zo over nadenkt).
‘Citroen maakt alles lekker, en je komt er geen gram van aan,’ schrijft ze en neemt nog een hap chocoladeparfait.
Zo. Is Theo ook weer blij. Ze wordt ook meteen kriegel als ze aan Theo denkt, met z’n zelfingenomen ‘ik-schrijf-voortaan-de-kunststukken-wel-zelf-en-verder-doe-je-wat-ik-zeg-schatje’. Maar ze wil helemaal niet kriegel zijn, ze wil zich een goed mens voelen, zorgend en gul. Niet zo zuur als die Cilia van vorige week, hoewel die alle reden had, natuurlijk. Ik ben een goed mens. Een goed mens, luidt haar nieuwe mantra. Negativiteit is tijdverspilling. Ik moet geven, want als je geeft, krijg je ook weer veel terug, stond in de ‘Flow’. Of de ‘Happinez’. Of allebei. Kijk nou toch wat leuk, die vogeltjes, zomaar voor twee vetbolletjes.
Buiten huilt de wind om het huis, de koolmeesjes worden bijna van hun pootjes geblazen. Of zijn het pimpelmeesjes? Wat is het verschil? Zie je wel, ik moet helemaal geen vogels tellen.
Wel zou ze, denkt ze met schrik, haar moeder eens moeten bellen. Het arme mens is slecht ter been, vorig jaar heeft Betty nog grote voedselvoorraden voor haar ingeslagen toen het sneeuwde en vroor, en nu? Wat is ze toch een slechte dochter.
‘Mam, met mij. Ik dacht… ik heb al zo lang niks van je gehoord, hoe gaat het? Zal ik naar je toe komen en even boodschappen voor je doen? Met dit weer…’
‘Welnee, Frans heeft boodschappen voor me gedaan, ik heb alles.’
Frans. Natuurlijk.
‘Kind, ik heb niemand nodig, hoor.’
O. Nou ja, Frans dus wel. Betty fronst. Waarom ben ik nou weer kriegel?
‘Ik kom toch even langs. Voor de gezelligheid.’ Ik ben een goed mens.
De gevoelstemperatuur is gezakt naar min dertig als ze eindelijk bij haar moeder aankomt, dankzij de speciale dienstregeling van de NS. Zo min mogelijk treinen laten rijden en in het nieuws trots roepen dat die allemaal wel bijna op tijd rijden. Als ze nou helemaal geen treinen laten rijden, zijn ze allemaal op tijd, verdomme.
‘Is Frans er niet?’ Niet te opgelucht klinken. En niet kriegel.
‘Nee.’ Haar moeder glimlacht. ‘Jammer, hoor. Het is wel gezellig als hij er is. Maar fijn dat jij er bent.’ Ze serveert thee met boterbrokken.
‘Hebben jullie nou… hebben jullie iets?’ Niet te jaloers.
‘Ja, nou, ja…’ Een zucht. En weer: ‘Het is wel gezellig als hij er is. Het is…’ Ze aarzelt, zegt voorzichtig: ‘Mis jij het niet?’
‘Wat?’
‘Het… nou ja, het samenzijn. De aanwezigheid.’
Bedoelt ze nou seks? ‘Nee, ik ben graag alleen.’
‘Ja, dat is waar. Je lijkt op je vader. Nou, ik vind het ongezellig alleen.’
‘Ach, soms denk ik ook weleens…’ Ja, wat eigenlijk?
‘Mis je David nooit?’
Gut. Betty betrapt zich erop dat ze nooit meer aan hem denkt. Wil denken. Hoe zou het met hem gaan? Ze heeft niets meer van hem gehoord sinds ze de relatie beëindigde, ze denkt aan het ijs dat nu kraakt rond zijn woonboot, ze mist dat geluid, ze mist hem zoals je een vakantiehuisje kunt missen, of een poes, of een trui die lekker zat, niet zozeer David zelf alswel zijn aanwezigheid.
‘Ja, misschien ook wel… de gezelligheid, denk ik.’ Dat is het niet.
‘Gezellig? Niet het eerste dat bij me opkomt als ik aan David denk.’
‘Nou ja, dat er iemand was. Iemand die mij nodig had.’
Op dat moment gaat haar telefoon. Saved by the bell.
‘Betty? Met Joris.’ Hij klinkt paniekerig. ‘Heb jij tijd om Vlinder morgenmiddag van balletles te halen? Ik heb een meeting, en Roos wil niet, ze zit… eh… midden in de maand van de spiritualiteit, en de nanny… die is, nou ja, weg. Lang verhaal. Ik heb je nodig, Betty.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.