Feuilleton
etty zit op een onbewoond eiland. De nood is hoog. Ze moet kiezen. Nu.
‘Sympathieke, empatische, mentaal sterke man, 59, goed in liefhebben, zoekt spillebenige, erg lieve vrouw.’ Oudere, zichzelf overschattende man zoekt slank lekker wijf met lange benen die hem niet tegenspreekt. ‘Aardige man drs 69 zoekt charmante vrouw (arts?) om doktertje mee te spelen.’ Brrr. ‘Leuke spontane christelijke jongen van 34 jr zoekt een leuk spontaan christelijk meisje.’ Eerst bidden, dan neuken. ‘Een mens moet groeien en bloeien, zegt manager (59), n.r.’ Nee! ‘Rustige, sensitieve kunstenaar (44) met vriendelijk voorkomen zoekt lieve vrouw die er wel plezier in kan scheppen met een halve kluizenaar om te gaan. Regio Groningen. Brief met foto…’ Walter de Rochebrune zoekt mooi model dat zo nu en dan op bevel wil afreizen naar diepvervuilde, godvergeten boerderij in Oost-Groningen en direct wil verdwijnen als het hem teveel wordt. ‘Aimabele 70er zoekt slanke vrouw.’ Vermeld uw Body Mass Index in de brief met foto.
De oogst van de stapel zaterdagkranten wordt steeds magerder; tienduizenden modernere eenzamen in Nederland zoeken hun geluk tegenwoordig liever op internet. Betty denkt aan de groene man met de witte sokken in het museum, die haar vorige week voor een afspraakje aanzag. Die doet het vast ook nog via de krant, schat ze.
Telefoon.
‘Dag mam.’
‘Dag kind. Wat doe je?’
‘Ik lees de contactadvertenties.’
‘Betty! Is David… Hij heeft je toch niet verlaten?’
‘Nee, natuurlijk niet. Ik zoek niet echt iemand. Jij leest toch ook niet de overlijdensadvertenties omdat je dood wilt?’
‘Nou ja, dat is… da’s natuurlijk geen vergelijking. Ik wil gewoon weten wie er overleden is. Dat zijn er steeds meer.’ In haar zucht schuilen de gevallenen van de afgelopen jaren: een broer, de buurvrouw, een goede vriendin. Betty’s vader.
Ze voelt zich alleen. Ik moet weer eens bij haar langs. ‘Zal ik dit weekend even gezellig langskomen?’
‘Dat is fijn, kind. Komt David dan ook?’
‘Nee hij moet repeteren, ik heb hem al twee weken niet gezien.’
‘Ach…’
Ik weet wat ze denkt. ‘We sms’en.’
‘Jullie sms’en.’ Zucht twee. ‘Kindje… Ben je wel gelukkig, zo alleen?’
…zo niet getrouwd en zonder kinderen? ‘Ja.’ Misschien is de aimabele 70er wel iets voor haar.
‘Echt? Je kunt het zeggen, hoor, tegen mij. Toen je vader…’
‘Hè mam, zeur niet! Ik ben gelukkig!’ Ai, te hard. Sorry.
‘Echt waar?’
‘Ja. Heus. Hartstikke gelukkig!’
Waarom lopen gesprekken met haar moeder toch altijd zo af? Betty neemt zich keer op keer voor om zo’n lieve, zorgende dochter te worden, maar altijd duikt de ergernis op. Niemand hoeft haar te vertellen hoe ze gelukkig moet zijn, zeker haar moeder niet.
Niemand weet trouwens echt waarom ze zo gelukkig is met David. Mensen vinden hem een ‘goede vangst’ omdat hij als pianist een naam heeft opgebouwd. Haar moeder ziet de perfecte schoonzoon die bonbons voor haar meeneemt. Haar vriendinnen noemen hem een ‘lekker hapje’: donker en interessant, zelfverzekerd, charmant. De man die Debussy voor haar speelt als ze verdrietig is, die voor de deur staat met een picknickmand op die enige mooie zomeravond van het jaar, die tientallen lieve sms’jes stuurt als hij het te druk heeft om haar te zien (8102 virtuele kussen in de afgelopen twee weken). De man die zo romantisch is dat hij haar, zo zeggen haar vriendinnen, binnenkort wel een aanzoek zal doen: vakantie-eiland, champagne, serenade, ring.
Maar Betty wil helemaal geen aanzoek. Ze houdt vooral van David, beseft ze, omdat hij géén aanzoek doet. Hier zit ze, in haar eigen huisje met haar eigen rommel, haar eigen tijd, haar eigen ongestoorde gedachten. Ze moet er niet aan denken dat iemand daar zijn leven doorheen zou vlechten. Zouden meteen al die kranten op een stapel moeten. Zou ik nooit meer zomaar een hele kom Saroma mogen leegeten. Zou ik na drie dagen gek worden van Debussy.
David laat haar met rust. Zij laat hem met rust. Ze is dolgraag alleen. Hij is dolgraag alleen. En toch hebben ze elkaar nodig, en dat weten ze. Een betere liefde is er niet. Maar leg dat maar eens uit aan een moeder, een stel vriendinnen, een Hollywood-verslaafde wereld.
Eigenlijk lijk ik nog het meest op die kluizenaar. Ik heb alleen al een andere kluizenaar gevonden die precies is zoals ik.
Betty stuurt de mannen voor haar onbewoonde eiland weer de zee op. Ze heeft ze niet nodig. Aan de andere kant van de stad weet ze een ander eiland, waar iemand wacht tot ze wil komen. Of roept, omdat hij haar nodig heeft.
Telefoon.
Onderdrukt gesnik. ‘Betty… Ik kan er niets meer van!’
‘Ik kom, liefje. Stil maar, ik kom.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.