Feuilleton

Eerst naar de film, en daarna thuis de telefoon uit, computer uit, en een lange zaterdag en zondag met kranten, boeken, wijn en hapjes op de bank: zo ziet het ideale weekend van Betty en David eruit. Als David niet hoeft te spelen en zij niet maandagochtend vroeg iets af hoeft te hebben, kan het. Betty houdt van de stilte van deze weekends, samen bij haar thuis, in zwijgende eendrachtigheid. Woordloos begrip in een uitgestrekt, stil weekend. Ze zijn naar The Artist geweest, een moderne ode aan de zwijgende film, waarin ook al niet gesproken werd. Nu kan ze eindelijk eens een boek lezen. A Visit From The Goon Squad. Of de gedichten van Menno Wigman. Of…

‘Pie-doe!’

Hij heeft ‘m dus niet uitgezet.

David leunt lui achterover, met uitgestrekte arm kan hij net bij z’n nieuwe smartphone. Hij tuurt op het scherm, glimlacht. Fronst, denkt na, veegt met zijn vinger over het scherm, kijkt tevreden.

Drukt een knop in. Legt de telefoon naast zich op de bank.

Wordfeud. David speelt Wordfeud. Met godmagwetenwie.

Betty schuifelt in haar luie stoel. Davids zwijgen is ineens niet zo eendrachtig meer, als het gedeeld wordt met een onbekende.

‘Met wie speel je?’

‘Met een leerling. Jong, maar een grote woordenschat.’

Hij blijft over zijn scherm vegen. ‘Moet jij niet eens een smartphone?

Kunnen we ook wordfeuden.’

Betty staat op. ‘Laten we gaan scrabbelen. Ik heb nog een speelbord.’

‘Pie-doe!’

David tuurt naar z’n scherm. ‘Mmm. Zometeen. Eerst even dit… eh…’

Het weekend kabbelt voorbij zoals Betty graag wil dat het kabbelt. Ze eet. Ze drinkt (iets te veel). Ze leest gedichten, maar die beklijven niet. Het ligt niet aan Wigman. Het ligt aan haarzelf. Aan David, die… nou ja, gewoon David is, en toch ook weer niet. Aan… Ze leest de kranten: opinies, luxeproblemen, wereldleed, onderbroken door het regelmatige ‘Pie-doe!’ van Davids telefoon.

Ze spelen geen Scrabble. Ze zijn te moe voor seks.

Niet erg. Lekker rustig.

Maandagochtend zet ze haar eigen telefoon weer aan, die twee minuten later prompt begint te rinkelen.

‘Theo, goedemorgen.’

‘Betty! Eindelijk! Waar was je in hemelsnaam?’

‘Had ik ergens moeten zijn?’

‘Je was niet bereikbaar, het hele weekend niet. Je werkt voor een krant, schat, dan moet je bereikbaar zijn!’

‘Ik ben schrijfster van een kookrubriek, geen razende reporter.’

‘Ja, maar je weet maar nooit. Dit zijn andere tijden dan vroeger, Betty, je kunt wel van alles missen, je moet er bovenop zitten, aandacht is macht. Luister. Ik heb nagedacht.’

Nooit goed nieuws, Theo die nadenkt. ‘Was mijn recept niet goed?’

‘Hè? O, jawel! Goeie primeur, right on the spot. Marshmellows zijn inderdaad de nieuwe cupcakes, ik heb het even gecheckt met onze correspondent in Amerika. Heel goed, ga zo door.’

‘Je had nagedacht.’

‘Ja. Je moet komen praten op de krant. Ik heb plannen voor je. Je bent geen schrijfster van een kookrubriek, Betty, je bent een merk. Je moet op Twitter! Je moet op Facebook! Je moet een app! Je hebt de potentie om een celebrity te worden. De Nederlandse Nigella.’

Nee!

‘Twitteren is niks voor mij, Theo. Echt niet. En ik ben Nigella niet.’

David trekt zijn wenkbrauwen op.

‘Betty, we moeten multimedia, we moeten met onze tijd mee. Het is belangrijk, schat, voor de krant.’

‘Mensen in Homs worden vermoord door hun eigen regering of gemarteld in hun ziekenhuizen, dat is belangrijk. Verkiezingen in Rusland zijn belangrijk. De bezuinigingen zijn belangrijk.’

‘Kom later in de week even met me praten, oké? Denk erover na.’

‘Mmmm. Kweenie.’

‘Pie-doe!’

‘David, verdomme! Doe ogenblikkelijk iets aan dat lawaai!’

Ik ben bejáárd, denkt Betty. Zelfs David gaat met z’n tijd mee. Ze denkt aan George Valentin in The Artist: de acteur in stomme films die weigert te spreken en aan lager wal raakt, in een wereld die sneller verandert dan hij. Dat ben ik: ‘Zij raakte aan de bedelstaf, want zij weigerde te twitteren.’ Ze denkt aan filmheldin Peppy, die al het nieuwe omarmt en een ster wordt. Ze denkt aan de honderden mensen in rijen voor de nieuwe Apple Store. Niemand zwijgt, iedereen twittert en wordfeudt erop los. En de vanzelfsprekende, woordenloze verstandhouding tussen David en haar is besmet. Zijn zwijgen is verdacht, haar verwijten blijven onuitgesproken in de lucht hangen. Ze denkt aan Peppy, die haar arm in het jasje van George steekt en zich verbeeldt dat hij haar zo omhelst.

Ze omarmt een lege man met haar eigen arm.