Feuilleton
Een vrouw gilt. Betty kijkt op. De tv staat aan, ze was even in de keuken, nu ziet ze de vrouw, lijkbleek, ze ziet de kinderen van de vrouw, ze juichen. Het is De Gilfactor, een EO-kinderprogramma op Nederland 3, waarin kinderen hun moeder aan het schrikken maken. Hoe harder moeder gilt, hoe hoger het bedrag dat ze aan een goed doel mogen schenken. Er komen vaak insecten aan te pas, en reptielen. Soms een muis. Mensen maken moeders niet aan het schrikken, met uitzondering van één bijzonder enge clown.
Gillen voor het goede doel. Aan mij zouden ze niks verdienen.
Als Betty schrikt, houdt ze zich stil.
De directheid van de gil bevalt Betty wel. Zoals je dat in de film ziet, of op tv, als een vrouw haar geliefde betrapt met een ander, in flagrante delicto. Dat zij gilt. Dat hij dan zegt: ‘Het is niet wat je denkt.’ Dat dan het beeld bevriest (soap). Of zij iets vernietigends zegt (drama). Of iets gevats (sitcom).
Nooit zie je de heldin daarna één tegel in haar badkamer kapotslaan, en daarna die badkamer soppen en een kastje voor de beschadigde tegel zetten. Haar moeder bezoeken. Angry Birds spelen. Haar klerenkast opruimen en zich voornemen om een jaar lang geen kleren meer te kopen. De stad in gaan, een shawl kopen en zichzelf vertellen dat dat geen kledingstuk is. Een e-mail van haar ex-echtgenoot lezen (‘Dag vrienden, Thailand is een echte aanrader als je op vakantie wilt, alles is heel goedkoop en het weer is fantastisch’). Antwoorden (‘Zit je nou nog in Thailand of weer in Thailand, en als alles zo goedkoop is, mag ik dan wat minder alimentatie betalen?’), maar het antwoord toch maar niet versturen. Een kookcolumn en diverse culitweets tikken over de voorbereiding van een uitgebreide paasbrunch. Ondertussen zelf twee pakjes Tuc opeten en een bak Saroma leeglepelen. Zich afvragen wat ze eten in het Catshuis. Een week kranten pakken en zes sudoku’s maken.
Tv-kijken (kookprogramma’s, Engelse antiekporno, Dr. Phil, BN’ers die de Matthäus Passion verkrachten). Besluiten dat alleen kunst de lelijkheid kan bestrijden. Foto’s van The New York Times Magazine in Foam bekijken. Calder in Den Haag. Symbolisme in het Van Goghmuseum. Een middag net zo lang voor de grote Matisse in het Stedelijk hangen tot de suppoosten paniek in de ogen krijgen.
Daarbij denken aan de man met het communistenjasje, die ze hier ontmoette. Zich afvragen wat hij doet. Opmerken dat zijn uitspraak ‘Deine Sorgen möcht’ ich haben’ klinkt als een zin uit de Matthäus Passion. Onderweg naar huis in haar hoofd ‘Deine Sorgen möcht’ ich haben’ zingen op de wijze van ‘Ich will dir mein Herze schenken’. Thuis de Matthäus Passion opzetten, volumeknop open, en meezingen. En nog eens.
Eröffne den feurigen Abgrund, o Hölle,
Zertrümmle, verderbe, verschlinge, zerschelle
Mit plötzlicher Wut
Den falschen Verräter, das mördrische Blut!
Nee, ze gilt niet. L’esprit de l’escalier, daar is ze een meester in: later denken wat ze had moeten zeggen. En nu: ook dat niet. Betty zingt, uit volle borst, met boze vogels in haar hoofd. Maar ze gilt niet.
Er ligt een lekker soort macht in het weten. In het iets weten van iemand die niet weet dat je iets van hem weet.
Het zoeken naar bevestiging. Nee: het vinden van bevestiging.
De tekenen liggen er ineens open en bloot. Zie je wel. Hoor je wel. Wat hij niet zegt. Wat zij wel weet. Wat zij nu ziet, waarover ze niks zegt.
Wanneer ze, na een nacht in Davids bed en Davids armen, na een doorwaakte nacht waarin David de ongestoorde slaap der schuldigen sliep terwijl zij wakker lag, bij hem aan het paasontbijt zit, geniet ze nog even van die macht.
Ook David heeft de Matthäus Passion opgezet. Hij fluit mee in de keuken. Slooft zich uit. Pocheert eieren. Kookt weer andere eieren. Opent een fles champagne. Roostert brood. Zingt hardop mee: ‘Ich will dir mein Herze schenken…’
Betty wacht. Er ist des Todes schuldig!
David serveert gerechten waar zij alleen maar over geschreven heeft. Te veel. Hij ziet er stralend uit. Verdacht. Hij draagt haar favoriete jasje. Hij lijkt op een paasei. Hij geeft haar een zoen op de neus. Hij is zo’n man die denkt: mijn maîtresse maakt mijn huwelijksleven beter.
En dan – Lass ihn kreuzigen! – zegt ze het. Zomaar.
‘Wie was die vrouw, met wie je in innige omarming in het Vondelpark zat?’
‘Innige omarming’, ze zegt het met haar wenkbrauwen opgetrokken, dat dan weer wel, ironisch, tussen aanhalingstekens, niemand zit in het echt in ‘innige omarming’, dat zitten ze in boeken, niet in het Vondelpark, en met die aanhalingstekens is het bijna weer onschuldig geworden, hoe vilein ze het ook zegt: ‘innige omarming’ – maar dat was het natuurlijk gewoon toch, een innige omarming.
David taxeert haar blik. Hij negeert de aanhalingstekens. Hij kijkt langs haar heen, door het raam. Hij zegt: ‘Het is niet wat je denkt.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.