Feuilleton
Ze hangen met z’n tweeën aan de telefoon, Floor en Anna. Betty hoort aan het holle, schetterige geluid van hun ‘Halloooo!’ dat ze hem op de speaker hebben staan in de moderne, spaarzaam ingerichte Amsterdam-Zuid-huiskamer van Floor.
‘Je hebt zomaar de trein naar Parijs gepakt? Echt? Dat heb ik nou altijd willen doen,’ zegt Anna dromerig.
‘Ik zou naar Berlijn gegaan zijn, veel meer the place to be,’ zegt Floor. ‘Maar goed. Wat ga je doen vandaag?’
‘Vandaag,’ zegt Betty monter, ‘koop ik een cadeautje voor mezelf.’ ‘Een jurk van Chanel!’ roept Anna. ‘Vintage, natuurlijk.’
‘Een diner bij een L’Arpège! Drie Michelinsterren. Moet je wel afwassen, daarna,’ zegt Floor.
‘En David?’ vraagt Anna.
Heel even voelt Betty wat ze elke ochtend voelt als ze wakker wordt sinds ze hier is: Er Is Iets. O ja. Ze heeft geen zin om het uit te leggen. Niet vandaag. ‘Die is er niet. Ik heb Parijs lekker voor mezelf.’
‘Goed zo,’ zegt Floor. ‘Neem een gigolo! Kan jou het schelen.’
‘Drink maar een glaasje champagne van ons, op een terras,’ zegt Anna. Oh, ik zou daar ook wel even in de zon willen zitten…’
Betty kijkt uit haar hotelraam. De grens tussen de leistenen daken en de lucht is alleen zichtbaar doordat de dakpannen glimmen in de miezerregen.
Woody Allen kan beweren wat-ie wil, maar Parijs is niet prachtig als het regent. Ja, in de film, zoals Joris Ivens ‘m filmt, als Gene Kelly erin danst, als het briefje van Ingrid Bergman in de handen van Humphrey Bogart natregent bij de trein in Casablanca, als Hugh Grant in Four Weddings and a Funeral tegen de drijfnatte Andie MacDowell zegt: ‘Do you think that you could agree not to marry me?’ Maar in al die films plénst het. In films miezert het nooit.
Zat ik maar echt in een film. Of een boek. Dan zou er iets veelbetekenends gebeuren, denkt Betty, terwijl ze onder een paraplu naar de metro loopt. Ze zou tegen een romantische Franse kunstenaar aan botsen (Gérard Depardieu maar dan iets jonger), met hem aan de praat raken en op zijn zolderkamer en als zijn model verder leven, arm maar gelukkig. Of haar Mary Poppins-tas zou geroofd worden en een doortastende politieman (Alain Delon maar dan met een zachte oogopslag) zou de dief in de kraag grijpen en haar daarna meenemen naar de Rivièra in zijn cabrio. Of, zo stelt ze zich voor terwijl ze draalt voor de deur van een gerenommeerde kookschool, ze zou een kookcursus volgen bij een Franse chef (Mathieu Amalric, niks meer aan doen) die diep onder de indruk zou raken van haar culinaire talent en dan zou ze een soort Julia Child worden. Maar ze schrikt van de prijzen op het papiertje in de etalage, en daarna nog meer van de slijmbal in een veel te schoon koksbuis die een groepje giechelige jongedames binnenlaat van wie er één een plastic kroontje draagt en een roze schort omgebonden krijgt met de tekst ‘princesse de la cuisine’ erop – een truttig vrijgezellenfeestje, niks voor Julia Child.
Haar telefoon gaat. ‘Mam!’
‘Dag kind. Ben je nog in Parijs? Doe je wel iets leuks vandaag?’
Ja, ik ga een gigolo regelen. ‘Ik ga een jurk kopen.’
‘Is David daar ook?’
‘Nee, ik ben alleen.’ Klinkt te zielig. ‘Maar hij belt elke dag.’ Ik neem alleen de telefoon niet op. ‘Ik heb het enorm naar m’n zin, hier.’
‘Precies je vader, die wou mij ook nooit mee naar Parijs.’ Haar moeder laat een veelbetekenende stilte vallen, al weet Betty niet precies wat die stilte betekent. ‘Ik kon hem toen alleen niet bellen, natuurlijk.’ Stilte. ‘Nou, heb het leuk, hoor. Ga lekker in de zon zitten op een terras in Montmartre. Dat deed je vader ook altijd zo graag.’
Zo. Nu een cadeautje. Een jurk dan maar? Of een gigolo?
In haar nieuwe jurk zit Betty aan een tafeltje bij Chartier. Omdat ze helemaal geen geld heeft voor een driesterrentent. En omdat ze hier rücksichtslos een gast aan jouw tafel zetten als het druk is. Misschien raakt ze zo eindelijk eens met iemand aan de praat. Een lange, donkere vreemdeling. Of een verlegen postbode. Maar tegenover haar wordt een chagrijnige Japanse toeriste neergepoot die geen woord zegt. Zwijgend eet Betty een onduidelijke schotel met iets ingewandigs die de ober haar grijnzend heeft voorgezet. Dat krijg je ervan als je op de kaart iets aanwijst waarvan je de vertaling niet weet, in een laatste lafhartige poging tot avontuurlijkheid.
Door de regen loopt Betty terug naar het hotel. Niemand heeft nog iets van mijn jurk gezegd. Tegen de receptionist zegt ze plompverloren: ‘C’est mon anniversaire.’ Hij kijkt haar aan alsof ze een oneerbaar voorstel doet. Hij denkt: wat doet dit oude afgedankte mens alleen in Parijs op haar verjaardag? ‘Bon anniversaire,’ zegt hij afgemeten.
Aarzelend loopt Betty naar haar kamer. Dit is de eerste dag dat David niet heeft gebeld. Als dit een film was, of een boek, zou hij nu staan wachten voor haar kamerdeur met een taart met zevenenveertig kaarsjes, alles koek en ei. Maar dit is geen fictie, dit is het echte leven. Het miezert, en er gebeurt niets.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.