Feuilleton
Anna draagt een blauwe zomerjurk en ze heeft haar haar afgeknipt. Ze ziet er verbazingwekkend knap uit, helemaal niet als een middelbare vinexvrouw met praktisch haar, hoewel ze, nou ja, letterlijk, wel een middelbare vrouw met praktisch haar is – kort haar is altijd praktisch als het zelfs ’s avonds zo warm is. Floor draagt een halterjurk in een gemene fluorkleur, zwarte laksandaaltjes met taxi-hakken, en een reusachtige zonnebril in haar haar. Ze drinken rosé, hoewel Floor een half uur geleden heeft geroepen dat dat echt niet meer kan, rosé, en monsteren de mensen op het terras.
‘Geen omfietsmannen,’ constateert Anna.
Ze zouden allebei zo bij de strandtent verderop kunnen zitten, waar een dj met een hip baardje loungy klanklandschappen produceert op de golven van een boenk-boenk-boenk-beat. Maar Betty heeft aangedrongen op een iets minder hip etablissement; ze had zin in kibbeling met remouladesaus en wordt zenuwachtig van al die mensen die daarginder maar strak en glanzend op Roos en Jonas zitten te lijken. Vandaag is ze de minst glamoureuze van het stel. Ze is moe omdat ze niet kan slapen met die hitte, en Vlinder heeft vanmorgen een chocolade-ijsje op haar jurk gemorst, wat ze niet goed heeft kunnen wegpoetsen. In deze strandtent klinkt het boenk-boenk-boenk zónder de klanklandschappen. Het hele strand boenk-boenk-boenkt.
Ik hoor de zee niet eens meer. Ik wil eigenlijk in het zand zitten met een fles Nivea en een broodje met pindakaas en zand.
‘Ik wil het er niet over hebben,’ zegt Anna.
‘Waarover?’ vraagt Betty.
Floor zucht. ‘Oké. Kort samengevat: Frank is er vandoor met een eindexamenleerlinge. Vlak na haar eindexamen.’
‘Wat betekent dat het al een tijdje bezig was,’ zegt Anna. Ze rommelt in haar tas. ‘Maar ik wil het er niet over hebben.’
Betty hapt naar adem. ‘Waarom wist ik dat niet?’ Ik had dit moeten weten. Ik ben geen goede vriendin geweest, ik heb het laten afweten.
Anna schenkt nog eens bij. ‘Omdat ik het er niet over wil hebben.’
‘Oké,’ zegt Floor. ‘Laten we het over Betty hebben.’
De lucht kleurt langzaam roder. Het is zwoel; er zijn nog steeds mensen in zee, kinderen rennen door het zand, ze mogen laat opblijven. Anna steekt een sigaret op. Rookt Anna? Sinds wanneer? ‘Hoe is het nou met je, Betty? We zien zo weinig van je.’
‘Ja, nou, Jonas woont in een tent in de tuin en bemoeit zich alleen met zijn zoon, en Roos is er bijna nooit en Vlinder is zo’n leuk meisje, ze ontdekt de wereld en ze bouwt er een voor zichzelf, en ze leert…’
Floor zucht. ‘Maar hoe is het nou met jou? Je hebt het alleen maar over dat gezin. Je bent de nanny, en ook alleen nog maar tijdelijk! Het lijkt wel of je met die familie getrouwd bent.’
‘Zo was ik ook toen de kinderen klein waren,’ zegt Anna. ‘Vroeg iemand hoe het met me was, begon ik te vertellen dat Niels het zo goed deed op school en dat Bente aan het wisselen was. En dat Frank meer uren was gaan werken.’ Ze neemt een grote slok rosé. ‘Steeds meer uren.’ Ze monstert goedkeurend een jonge man in zo’n veel te grote zwembroek. ‘Maar ik wil het er niet over hebben.’
‘Goed,’ zegt Floor. ‘Betty, we moeten echt praten.’
Nou ja zeg. Anna die altijd zegt dat je moet praten, wil het nergens over hebben. En Floor die altijd alles wegwuift, wil ineens praten.
‘Waar wil je héén, meid? Je moet ergens héén. Je moet een dóél.’
‘En als dat doel bereikt is?’
‘Dan moet je weer een ander doel.’
‘En dan?’
‘Zo verder. Tot je gelukkig bent waar je bent.’
‘Ik ben al gelukkig waar ik ben. Ik hoef nergens heen.’
‘Je kan niet gelukkig zijn, zo.’
‘Ik wil het er niet over hebben,’ zegt Betty. ‘Anna, als je zo door blijft roken, kom je nooit in Zomergasten.’
‘Ik rook nog even door. Ik ga toch stoppen.’
Floor: ‘O kijk nou toch, wat een mooie oranje zon!’
Anna: ‘Luchtvervuiling.’
‘Die sterren zijn allemaal dood,’ zegt Anna.
Ze zitten nog steeds op het terras. De derde fles rosé is bijna op en het is nog steeds niet koel. Er staat geen zuchtje wind. De NRC op het tafeltje naast hen blijft plat liggen. ‘Nederland loopt langzaam vast’, schreeuwt de voorpagina.
‘We zien ze nu pas,’ zegt Betty. ‘Na een eeuwigheid. Precies het tegenovergestelde van ons. Wij worden nu gezien en daarna nooit meer, wij laten niets na. Nou ja, jullie laten kinderen na.’ En ik behoed een kind voor haar gekgeworden ouders. Telt dat ook voor de eeuwigheid?
‘Ik kan natuurlijk een boek schrijven.’
‘Ja,’ zegt Floor. ‘Net zo beroemd als Connie Palmen worden.’
‘Met mannen die doodgaan,’ zegt Anna. ‘Leuk.’
‘Ik kan altijd nog een boek schrijven over het onvermogen om een boek te schrijven.’
Het wordt stil. De avond eindigt doelloos en Betty wil nergens heen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.