Feuilleton
Picasso is dood. Betty staart naar haar scherm. Het is lang geleden dat ex Wouter haar een boodschap van belang stuurde, meestal krijgt ze van die mails-aanalle-vrienden over vakanties in Thailand (‘Het is hier geweldig! Ik zou hier wel willen blijven!’) of over niets (Vijf cartoons over Steve Jobs. Tien foto’s van honden die grappige dingetjes zeggen in tekstballonnetjes. Tien weetjes-die-je-niet-wil-weten over het menselijk lichaam – de penis is twee keer de lengte van de duim van de eigenaar, je huid weegt tweemaal zo veel als je hersenen, op je voet zitten één triljoen bacteriën, een vrouwenhart slaat sneller dan dat van een man).
Betty moet even slikken, verdrietig en schuldig. Toen ze net uit elkaar waren, was ze af en toe teruggegaan naar het huis om iets onbenulligs op te halen, een kopje waaraan ze gehecht was, een boek. Eenmaal was ze, terwijl Wouter de kamer uit was, languit op de bank gaan liggen, een teken voor Picasso om op haar te springen en zich spinnend tegen haar aan te vlijen. Het had gevoeld als verboden seks.
Ik heb me al jaren niet eens meer afgevraagd of hij nog leefde.
Ze had zich weleens voorgesteld hoe het zou zijn, het beëindigen van de relatie met David, zoals je je weleens voorstelt hoe het is als je geliefde doodgaat, inclusief de begrafenis, de speeches, het leven daarna, de bijpassende jurk. Ze had gedacht aan een poëtische brief. Een drama (affaire, ruzie, stille wraak, La tourneuse de pages). De dood (begrafenis, speeches, jurk, oude aantrekkelijke schoolvriend).
Ze had zich ook wel voorgesteld hoe op het laatste moment het tij zou keren. Dat hij dan iets liefs zegt of piano speelt en zij denkt iemand die zo liefdevol piano speelt moet wel een liefdevol mens zijn en dat ze elkaar aankijken en zeggen het is een vergissing een misverstand wat dacht ik nou helemaal schatje ik hou van je voor altijd natuurlijk laten we dansen een ijsje gaan eten vrijen rustig gaan slapen.
Echt lullig wordt het nooit, in je fantasie.
Nu zitten ze samen op Davids bank. David snuit zijn neus, op z’n Davids: hij probeert het geruisloos te doen, alsof hij het niet doet.
‘Ik hou wel van je,’ zegt Betty, ‘maar dat je niets met me deelt, dat is de nekslag, geloof ik.’ Bordkartonnen zinnen.
David kijkt naar zijn schoenen.
‘Maar ik hou wel van je.’ Waarom zeg ik dat toch?
‘We hebben het toch leuk samen? Ik heb je nodig, Betty.’
Lees: ik hou van je. ‘Ik jou ook, David. Dat wil je weleens vergeten.’ Betty snuit luidruchtig haar neus. David wil doen alsof dat hem niet stoort, maar hij verbergt zijn ergernis een fractie te laat. Hij zegt het weer, hij zei het al eerder: ‘Het is in de eerste plaats natuurlijk mijn leven.’
Wat is dat toch, dat vrouwen direct verliefd raken op mannen die hen nodig hebben, terwijl mannen hard weglopen van vrouwen die hen nodig hebben? ‘Maar ik hou van je.’ Waarom zeg ik dat toch de hele tijd?
‘Ik wil geen ruzie,’ zegt David.
‘Ik ook niet,’ zegt Betty. Daarom dus. Omdat we geen ruzie willen. Omdat ik hem niet wil kwetsen. Omdat ik mezelf wil sparen. Zachtjes langs elkaar heen leven, ieder voor zich, elkaar geen pijn doen, vooral geen pijn, er is al genoeg pijn in de wereld. Doen alsof we dingen niet zien, niet voelen.
‘Ik zou oud met je willen worden,’ zegt David.
‘We zijn al oud met elkaar geworden. In vijf jaar.’
Hij lacht, zo’n lach waar vrouwen alles voor doen, heel lang op wachten en heel lang op kunnen teren.
Dan zegt hij: ‘Ik zal in de toekomst meer met je delen.’
Beloften in verkiezingstijd. Betty staat op. ‘Ik hou van je, David.’ Zeg ik het weer. ‘Maar niet meer genoeg.’ Beter.
Ze kan niet iemand verlaten die zijn armen om haar heen slaat. Die haar kust. Die haar uitkleedt. Die haar naar zijn bed draagt.
Ze kan niet klaarkomen. Ze doet alsof. Zachtjes, hem niet kwetsen. Ze kan niet iemand verlaten die slaapt en weer eens een nachtmerrie heeft, ze houdt hem vast zoals altijd, ze kan niet iemand verlaten die ze met haar armen om hem heen tot bedaren kan brengen, alleen gaat zijn droom nu niet over een black-out tijdens een concert of plotseling naakt op een pianokruk zitten voor een uitverkocht Concertgebouw, voor het eerst roept hij paniekerig ‘Betty!’ in zijn slaap. Op een vreemde manier is ze vereerd. Ze kan het niet. Nu niet.
Ze kan het wel de volgende dag, als hij nog ligt te slapen. Zachtjes. Ze kijkt rond in de slaapkamer, de woonkamer. Overhemden in het gelid in de kast, meubelen kaarsrecht, boeken en cd’s op alfabet. Ze pakt haar tandenborstel, haar enige bezit in dit huis – ze zal nooit terug hoeven voor een kopje of een boek of een kat. Ze legt haar sleutel op tafel. Ze bedwingt de neiging om er een kras mee in zijn glanzende vleugel te maken, om hem te raken, zoals je een andere man raakt met een kras in zijn auto.
Ze trekt de deur achter zich dicht. Als hij ziet dat ze weggaat, zal hij het niet laten merken. Ze vraagt zich af wiens hart sneller slaat.
Ze vraagt zich af of er een moment komt dat ze vergeet zich af te vragen of hij nog leeft.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.