Feuilleton

Het perron op het Centraal Station is leeg. Opgelucht ziet Betty de trein naar Alkmaar een geel stipje aan de horizon worden. Doodmoe is ze, en van wat nou helemaal? Eén ochtend haar moeder op bezoek. Die had onwennig op haar bank gezeten en onder het mom van geïnteresseerde vragen een spervuur van opmerkingen haar richting op geschoten waarop Betty de reactie alleen maar mocht dénken. ‘Kind, word je niet te dik?’ Dat maak ik zelf wel uit. ‘Verdien je wel genoeg?’ Ik red het, zeur niet. ‘Word je niet moe van de stad, zou je niet eens in een echt huis willen wonen?’ Ik woon in een echt huis! ‘Wat zonde, al dat zevenblad op je dakterras. Zullen we een keer samen gezellig naar het tuincentrum?’ Nee! ‘Zal ik je huis eens lekker komen schoonmaken?’ Misschien moet ik toch in een bos gaan wonen. Daar klaagt niemand over rondslingerende naalden en takken. Hangmatje. Klaar. ‘Lust je mijn bonbons niet?’ Jawel, maar ik word te dik. ‘Kind, ben je niet te alleen, hier?’

Rustig blijven. Dit is geen kritiek. Dit is liefde. Moederliefde. Beheers je.

Ze heeft haar moeder omhelsd en nagezwaaid en gezegd dat alles goed met haar is. Ze heeft zich beheerst.

Een vrouwenstem roept om: ‘Thalys à destination Anvers, Bruxelles et Paris partira de voie quinze.’

Zal ik ’m nemen?

Geen nieuwe gedachte. Een jaar geleden heeft ze het zomaar gedaan, ze was spontaan met een triomfantelijk gevoel in de trein naar Parijs gestapt. Maar ja, daarna. Dan zit je in Parijs, in je eentje, en dan?

Nee.

Nieuwe passagiers voor een nieuwe trein druppelen alweer het perron op. Naast haar staat een vrouw met een hond. ‘Hulphond’ staat er op zijn tuigje. ‘Niet aaien.’ De hond kijkt haar trouwhartig aan. Betty is helemaal niet zo van honden. Toch wil ze deze ineens dolgraag aaien. Het is als niet mogen denken aan een roze olifant.

Nee. Beheers je. Beheers je, Betty.

Telefoon. Roos? Waarom belt Roos? Jonas past toch op de kinderen? Ik hoef toch niet te werken vandaag?

‘Ha, Betty. Hoe is het met je?’

Dat vraagt ze nooit. ‘Eh, goed, hoor. Beetje moe. Ehm… Ik hoef toch niet op te passen, vandaag?’

‘Nee, hoor. Jonas sleept de kinderen graag mee. “Een vrouwenmagneet” noemt hij ze.’

‘Waarom zijn kinderen toch nooit een mannenmagneet?’ vraagt Betty. Op de een of andere manier ziet een man met kinderen er actief en begerenswaardig uit (kijk eens hoe leuk hij dat doet), maar een vrouw met kinderen afgetobt en sloverig.

‘Omdat moeders aan de andere kant van de magneet zitten. Ze stoten mannen af, zegt Jonas.’ Roos klinkt alsof ze probeert te lachen.

Er is een klein moment van verbondenheid – de afvallige moeder, de vermoeide nanny. Betty heeft nu en dan een glimp van Roos’ binnenwereld mogen opvangen, maar ziet nu vooral de buitenkant voor zich: dat glanzende, blonde, die huid, perzikachtig mooi, rimpelloos, een sensuele mond permanent in dezelfde stand, die vreemde onmachtigheid om echt te lachen. Botox? Chagrijn?

Het moment gaat voorbij. Er valt een stilte.

Zou Jonas wel goed genoeg op Vlinder passen, met z’n gevaarlijke jongensspelletjes?

‘Maar ik bel dus,’ zegt Roos, ‘omdat we over twee weken met het hele gezin op vakantie willen.’

‘Oké. Leuk.’ Ze nemen de nanny altijd mee. ‘Nou, ik kan mee, hoor. Waarheen?’

‘De Côte d’Azur. Maar het lijkt me dus geen goed idee dat jij meegaat.’

Hoe lang zit ze hier nou al? Ze heeft al twee Thalyssen zien vertrekken. Op de een of andere manier kan Betty nog geen afscheid nemen van het station. Je kan er zo fijn rondhangen zonder dat iemand op je let. Je kan er zo lekker mensen kijken. En op perron 15 heeft ze uitzicht over het IJ: boten en bootjes, EYE in de verte (Waarom ben ik daar nog helemaal niet geweest? Zal ik zo gaan? De Fellini-tentoonstelling bekijken, ‘Jour de fête’ zien?). Treinen komen piepend tot stilstand, zijn vertraagd of denderen voorbij alsof een Spaanse machinist ze op de hielen zit. Betty doet niets. Ze weet niet wat ze moet doen. Sitting on the dock of the bay, wasting time.

Ze heeft trek in een ijsje, zo’n Magnum in een doodskistje. Maar ik ben te dik. Niet doen. Beheers je. Ze doet het toch. Ze morst chocola op haar jurk. Ik kan ook nog de stationszwerfster worden.

Hele gezinnen stappen in en uit, op vakantie-uitstapjes. Een verliefd stelletje staat ongegeneerd te bekken op twee meter afstand. Iedereen is samen. Er gebeurt van alles zonder haar. ‘Kind, ben je niet te alleen?’ Nou ja, zeg. Het is juist fijn om alleen te zijn. Juist fijn.

Daar komt Thalys nummer drie.

Ik beheers me. Zolang ik hier maar blijf zitten, kan ik overal nog heen.

‘Hé,’ hoort ze ineens achter zich. ‘Ga je weer naar Parijs?’