Feuilleton

Betty houdt een hand voor haar linkeroog. Een studiolamp gooit een plas oogverblindend licht over het aanrecht, waarop een wijnglas halfvol cassis staat naast een berg gesneden tomaten. Een meisje in zo’n loeistrakke spijkerbroek met het kruis laag genoeg om er een luier in te kunnen herbergen (de onbegrijpelijkste modetrend van dit jaar, denkt Betty, en ze ziet er nog beeldschoon uit ook. Die ziet er zelfs beeldschoon uit als ze een vuilniszak aantrekt) veegt de tomaten met een wisser bij elkaar in een emmer. De neonletters ‘Betty’s Bluf’ zetten haar blonde haar in een roze gloed.

Met de hand voor haar rechteroog ziet Betty niets. Een donker gat. De rand van het decor is de interessantste plek van de studio, denkt ze terwijl in het donker ze een slok wijn uit haar cassisglas neemt.

Al een paar dagen duren de opnames van Betty’s nieuwe kookprogramma. Haar keuken is nagebouwd in de studio, net als die van Nigella Lawson bij de BBC, en ze mag erin demonstreren hoe ‘verbluffend gemakkelijk’ haar recepten zijn, die toch een ‘maximaal effect’ sorteren. ‘Nooit je keukengeheimen verklappen!’ grapt ze aan het eind van elke aflevering, en dan knipoogt ze naar de knappe cameraman, die altijd terug knipoogt, of misschien houdt hij sowieso één oog dicht als hij in de lens kijkt. Soms moet de knipoog over, en weer, en nog eens, tot ze eruitziet alsof ze een vuiltje in haar oog heeft en niet een geheimpje met de kijkers deelt.

Het is een warm bad geweest, deze wereld die om haar draait. De complimenten van regisseur Mike (‘Je doet het perfect! Je ziet er fantastisch uit!’). De complimenten van producer Henk (‘Je bent zo authentiek, Betty! Onze Nigella!’). De complimenten van visagiste Sanne (‘Je ziet er fantastisch uit!’). De complimenten van scriptgirl Kim (‘Jij hebt mijn droombaan!’). De taxi die haar elke dag van huis ophaalt. De schone handdoeken en pepermuntjes in haar kleedkamer. En de assistenten! Al die Demi’s, Kimmen, Kevins en Sannes (vier Sannes!) die rennen voor de regisseur, al die achteloos mooie jonge jongens en meisjes afkomstig uit dezelfde jongens-en-meisjesfabriek die met tomeloze energie haar kleren strijken, haar koffie halen, haar uien snijden, die lange dagen maken, hun leven geven om bij de televisie te mogen horen, bij haar, bij deze droombaan. Ze dempen haar drang om zich te verzetten tegen de vreemde outfits, het bovenmaatse kookeiland, de kant-en-klaarproducten van de sponsor die ze niet wil gebruiken, de knipoog die ze niet meent.

Achter het decor hoort ze Mike en Herman fluisteren.

‘Er is iets met haar haar. Kan Demi daar niks aan doen?’

‘Ze moet gewoon nog wat wennen, Mike. Kilometers maken.’

‘Er mist iets.’

‘Drinkt ze cassis? Gooi er een glas wijn in. Echt, met drank op is ze een stuk losser. En aardiger.’

‘Misschien moet er een BN’er bij?’

‘Ze is moe. Sanne kan haar wallen bijwerken.’

‘Nigella is afgevallen, dat zou bij haar ook geen kwaad kunnen.’

‘Ze is authentiek, Mike.’

‘Haar gewicht is wel érg authentiek, Herman.’

Betty neemt nog een slok. Ze kan de naam Nigella niet meer horen. Nog even en ze gaat haar lichtend voorbeeld haten. Afvallen. Ha!

Ze staat op. Sanne dept concealer en poeder onder haar ogen. ‘Je ziet er fantastisch uit,’ zegt ze. Waarom zegt iedereen dat? Dat zeggen ze niet tegen iemand die er echt fantastisch uitziet. Betty kijkt naar het decor. Het is haar keuken niet, hoe ze ook hun best doen. Ze mist de vlekken op haar fornuis, de afgebroken knop van het derde laatje, de muizen. Een Sanne zou zo’n muis in een kooitje moeten klaarzetten, en af en toe uit z’n tredmolen halen om van links naar rechts over het aanrecht te laten rennen. ‘Sanne! Uit beeld!’ roept Mike. Een andere Sanne zet een vers wijnglas met cassis op het aanrecht.

Herman loopt langs en knipoogt. Betty kan niet meer terug knipogen. Nog twee dagen opnames. Ze slaat beide handen voor haar gezicht.

De muis in de keuken, dat ben ik.

Als Betty ’s avonds weer in haar eigen keuken staat, lijkt het er wel net zo vreemd als in de tv-keuken. Ze weet ineens niet meer hoe ze moet koken. Ze heeft geen honger. Ze eet niet meer voor het slapengaan.

’s Nachts wordt ze wakker van het geluid van haar muizen. Nu heeft ze wel honger. (‘Trek,’ hoort ze haar moeder zeggen. ‘In de oorlog hadden we honger. Jij hebt trek.’) Ze loopt naar haar ijskast. Ze vindt een potje mierikswortelsaus, een halve beschimmelde citroen, een bosje versopte koriander. Ze hoort de muizen achter de keukenkastjes en denkt aan Een roos van vlees van Jan Wolkers, waarin een man vijf babymuisjes levend in de kokende olie gooit en ze voorschotelt aan de vriendin die hem onverwacht bezoekt. Ze heeft toch maar geen honger. Ik zie er fantastisch uit, maar weet niet meer wat ik voel.

Betty doet het licht uit. Nu ziet ze niets meer. Waar sta ik?

Er is het felle licht van de schijnwerpers.

En er is het donker, waarin fluisterend de waarheid wordt gezegd.