Feuilleton
Ze wou dat ze het kon: net zo gretig ‘ja!’ tegen alles zeggen als Vlinder vandaag doet. Ja! Er moet gespeeld – gedaan-alsof vooral, alsof Vlinder geen bijna-vijfjarige is maar een volwassen koningin, of zeemeermin, of K3-zangeres, en Betty niet haar volwassen kindermeisje maar een kind dat net zo graag speelt als zij, net zo optimistisch is, zo gretig. Ja! Betty is koning Willem-Alexander, ja! Ze is SpongeBob, of Kristel, of Josje, of hoe die andere K3-deernes ook mogen heten, overigens ook volwassen vrouwen die doen alsof ze de hele dag in een roze meisjeswereld leven. Vond ik K3 verschrikkelijk? Hoe heb ik dat kunnen vinden? In de wereld van K3 is alles dik in orde! Kijk Vlinder stralen als ze ze hoort! Kijk ons blij zijn als we meezingen! Ja! Het lievelingslied van Vlinder en Betty, gezongen in een haarborstel voor de spiegel, net als Tracy Ullman vroeger in de videoclip van ‘Breakaway’ – ja! ook Betty heeft haar meisjesdromen –, luidkeels, uit volle borst, met hart en ziel, ja! Ja! Ja!
‘Je hebt een vriend (als je lacht, als je huilt zeg m’n naam)
Iemand die voor jou door vuur gaat (ik ga voor jou door het vuur)
Elke dag weer voor je klaarstaat (elke dag weer)
Voor altijd aan je zij, je hebt een vriend (als je lacht, als je huilt zeg m’n naam)
Iemand die je nooit alleen laat (ik laat je nooit meer alleen)
Met jou de toekomst tegemoet gaat (elke dag weer)
Geloof me maar, je hebt een vriend in mij!’
En direct door! Verder spelen! Ja!
‘En dan gingen we op vakantie en dan ging jij mee in het vliegtuig…’
‘Vlinder, ik ga niet mee op reis, je gaat met papa en mama en Storm.’
Grote ogen. ‘Waarom ga jij niet mee?’
Mag niet van je moeder. ‘Ik moet werken, meisje. Een kookboek schrijven. Wat moet er in het kookboek? Zeemeerminnensoep?’
‘Ja!’
Het is zo makkelijk, zo fijn, ja zeggen, ja! ja! ja!
Waarom zei ik dan nee tegen de man met het communistenjasje?
Betty had niet gedacht dat ze hem nog eens zou zien. De afgelopen twee jaar had de man met het zwarte manchester communistenjasje een paar keer haar pad gekruist, per ongeluk, een verdwaalde babyboomer die je zijn witte sokken en linnen tasje van zijn lijf zou willen slaan om hem eens een degelijke make-over te geven. Maar voor ze eraan toe was gekomen om dat ook maar te overwegen, was hij er telkens in geslaagd om haar na een terloops praatje binnen de kortste keren een paar confronterende vragen over haar leven te stellen, bemoedigend toe te spreken en vervolgens weer te verdwijnen.
Ze had hem sinds Kerst niet meer gezien. Tot vorige week, op het Centraal Station, waar ze naar de vertrekkende Thalys zat te kijken.
‘Zo,’ zei hij. ‘Ga je alweer naar Parijs?’
‘Hé! Eh nee. Ik ga nergens heen. Ik heb net m’n moeder uitgezwaaid.’
‘Naar Parijs?’
‘Naar Alkmaar.’
‘De trein naar Alkmaar vertrekt van perron 8. Dit is perron 14.’
Scherp. ‘Gaan we bijdehand doen?’
Hij ging naast haar op het bankje zitten. ‘Gaat het wel goed met je?’
Weer zo’n vraag. Waarom stelt hij die altijd als ik het antwoord niet weet? ‘Heel goed. Ik heb een vrije dag.’
‘Heb je niks beters te doen? Waarom zit je niet lekker in de zon? Ik kan me herinneren dat je een mooi dakterras hebt.’
Hoe weet-ie dat? O ja, hij was in mijn huis, met Kerst. ‘Ik zit hier goed.’
Hij rommelde in zijn tas, haalde er twee blikjes bier uit. ‘Wil je?’
Ordinair, bier uit een blikje drinken op een station. ‘Lekker.’
Hij proostte. ‘Vertel me nou maar eens waarom je zo ongelukkig kijkt. Heeft iemand je geslagen, bestolen, gekwetst?’
Hij doet het weer, had ze gedacht. En toen was ze weer eens leeggelopen, over Jonas die met Storm in de tuin bivakkeert, over Roos die er bijna nooit is, over Vlinder. ‘En nu mag ik niet mee op vakantie. Terwijl: ik moet voor Vlinder zorgen.’
‘Is dat zo?’ vroeg hij droogjes. ‘En wie zorgt er voor jou?’
Vlinder. Ze zweeg. De wijzer van de stationsklok versprong drie keer.
Om vijf minuten over vijf schraapte de man met het communistenjasje zijn keel. ‘Over veertien minuten vertrekt m’n trein,’ zei hij. ‘Als je toch niets beters te doen hebt, kun je nog mee naar Parijs.’
Roos komt thuis, vroeger dan normaal. Betty hoort haar de trap op komen en naar Vlinders kamer lopen. Daar staat ze in de deuropening. Vlinder rent haar met rode wangen tegemoet, Roos doet haar armen wijd, Vlinder laat zich erin vallen, ze zingt ‘Mama, mama, je hebt een vriend in mij!’
Roos straalt. Ze kijkt Betty aan. Ze zegt: ‘We hebben het erover gehad, Jonas en ik, we gaan de taken anders verdelen. Vanaf volgende week hebben we je niet meer nodig.’
Betty vindt ineens dat ze er nogal belachelijk bij staat, met die haarborstel in haar hand.
‘Hier is mijn telefoonnummer, als je je bedenkt,’ heeft hij gezegd.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.