Feuilleton
Linda de Mol kijkt Betty aan, met triomf in de strakgetrokken ogen en een vastberaden trek om de lippen, gefixeerd door een stevige portie botox. Vanuit een gouden lijst staart ze naar Betty, die precies tegenover haar foto is geplaatst – niet toevallig, een voorbeeld, een vingerwijzing. Linda de Mol zeurt niet over opdringerige sponsors, ze is dol op sponsors. Linda de Mol heeft het ver geschopt en dat zou ik ook kunnen bereiken als ik maar… Mike en Herman, regisseur en producent van kookprogramma Betty’s Bluf, zitten met hun rug naar Linda tegenover Betty aan tafel. Mike heeft zijn voeten, gestoken in slangenleren midlifecrisislaarzen, deze keer eens niet op tafel gelegd maar stevig op de vloer geplant. ‘Het is genoeg geweest,’ zegt hij.
Betty glimlacht. Hij mag me niet. Hij heeft me nooit gemogen.
‘We hadden twintig afleveringen gepland, we hebben er nu vijftien gedraaid, maar de sponsor draait de kraan dicht.’
Hij liegt. Hij wil zelf van me af. Ik ben te lastig.
‘Ze willen misschien nog een serietje met een jongere presentatrice.’
Niet te lastig, te oud. Betty kijkt naar Linda. Eeuwig vijfendertig, dat wil Linda zijn, heeft ze gezegd bij ‘Pauw & Witteman’, ze vindt borstkanker een goed onderwerp voor haar magazine ‘omdat zoveel vrouwen daarmee te maken krijgen’ maar de overgang niet, ‘niet sexy’, alsof borstkanker dat wel is, alsof de overgang iets is waar vrouwen als zij niet mee te maken krijgen. Linda slaapt ’s nachts in een grote Tupperware-doos en gelooft dat ze zelf nooit ouder wordt.
Herman zweet een beetje. Hij is te dik, hij eet te veel, Betty heeft hem eens op de set zien snoepen van de koekjes die met lak glanzend waren gespoten om ze er beter te laten uitzien, dat wist hij, en toch at hij ervan. Hij pulkt aan een loszittend stukje linoleum van het tafelblad, alsof hij er zijn tanden in wil zetten. Hij kijkt haar niet aan.
Dit is precies wat ik wou, denkt Betty. Hiermee ophouden. Weg van die televisiepoppenkast, geen slaaf meer zijn van een sponsor die wil dat ik saus uit een pakje maak. ‘Maar ik wil dit niet,’ zegt ze. ‘Ik heb een contract.’ Speel het spelletje, heeft Ed gezegd. Zij weten niet dat jij hier weg wilt, zorg dat je het onderste uit de kan haalt. Dat ze geloven dat jij benadeeld wordt.
Herman gaat rechtop zitten en kijkt haar aan. ‘Oké,’ zegt hij. ‘Fair enough. We betalen je volledige honorarium uit.’
Mike trekt een wenkbrauw op. Betty is opgelucht. Het is gelukt, daar mag ze trots op zijn, ze is vrij, ze hoeft niet meer naar een studio om dingen te doen waar ze niet achter staat, ze kan doen wat ze graag doet, waar ze goed in is: schrijven, koken, mooie dingen zien. Terug naar haar eigen wereld, waar ze uit moest omdat ze zo nodig een merk moest worden.
Maar de trots en opluchting worden snel verdrongen door een hinderlijke gedachte. Fair enough? Dit hoeft hij helemaal niet te doen. Hij is gewoon aardig voor me.
Ze voelt Hermans liefdevolle blik op haar rusten – vaderlijk, bijna.
Hij geloofde in mij, hij heeft zijn best voor mij gedaan. Ze kijkt naar de twee mannen tegenover haar: de één haat haar, de ander is teleurgesteld. Ze heeft gekregen wat ze wou, maar ze wil niemand teleurstellen, ze kan helemaal geen spelletjes spelen, ze wil zich geliefd weten, ze wil geprezen worden, ze wil dat mensen haar aardig vinden, alle mensen, zelfs mensen die ze vervelend vindt, ze wil dat zure ingezondenbrievenschrijvers van de krant haar prijzen, ze wil aantrekkelijk zijn voor elke kantoorlul in de tram die naar haar kijkt, ze doet aardig tegen opdringerige Jehova’s getuigen, ze doet lippenstift op als ze naar de slager gaat terwijl ze de man niet eens mag, ze wil een glimlach op het gezicht van Mike toveren en de beteuterde blik van Herman uitvlakken. Ze heeft het gevoel dat ze een standje krijgt, dat ze een kind is dat voor Sinterklaas staat – voor twee Sinterklazen! – en ze wil beloven dat ze een braaf meisje zal zijn, dat ze zal gehoorzamen, dat ze sauspoeders en magnetronmaaltijden met heel haar hart zal aanprijzen. Mike kijkt haar misprijzend aan. Herman glimlacht. Good Sint, bad Sint. Betty recht haar schouders. ‘Oké,’ zegt ze. ‘Fijn, dank je, Herman.’ Ze belooft geen gehoorzaamheid. Ze gelooft immers niet meer in Sinterklaas.
Betty denkt terug aan vorige week, toen ze de kinderen van Jonas en Roos had meegenomen naar de stadsdeelraadsinterklaas (Jonas had een meeting, Roos een cursus ‘mindful de feestdagen in’ en de nanny weigerde mee te werken aan dit neokolonialistisch-imperialistisch-racistische feest). Een diepgelovige vier- en een zesjarige, het was jaloersmakend geweest. Met verwachtingsvolle blik op de slordig zwartgeschminkte gezichtjes hadden ze dicht genoeg tegen haar aan gezeten om even het nare, lege gevoel op te roepen dat ze altijd heeft als ze te lang naar een draaimolen op de kermis blijft kijken.
‘Geloof jij in de Kerstman? Nee, hè. De Kerstman is een verklede man,’ had Storm tevreden geconstateerd, nadat hij eerst vol ontzag een liedje voor de Sint had gezongen.
‘Nee, ik geloof niet in de Kerstman,’ had Betty gezegd. Waar geloof ik nog wel in? ‘Maar wel in Kerstmis.’
En toen geloofde ze warempel dat ze daar haar eerste opvlieger kreeg.
Vrij Nederland verloot vijf exemplaren van het boek ‘Betty’. Wilt u kans maken op een exemplaar? Ga dan naar www.vn.nl/verloting
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.