Feuilleton

Tegen de achtergrond van een strakblauwe zee, voor een zorgvuldig gedesignd bamboehuisje en enkele goedgemikte palmen, zitten Jonas en Roos met de kinderen op een goudgeel strand. Allemaal in kleermakerszit. Allemaal met een kerstmuts op het hoofd. ‘Een zonnige kerst en een rijk en mindful 2013’ staat er over het zand heen geshopt. Ze bedoelen dat ‘rijk’ natuurlijk in innerlijke zin. Not, denkt Betty, die verbijsterd naar de kerstkaart staart. Er is nog wel meer geshopt, ziet ze: Roos’ taille is zodanig ingenomen dat ze elk moment doormidden kan breken en Jonas’ bierbandje is nergens te bekennen. Godzijdank hebben ze aan de kinderen nog niks verbouwd: Storm kijkt tobberig door zijn brilletje in de lens (Mahatma Gandhi meets Geert Mak) en Vlinder is met haar vierjarige vetrolletje een vintage Boeddha – met snottebel.

Maar dat is niet wat Betty het meest verontrust. Jonas en Roos zijn gewoon in Amsterdam deze kerst, dat weet ze, ze had laatst Jonas nog aan de lijn die mopperde over de crisis bij zijn reclamebureau GreedForGreen (‘Ook wij hebben last van de crisis, Betty. We kunnen niet eens op wintersport.’) Deze foto is van de zomer genomen, toen het gezin met nanny in een prijzig ecoresort op Bali verbleef. Betty ziet voor zich hoe Roos aan de vooravond van de vakantie de koffers heeft gepakt. Yogamatje erin, iPod met zeegeluiden, Marlies Dekkers-bikini, de laatste Paulo Coelho, niet-schuimende ecoshampoo. En vier kerstmutsen. Vier kerstmutsen! In juli! Roos heeft haar leven tot in de puntjes gepland, ze weet wat ze wil en ze zorgt dat ze het krijgt: goedverdienende man, eigen praktijk als spiritueel coach (twee dagen in de week, meer is echt te druk), nanny, kinderen op een witte school, een businessplan om nog rijker (van binnen, natuurlijk. Not.) te worden, een slim beleggingsplan voor haar pensioen over vijfendertig jaar, en vier kerstmutsen in de koffer.

Ik heb geen doel, denkt Betty. Ze legt de post neer en stoot haar elleboog gemeen tegen de hoek van de tafel.

Nu de opnamen van haar tv-kookprogramma voorbij zijn, trekt Betty zich terug op haar zolderetage en verzamelt blauwe plekken. Na al die tijd in de grote studio, waar haar keuken zogenaamd exact was nagebouwd maar in werkelijkheid twee keer zo groot was, blijft ze zich stoten aan haar aanrecht, haar fornuis, haar keukentafel. Alice in Wonderland die een hapje te veel van een vreemde paddestoel heeft genomen. Alles is kleiner. Of ben ik gegroeid?

Ze moet haar draai weer vinden, en daarom kan ze het beste alles zo snel mogelijk weer bij het oude laten zijn, besluit Betty. Ze zet zich aan haar culicolumn voor de krant (‘Plan uw boodschappen lang voor de kerst!’) en vraagt Theo om opdrachten voor de cultuurbijlage.

‘Ik wil niet alleen over eten schrijven, Theo. Er is een expositie…’

‘Verf, aardappelen, tutu’s, allemaal cultuur, allemaal hetzelfde, allemaal evenveel waard. Waarom wil je toch altijd over kunst schrijven, Betty, wat zijn dat voor nuffige meisjeswensen? We moeten bezuinigen, schat, ook op freelancers. In maart komt je programma op televisie en dan kun je ten volle genieten van je status als culikoningin. Ik moet van de hoofdredacteur zelf de kunstkolommen vullen, tegenwoordig. Heb je nog tips, by the way?’

De wereld wordt kleiner. Iedereen zorgt voor zichzelf. Nou ik nog.

Wat nou ‘alles bij het oude’. Betty zal minder stukken voor de krant mogen schrijven. Ze zal een plan moeten trekken. Misschien moet ze Jonas weer eens om een lucratief reclameklusje vragen, al kan de arme jongen niet meer op wintersport en heeft hij daarmee de Amsterdam-Zuid-armoede­grens bereikt. Misschien moet ze eens wat meer bonnetjes declareren. Zou Theo me geloven als ik zeg dat ik naar Zwolle ben verhuisd?

Betty peinst. Een doel. Ik moet een doel. Een plan. Weer stoot ze zich aan de punt van de keukentafel. Hij is ook veel te groot, denkt ze terwijl ze zich voelt krimpen. Ze heeft het ding aangeschaft met grote verwachtingen die iedereen heeft die zo’n lange tafel aanschaft: dat dit ding massa’s vrienden en familie in haar huis zou brengen, avond aan avond lachend en etend en haar toedrinkend – Italiaanse toestanden, die niet helemaal te rijmen zijn met haar verlangen om alleen te zijn. Het meeste leven rond deze tafel speelt zich ’s nachts af, wanneer de muizen er hordenloopwedstrijden op houden.

Een plan, een plan. Een kerstdiner, op tweede kerstdag! Hier. Met iedereen. Niet nadenken, meteen gaan bellen. Betty gaat aan tafel zitten met de telefoon en voelt zich weer groeien bij deze gedachte.

Ze belt Floor, die enthousiast is. Anna, die wil komen met Frank en de kinderen. Jonas en Roos, die alleen komen als ze ook vegetarisch en glutenvrij kookt. Haar moeder, die zoals altijd roept: ‘Kind, je komt eerste kerstdag al bij mij, het is echt niet nodig, hoor, ik zorg wel voor mezelf,’ maar die zich makkelijk laat overhalen. In een vlaag van generositeit belt ze zelfs David, die gelukkig niet opneemt.

Aan het eind van de avond drinkt Betty zichzelf eens toe, alleen aan de grote tafel. Een doel. Ze heeft een doel, al is het klein. Iedereen zorgt voor zichzelf, maar ik zorg voor iedereen.

Met dank aan John Tenniel