Feuilleton
Ramen open, denkt Betty. Zou dat mogen? Plotseling is het lente geworden, weliswaar alleen volgens de meteorologische kalender, maar de bijtende kou is uit de lucht, vogeltjes kwetteren of hun leven ervan afhangt (dat doet het natuurlijk ook), de paaseitjes die al sinds januari in de winkel liggen zien er voor het eerst niet meer belachelijk uit maar best wel lekker en de kranten reppen weer eens over de nadering van rokjesdag. Het huis van Jonas en Roos, waar Betty nu alweer een paar dagen op de kinderen heeft gepast, komt haar ineens benauwd voor. De geur van lentebloesem hangt wel in de huiskamer, maar is afkomstig van een dure Dyptique-geurkaars.
Betty aarzelt. ‘Make yourself at home,’ heeft Roos gezegd. ‘Ik wil dat je deel van het gezin bent. Je moet je vrij voelen in dit huis.’ Maar naast de geschreven ‘huisregels’ van Roos die op de ijskast hangen, zijn er vele ongeschreven regels die ze nog niet kent, vele verboden in dit huis waarin ze zich vrij moet voelen. En elke dag zit er wel een nieuw memopapiertje onder de regels op de ijskast geplakt, met een tekst die Betty doet vermoeden dat er een nannycam verborgen zit in de navel van Vlinders knuffelboeddha. ‘Storm en Vlinder moeten ALLEBEI een helm op in de bakfiets.’ ‘GEEN alcohol voordat we thuis zijn.’ ‘Zorg dat je alleen GEFILTERD water gebruikt voor de kinderen.’ ‘Storm eet GLUTENVRIJ.’ ‘Er staat een magnetron, maar gebruik hem NIET.’ Wat zou er kunnen gebeuren? En waarom staat-ie er dan? ‘Altijd ook het traphekje ONDERAAN de trap dichthouden, en het traphekje voor de achterdeur. Voor de VEILIGHEID.’
Het raam gaat niet open. Er zit een veiligheidsslot op.
‘Is de kamer en de keuken één kamer?’ vraagt Storm. De woonkamer loopt uit in een imposante eetkeuken met kookeiland en beslaat de ruimte van vier normale kamers, dus Betty zegt: ‘Twee.’
‘De woonkamer. De keuken. De gang, is een gang een kamer?’ Betty kijkt schattend de gang in, waar haar eigen woonkamer en keuken ruimschoots in passen: ‘Ja. Is ook een kamer.’
‘Mama’s yogakamer. Papa’s werkkamer. Mijn slaapkamer. Vlinders slaapkamer. Papa-en-mama’s slaapkamer. Jo-Anns kamer. De badkamer, is dat een kamer?’
Een balzaal. ‘Mja.’
‘Tien kamers,’ zegt Storm. Hij schrijft ‘10’ op in het schriftje dat hij altijd met zich mee zeult en zucht voldaan. Je doet hem geen groter genoegen dan hem te voeren met getallen: ‘Die auto kan tweehonderd kilometer per uur. De aarde is eh… hoe oud? Die zoeken we op. Jij bent zes jaar oud, en ik, ja, rub it in, zevenenveertig. Het is vijftien stappen van het aanrecht naar de bank, drie stappen minder dan toen je vijf was.’ Storm schrijft het op en vat zijn wereld in cijfers.
Betty dwaalt door het huis en noteert: zestien kindertekeningen in strakke zwarte lijsten aan de muur van de gang. Nul salontafels, want salontafels zijn truttig, dan zet je je kopje thee maar niet ergens neer. In de badkamer: één potje Crème de la Mer, zo duur dat het wel moet werken, één geitenharen scrubwashand. Twee deuren op slot: Roos’ yogakamer en de kamer van Jo-Ann, de weggestuurde nanny. Twee deurstoppers in de keukenkastjes, één fornuishekje, één ovenstopper, negentien stopcontactbeveiligers, twaalf ‘fingeralert’ deurstrips, vier cornerprotectors om de eettafel. Vele, vele foto’s van het gezin – stralend op Bali, blakend op een Zwitserse alp, sportief op een zeilboot – die doen denken aan de officiële fotomomenten van de koninklijke familie. Overvloedig veel tekenen van bodemloos gezinsgeluk: voorleesboeken bij het ouderlijk bed, knuffels van Vlinder, familiefilms op dvd, een miniparapluutje met lieveheersbeestjes, een kindertekening (aan de aandacht ontsnapt en niet in een lijst beland) van een nuclear family onder een stralende zon.
En elf traphekjes (twee bij de trap, negen voor gewone deuren!), die dit gezinsgeluk binnen moeten houden, en het onheil buiten.
‘Blijf je eten?’ vraagt Roos als ze thuis is. Dat betekent, weet Betty inmiddels: blijf je koken? Ze vindt het niet erg, ze houdt van koken, ze doet meteen stof op voor haar culicolumn.
‘Niet in de magnetron, hè?’ roept Storm angstig.
O god. Hij leest die memo’s. ‘Nee, hoor, lieverd.’
‘Ach…’ zegt Jonas.
Roos verstrakt. ‘Het is niet natuurlijk.’
‘Straling is óók natuurlijk,’ zegt Jonas triomfantelijk.
‘Je kunt niet zomaar alles in een magnetron stoppen.’
‘Geen ei, hè, pap.’ Storm glimt. ‘Een ei ontploft in een magnetron, hè.’
‘Ja. Een ei is beschermd door een ondoordringbare schaal. In een magnetron raakt-ie van binnen in de war. En dan ontploft-ie.’
Betty geniet. Dit is het moment waarop ze heeft gewacht, het tijdstip waarop ze deel wordt van die onbeschrijflijke gezinsdynamiek, dat drukke gepraat, gezeur, ge-onderhandel over bedtijd en wel of niet iets lusten, samen zomaar aan tafel zitten, met een half woord een grapje begrijpen. We zijn een gezin. Ik hoor erbij. Ik zit in het ei.
Wanneer ze later op de avond haar fiets pakt, voelt ze de winterkou en hoort ze hoe Jonas het veiligheidsslot op de deur draait.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.