Feuilleton
Betty is alleen. Jonas zit deals te sluiten op zijn reclamebureau, Roos zal wel iemand voor veel geld een spiritueel adviesje geven, hun kinderen zitten de komende twee uur nog op school, voordat Betty ze weer moet ophalen. Ze zou naar haar eigen huis kunnen gaan om een stukje voor de krant te tikken, maar dat kan morgen ook nog. Ze heeft de sleutel van het huis van Roos en Jonas, ze is teruggegaan nadat ze de kinderen op school heeft afgezet, het is stil, en een beetje koud, er is niemand. Ze loopt door het huis, van kamer naar kamer. Ze wil zichzelf weer horen denken, ze kan alleen goed denken als ze alleen is, ze zou het bijna vergeten nu ze zich zo onderdompelt in het nannyschap, in dit gezin: ze is graag alleen. Ze is hier in de hoop dat dit huis haar iets kan vertellen.
Er is iets, denkt Betty, terwijl ze doolt tussen de veiligheidstraphekjes, de perfecte designmeubels, de ijskast met huisregels, de perfect gestylede kinderkamers, de smetteloze ouderslaapkamer, Jonas’ chaotische werkkamer. Ze ziet de glanzende veelbelovendheid van de twee succesvolle dertigers-met-kinderen, hij een topbaan, zij een het-moet-wel-leuk-blijven-baantje, hij de moderne vader die zo vaak zijn kinderen op sleeptouw neemt, zij de slanke, strakke jonge vrouw met zonnebril op het hoofd die haar overvloedige vrije tijd vooral buitenshuis doorbrengt en de kinderen grotendeels aan een gehuurde kracht overlaat – Betty, dus.
Er is iets. Betty loopt langs de afgesloten deur van de kamer van de vorige nanny – Blauwbaard! Ze staat stil voor de deur van Roos’ yoga/meditatiekamer, die niemand ooit van binnen ziet omdat-ie van Roos alleen is, en altijd op slot. Ze hoort het regelmatige, routineuze ‘niet tegen mama zeggen’ uit de mond van Jonas, Storm en zelfs de vierjarige Vlinder, en het achteloze ‘Betty, ben jij papa’s nieuwe vriendin?’ van Storm. Ze ziet het verwijt in Roos’ ogen, dat Jonas met de kindermeisjes zou rommelen – godmagweten wat ze van mij denkt. Maar waar loopt ze nou naar te zoeken? Natuurlijk is dit gezin niet perfect, dat is geen enkel gezin, geen enkel huwelijk. Ruzietjes, jaloezietjes, niks bijzonders. Ze kijkt naar Vlinders tekening van het gezin onder de zon, tussen de bloemen. Ze blijven gewoon bij elkaar. Ze horen bij elkaar.
De vraag is eigenlijk: hoort Betty er ook bij? Of staat ze alleen? En zo ja, is dat erg? Ze vindt het toch fijn om alleen te zijn? Waarom wil ze dan toch zo onder de huid kruipen van dit gezin?
Pas als ze voor de derde keer langs de deur van Roos’ kamer loopt, ziet ze het: in het sleutelgat steekt een sleutel.
I k heb hier natuurlijk niets te zoeken. Dit is een foutje van Roos.
Eén glimp heeft ze vorige week van deze kamer gezien. Ze zag eigenlijk niks. Toen deed Roos de deur dicht.
Voorlopig komt er niemand. Ik kan best even kijken.
Zachtjes (belachelijk, alsof iemand het kan horen) doet Betty de deur open. Ze stapt de kamer binnen en kijkt om zich heen. Wat ze ziet, is een droom. Werkelijk alles is wit. De vloer, de muren, de glanzende kastdeuren, de donzige kussens en matrasjes en yogamatjes op de vloer, de kaarsen, de gordijnen, het theeservies. Witte bloemen drijven in een schaaltje van dun wit porselein.
Betty begrijpt direct waarom Roos hier zo graag zit, en waarom er niemand anders mag komen. Hier heerst een onaardse rust, een sereniteit die onmiddellijk verstoord zou worden door een kind, een man, een nanny. Ze doet haar schoenen uit en zet ze op de gang, doodsbang om de vloer te ontmaagden. Ze moet zelfs even de gedachte opzijschuiven dat ze rood afgeeft. Even zitten. Even maar.
Zachtjes laat ze zich op een groot kussen zakken, als vanzelf in kleermakerszit, en sluit haar ogen. Er is niets, denkt ze. Niets.
Roos lijkt meer op haar dan ze dacht, in dit diepe verlangen om alleen te zijn. Als ik zo’n kamer had, zou ik ook moeiteloos zuiver gaan leven, met Deens bronwater en geen conserveringsmiddelen en geen suiker en geen vlees. Ik zou he-le-maal tot rust komen. Ik zou net zo slank en lenig en mooi worden als Roos. Ik zou een goed mens worden.
Als ze haar ogen weer opent, wordt ze verblind door het wit. Alleen uit een la piept een rood dingsigheidje. Ze zit direct plannen te maken om haar eigen huis eens helemaal wit te maken. Alle rommel weg. Alles afdekken en een klein bommetje in een grote emmer witte verf stoppen, zoals in die ene Mister Bean-aflevering. Niks aan de muren – nou ja, een Schoonhoventje –, weinig in de kast. Van die dunne, wapperende witte gordijnen. En dan maar zitten op een wit kussen, in zo’n duur wit yogahemdje, en aan niets denken.
Betty blijft nog een tijdje zitten, staat dan op en doet de la open om dat storende rode dingetje weg te halen.
Het is de hoek van een zak paprikachips.
De hele la ligt vol paprikachips. Van de Lidl.
Ze trekt de volgende la open.
Roze koeken. Borrelworstjes. Minimarsen.
Volgende la: een reusachtige bonbondoos.
In de bonbondoos: tientallen, tientallen briefjes van honderd.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.