Als in een aflevering van Ik vertrek, ging de emigratie naar Spanje van de zus van Arjan Visser helemaal mis en belandde ze met haar gezin in de cel. Visser wil haar verhaal optekenen, maar stuitte op een familiegeheim dat hij alleen als fictie kon oplossen. 

Dit had een reportage moeten worden. Over Nederlanders in Spaanse gevangenissen, over de tierige, maar weinig doortrapte hasjhandel van Hollandse gelukszoekers aan de Costa del Sol of, nou ja, eigenlijk vooral over mijn jongere zus die met haar gezin in het Centro Penitenciario van Alhaurín de la Torre belandde.

Een verhaal uit de eerste hand.

Ik dacht dat zoiets mogelijk was; dat het mij, cru gezegd, als een gelukje in de schoot geworpen werd. Zo dicht in de buurt van een groot persoonlijk drama was ik als journalist nog niet geweest. Mijn zus en haar man wilden graag meewerken, ook al hadden zij aanvankelijk een andere insteek in gedachten. Het was hun vooral om het onrecht te doen. Ze zagen graag dat ik een aanklacht zou schrijven tegen het malafide Spaanse rechtssysteem. En ik had meteen, die allereerste keer dat ik in de gevangenis op bezoek was, iets anders gezien. Terwijl mijn zus achter de dikke glasplaat van de bezoekersruimte met grote, betraande ogen de hoorn in haar hand nam en wachtte tot de cipier het intercomsysteem in werking zou stellen, dacht ik terug aan de zomervakanties van onze jeugd aan de Costa Blanca.

La Pantera Rosa

Mijn vader was importeur van groenten en fruit. Eind jaren zestig kwam hij in contact met een sinaasappelboer in Gandia. De mannen deden goede zaken en raakten op elkaar gesteld. Al na een jaar werd er een appartement aan de playa geregeld voor het gezin. Daar mochten we zes weken lang gebruik van maken. We waren, in die Franco-jaren, zo’n beetje de enige buitenlanders aan de kust. Het zandstrand was lang en breed, er stonden her en der kraampjes waar we frisdrank kochten of snoep dat we in Holland niet konden krijgen – ik herinner me nu ineens een cakeje met een vulling van crème en aardbeienjam, gehuld in roze fondant en verpakt in folie waarop La Pantera Rosa stond afgebeeld – maar ook grote strandtenten waar we ’s middags paella aten en mijn ouders vrolijk werden van de sangria.

Visser (15) in Playa de Gandía

’s Avonds flaneerden we over de boulevard. In het donker ruiste zacht de branding. Wij vormden een attractie voor de dorpelingen, maar zij waren het evengoed voor ons: als kermispoppen verklede baby’s – moesten die niet naar bed? –, druk gebarende mannen, opgedofte vrouwen en langzaam sjokkende ouden van dagen, helemaal in het zwart gekleed. De terrasjes zaten vol. We dronken horchata, we aten gesuikerde amandelen. Ik kan alles terughalen: de zoete geuren, de zon op mijn huid, de zee, de golven, de vrijheid. Die weken in Playa de Gandia waren de mooiste weken van het jaar. Zo ligt die tijd ook opgeslagen in het collectieve geheugen van ons gezin, als een verzameling van momenten waarop we volmaakt gelukkig waren met z’n allen.

Tropische vogeltjes

Ik vermoed dat mijn zus daaraan heeft gedacht toen ze een paar jaar geleden besloot naar Andalusië te emigreren. Mijn zwager had al jaren moeite om als kleine zelfstandige in de bouwwereld het hoofd boven water te houden en toen hij op een avond zijn voortdurende misère met een goede vriend besprak, raadde deze hem aan zijn hart te volgen; hij zou eigenlijk van zijn hobby zijn werk moeten maken. Iedereen heeft toch een hobby? Nou dan. Wat is die van jou? Ik hou mijn leven lang al van tropische vogeltjes, antwoordde mijn zwager. Daar was op het Iberisch schiereiland veel geld mee te verdienen, zei de vriend. Im- en export van putters, sijzen en kneuters: gouden handel. Het was de uitkomst van een simpele rekensom. Het was de terugkeer naar het paradijs.

Het was een vergissing.

Net zoals de halve overname, een paar maanden later, van een café in Torremolinos. Het lukte mijn zus en zwager niet om rond te komen. Daarom lieten ze zich overhalen om in de hasjhandel te gaan. Het mocht niet, maar ach, iedereen deed het.

Er was al voor tien kilo wereldwijd verkocht toen de Guardia Civil een inval deed in hun villa, de handel in beslag nam en mijn zus met haar man en zoon in de gevangenis van Alhaurín de la Torre smeet. Daar zaten ze, in afwachting van een proces. Het kon maanden duren voordat ze te horen zouden krijgen welke straf er werd geëist. Volgens hun advocaat, een Nederlander die in Spanje werkt, moesten ze rekening houden met een flinke duw.

‘In Nederland zou je voor zo’n vergrijp na een standje weer buiten zijn gezet,’ zei mijn zus. Ze had de verongelijkte blik van mijn vader. Misschien maakte ze wel dezelfde fouten als hij. Mijn vader was ook iemand die zaken te rooskleurig of te zwartgallig inzag. Om zijn zakelijk talent wordt hij niet herinnerd, maar dat hij altijd alles goed bedoelde, zal niemand in twijfel durven trekken. Dat vond ik meteen zijn onhebbelijkste kant, want hoe kun je iemand die zich voortdurend op zijn goede bedoelingen beroept ooit nog iets kwalijk nemen? Hij gaf te veel geld uit, nam grote risico’s, bracht zijn gezin in financiële moeilijkheden, maar het was zelden zijn schuld. Anderen hadden hem bedrogen of tekort gedaan. Ik herinner me een moment waarop hij op de bank in de voorkamer met zijn hoofd in zijn handen zat te wiegen op de muziek van Bob Marley. Don’t worry about a thing. ’Cause every little thing is gonna be allright. En hoe de tranen over zijn wangen stroomden.

De bevende stem van mijn zusje. ‘Het was alleen om er weer even bovenop te komen. We zijn heus geen criminelen.’ Ze deed haar verhaal, ik maakte aantekeningen. Toen het tijd was om afscheid te nemen, plaatste ze haar hand tegen de ruit. Ik kopieerde haar gedrag, alsof het zo gescript stond.

Lugubere foto

Ik had de grote lijnen, haar advocaat wilde mij verder helpen met namen en adressen, maar op weg naar Holland interesseerde die hele hasjhandel mij al weinig meer en kon ik alleen nog maar denken aan de manier waarop mijn vader ons had voorgeleefd. Ik dacht aan ons grote gezin, aan het huis waarin iedereen altijd welkom was. Vriendjes en vriendinnetjes die in de problemen waren geraakt, verwaarloosde huisdieren, gestrande lifters en… Fina.

Fina was 21 toen ze bij ons kwam wonen. We kenden haar uit Playa de Gandia. Ze werkte daar samen met haar moeder, een knappe, jonge weduwe, in een souvenirwinkeltje. Volgens mijn vader boterde het niet tussen die twee. Fina was een sombere twintiger; ze wist niet wat ze met haar leven aan moest. Daarom mocht ze in de schoot van ons gezin op adem komen. Ik was elf. Ik zie de beelden uit die tijd nog wel voor me, maar ik vermoed dat het foto’s zijn, want ik er herinner me weinig meer van haar verblijf. Na een half jaar – ik kan niet zeggen wanneer precies en onder welke omstandigheden – ging Fina terug naar het dorpje aan de Middellandse Zee waar wij haar de volgende zomer nog één keer zouden ontmoeten. Daarna was ze plotseling verdwenen. Ze was samen met haar moeder vertrokken. We wisten niet waarom, we wisten niet waarheen. Het geld dat mijn vader hun, tegen mijn moeders zin in, had geleend, was hij kwijt.

De vermoorde Fina

Weer een jaar later snuffelde ik op een ochtend door mijn vaders gedeelte van ‘de witte kast’, een groot wandmeubel in onze huiskamer. Ik was waarschijnlijk op zoek naar geld of sigaretten, maar stuitte op een Spaanse krant met een lugubere foto op de voorpagina. Van bovenaf genomen. Een jonge vrouw met wijdgeopende ogen en uitgewaaierde haren. Vlekken in haar nek. Het was Fina. Ze was dood. Gewurgd. Door haar moeder. Ik geloof niet dat ik die informatie uit de krant heb; waarschijnlijk hebben mijn ouders ons verteld dat Fina was vermoord. Toch kan ik mij geen gesprek herinneren. Geen vragen, geen antwoorden. Zwegen zij omdat ik te jong was voor zo’n gruwelijk verhaal? Hield ik mijn mond omdat ik aanvoelde dat mijn ouders er liever het zwijgen toe deden?

Naïef geloof

Na mijn bezoek aan de gevangenis van Alhaurín de la Torre raakte ik alsnog, na al die jaren, haast geobsedeerd door die eigenaardige vlek in mijn geheugen en toen ik bij mijn moeder langsging om verslag uit te brengen van mijn zusters toestand in de Spaanse cel besloot ik dat het tijd was om te vragen wat er, veertig jaar geleden, met Fina was gebeurd. Ik denk dat ik onbewust al een streep door de reportage had gezet en aan een groter verhaal was begonnen.

Ik had alles goed onthouden, zei mijn moeder. Ook het verhaal van de krant in de witte kast was juist. ‘Sterker nog: ik heb die krant altijd bewaard.’ Hij lag op zolder, als ik een volgende keer langskwam zou ze hem aan mij geven. ‘Dat is mooi,’ zei ik, ‘want misschien kan ik ook iets over die geschiedenis gaan schrijven.’

Zou de ruzie die Fina fataal werd over de zwangerschap van haar moeder zijn gegaan? En was het kind van Fina’s moeder mijn halfbroer of halfzus?

‘Hoe bedoel je?’
Ik noemde de overeenkomsten tussen vader en dochter. Hun naïeve geloof in kansrijke ondernemingen, de Spaanse avonturen, hoe niets is wat het lijkt. ‘Het lijkt mij een goed idee om die verhalen bij elkaar te brengen.’

‘Dat is wel iets anders dan een reportage over de misstanden in Spaanse gevangenissen,’ zei mijn moeder. Van haar dochter, die vanuit haar cel vijf minuten per week naar één nummer in het buitenland mocht bellen, had ze begrepen dat ik daarmee bezig was.

‘Wat wordt het dan?’ vroeg ze achterdochtig. Ik vond het moeilijk uit te leggen, misschien ook doordat ik zelf ook nog niet helemaal begreep waarom ik mij hier zo in begon vast te bijten. Toen ik een paar weken later bij mijn moeder op bezoek ging, bleek ze de krant te hebben weggegooid.
Omdat het toch oud nieuws was, zei ze.

Door die actie van haar schoot ik in de volgende versnelling. Ik was er inmiddels van overtuigd dat ze iets voor mij verborgen wilde houden. De Nederlandse advocaat van mijn zus in Spanje schuimde voor mij het internet af en stuurde me een klein bericht: Fina was inderdaad door haar moeder gewurgd. Dat gebeurde na een ruzie over een minnaar die ze hadden moeten delen. De identiteit van deze man, el mismo hombre, was onbekend. Met ingehouden adem telde ik de ‘feiten’ bij elkaar op: mijn vader had Fina en haar moeder financieel gesteund, Fina was na een half jaar bij ons gelogeerd te hebben plotseling vertrokken en daarna door haar rivale omgebracht. De krant waarin ik alle details had willen lezen, werd na vier decennia en talloze verhuizingen ineens door mijn moeder bij het oud papier gegooid.

Fina’s laatste werkadres
Fatale ruzie

Ik zocht contact met de sinaasappelboer in Playa de Gandia. Hij was met pensioen, maar wilde mij via zijn secretaresse graag te woord staan. De man herinnerde zich ons gezin heel goed en mijn vader in het bijzonder. Hij wist niet meer precies hoe lang Fina’s moeder gevangen had gezeten, maar wel dat ze in 1974, het jaar waarin ze haar dochter had vermoord, nog een kind had gekregen. Die zin heb ik vaak overgelezen. Zou de ruzie die Fina fataal werd over de zwangerschap van haar moeder zijn gegaan? En als ik werkelijk dacht dat mijn vader el mismo hombre was geweest, dan was het kind van Fina’s moeder mijn halfbroer of halfzus.

Ik moest terug naar Spanje. Naar Malaga om het proces tegen mijn zus bij te wonen en naar Playa de Gandia om te achterhalen wat mijn vader daar had uitgespookt. Tijdens de voorbereiding van mijn reis probeerde ik te bedenken hoe ik deze persoonlijke informatie in een boek zou kunnen verwerken. Hoe kon ik openhartig zijn en tegelijkertijd mijn familie sparen? Ik besprak dit dilemma met Adriaan van Dis, die ik op het literatuurfestival Winternachten in de kleedkamers van het Haagse Theater aan het Spui tegen het lijf liep. Zijn boek Ik kom terug was kort daarvoor verschenen en hij voelde zich bevrijd. ‘Ik kan je zo’n moederroman van harte aanbevelen,’ zei hij en citeerde een regel uit het werk van David Vann die hij ook als motto in zijn roman had opgenomen: ‘You must sacrifice your family on the altar of fiction.’

‘Jij hebt makkelijk praten,’ antwoordde ik, ‘je was al wees toen je aan dit boek begon.’
Adriaan dacht hier even over na, hief toen zijn handen op en riep: ‘Ik heb het! Je moet gewoon je moeder in het eerste hoofdstuk vermoorden!’ Ik was niet meteen heel erg enthousiast. ‘Laat mij het dan maar doen,’ zei Van Dis.

Dat was het moment waarop zijn partner het nodig vond om in te grijpen: ‘Doe niet zo aanmatigend, Adriaan.’ Maar ik begreep die houding wel. Zijn werk was al gedaan. Ik had nog geen idee waar ik aan was begonnen.

Mondaine badplaats

Het meest overzichtelijke deel van mijn verhaal leek de rechtszaak van mijn zus te zijn. Ze was, met man en zoon, na vijf maanden op borgtocht vrijgelaten, geloofde dat alles met een sisser zou aflopen en hoorde vervolgens tot haar verbijstering zes jaar celstraf tegen zich eisen.

Ook deed ik nog schokkende ontdekkingen op ons oude vakantieadres (en in Marbella, waar Fina door haar moeder werd gewurgd).

Daar zeg ik hier verder niets over om de spanning een beetje te bewaren, maar ik zou net zo goed kunnen beweren dat ik die informatie weghoud omdat ik geloof dat het niet om die ‘feiten’ alleen gaat. Wat mij in eerste instantie bezighield was de vraag: moet ik door wat ik in het heden vind anders naar het verleden kijken?

Daar, in Spanje, leek alles door elkaar te lopen. Dat kwam misschien ook wel doordat ik een appartement huurde in de flat waar ik als puber ook met mijn ouders, mijn broer en zussen had gelogeerd. Er was aan het gebouw niets veranderd of opgeknapt; een rotte plek in de mondaine badplaats die Playa de Gandia was geworden.

Ik bracht er aan het einde van de dag mijn bevindingen naartoe en probeerde daar onmiddellijk woorden voor te vinden, maar hoe meer ik vond, hoe minder ik op papier kreeg. Pas toen ik namen, plaatsen en data ging veranderen, begon het boek vorm te krijgen. Mijn zus en mijn vader werden personages en met personages, weet ik, kun je doen wat je wilt. Ze mogen meer of minder schuldig zijn, weer tot leven komen, gesprekken voeren die jij voor hen hebt uitgetikt. Zo lang je er maar voor zorgt dat de lezer nieuwsgierig blijft en verder leest. Alles ten dienste van een goed boek.

Zo heb ik het mijn moeder uitgelegd toen ik er eenmaal genoegen mee had genomen dat ik in Spanje niet meer te weten zou komen en weer naar huis was teruggereisd. Dat ik op een fundament van waargebeurde verhalen een roman had neergezet. Ik vroeg haar of ze misschien behoefte had aan een voorbeeld, een passage die ik al min of meer had afgerond. Daar bedankte ze voor. ‘Het is jouw waarheid,’ zei ze, ‘niet de mijne.’

Donkere striemen

Een paar weken na mijn terugkomst kreeg ik, terwijl ik bezig was mijn familie zorgvuldig met een laagje fictie te bedekken, een e-mail vanuit Madrid. De advocaat van mijn zus – die sinds zij hem voor een Spaanse collega had ingeruild steeds meer hand- en spandiensten voor mij had verricht – was in de centrale bibliotheek een klapper tegengekomen van El Caso, de krant die in 1974 een foto van het lijk van Fina op de voorpagina had afgedrukt. ‘Nogal gruwelijk,’ schreef hij, ‘zet je schrap.’ En daar verscheen ze, tergend langzaam (een groot bestand) op mijn beeldscherm: open ogen, open mond, donkere striemen in haar nek. Precies zoals ik haar veertig jaar eerder in de witte kast van mijn ouders had achtergelaten.

Arjan Visser

Arjan Visser (Werkendam, 1961) is schrijver en journalist. Sinds 1998 maakt hij de interview-reeks ‘De Tien Geboden’ voor Trouw. Hij debuteerde in 2003 met de roman ‘De laatste dagen’. Op 19 februari verschijnt zijn nieuwe roman ‘God sta me bij want ik ben onschuldig’.