Wonderen bestaan, zeker in fictie. Zo is de jonggestorven schrijver Frans Kellendonk (1951-1990) recentelijk wederopgestaan. Na bijna een kwart eeuw ‘vallen’ komt hij eerst als geest op de schouder zitten van zijn ‘eerste en enige biograaf’, vervolgens is er via een verrassende bedscène van Kellendonks spectrale verschijning met zijn biograaf sprake van een soortement zielsverhuizing, zodat hij zogezegd in een stoffelijk lichaam inkeert. Raaarrrrr, zou de bekende wijsgeer M. Romeyn zeggen. Maar wie de naam van de schrijver van deze ‘mengvorm tussen biografie en roman’ leest, zoals Kellendonk dit hybride genre (waarin hij d’outre tombe sprekend opgevoerd wordt) benoemt, weet genoeg: Arie Storm.
Juist. Als we mogen afgaan op het personage dat hij van zichzelf heeft gemaakt, al dan niet onder de naam van zijn alter ego August Vooys, dan is de man niet minder dan een paria in het literaire leven. Bijna overal waar hij met anderen te doen krijgt, ontstaat heibel. Zijn naam is besmet, deuren blijven voor hem gesloten. Want hij verkondigt de ‘waarheid’, daar staat hij, hij kan niet anders, als een eigentijdse Luther. Dat wordt niet altijd gewaardeerd. Er zijn boekhandelaren die weigeren Storms romans in te kopen uit diepe afkeer van zijn polemische recensies in Het Parool. In een interview in Vrij Nederland eerder dit jaar zei hij: ‘De boekenvakkers denken dat ik tegen het boekenvak ben. Dat ik die markt zit te verpesten. Terwijl ik dat juist doe uit een grote liefde voor literatuur… voor échte literatuur.’
Vintage Storm
In zijn eigen ‘echte literatuur’ voert hij met naam en toenaam bestaande personen op, teneinde dat wat verzonnen is een zweem van waarachtigheid te verlenen. Daar moet je van houden. Want zelfs wanneer het er onschuldig aan toegaat, benut Storm lustig de speelruimte tussen waar en verzonnen in zijn semi-autobiografisch proza. Dit zegt Kellendonk bijvoorbeeld over Carel Peeters, de literatuurcriticus die hem destijds kritisch volgde: ‘Een magere, kleine man, schuifelend door de straten van Amsterdam, een tikkeltje verward.’ Het is lastig om in de geduchte, oplettende stadsfietser Peeters deze geriatrische verschijning te herkennen. Maar dat is Storms spel, take it or leave it. En door zo dicht op de werkelijkheid te zitten en dan uit te pakken, creëer je vanzelf iets rellerigs. Zo wordt Adriaan van Dis in Het laatste testament van Frans Kellendonk ‘cryptohomo’ genoemd door Kellendonk. Over Jan Brokken, de journalist die zich tot schrijver ontwikkeld heeft, mijmert hij: ‘Waar zijn de echte schrijvers gebleven?’ Over de huidige kwaliteit van het literaire tijdschrift De Revisor, eertijds de bakermat van de postmoderne ‘Revisor-schrijvers’, zegt hij: ‘Kan iemand mijn huilen horen?’ Vintage Storm.
Ik houd van mijn biograaf, zo gereformeerd als hij is, zo getormenteerd, zo ijdel.
Het levert natuurlijk sowieso al spanning op dat de na zijn dood literair heilig verklaarde Kellendonk juist door een outcast als Storm wordt geannexeerd. Misschien is dat ook, in de niet-fictionele werkelijkheid, een reden waarom Storm, die de opdracht had gekregen Kellendonks biografie te schrijven, gewipt is als biograaf ten gunste van Jaap Goedegebuure, een kenner van christelijke verwijzingen. Maar de ‘eerste biograaf’ Storm laat het er niet bij zitten in zijn proza. Dat gaat zo: ‘Ik houd van mijn biograaf, zo gereformeerd als hij is, zo getormenteerd, zo ijdel, zo neurotisch, zo tobberig, zo enthousiast, zo gek. En ik heb een hekel aan mijn andere biograaf, mijn tweede.’
Situaties van niks
Ook brengt Storm via z’n stropop Kellendonk in herinnering dat die gekant was tegen het genre van de biografie. Tegen de traditionele biografie, welteverstaan, dus komt Storm op de proppen met zijn hybride – al kun je die evengoed als een roman opvatten.

Ik kan mij zo voorstellen dat wat Storm hier uitspookt met Kellendonk vloeken is in de protestantse kerk van de steile kellendonkianen. Niet alleen door Storms onbeschaamd geëtaleerde narcisme. Goed, hij (Storm) heeft dan wel drie decennia nagedacht over Kellendonk, die schrijver was een ‘obsessie’ voor hem, maar dat belet hem niet om de dode voor zijn eigen karretje te spannen. Kellendonk valt geheel samen met Storm, verkondigt strijdlustige opinies over bijvoorbeeld ‘de opportunisten’ Arthur Japin, Adriaan van Dis en Saskia Noort, die Storm elders al geventileerd heeft. Kellendonk helpt de geteisterde biograaf Storm ook uit de brand; het ‘project’ begon hem boven het hoofd te groeien en zie, via een magisch-realistische kunstgreep, iets met een ‘leemte’ die gevuld moet worden, verschijnt Kellendonk: ‘Het schrijven van een biografie is voor hem het voortdurend zoeken naar papieren die hij kwijt is en die wanneer hij ze heeft gevonden niets belangrijks blijken te bevatten. Dat is een van de redenen dat ik ben gekomen. Ik ben zijn oplossing. Ik ben zijn verhaal. Ik ben Frans Kellendonk.’ Vervolgens gaat het boek niet zozeer over de schrijver en zijn biograaf, maar vooral over de biograaf en de gebiografeerde – in die hiërarchische volgorde. Scène op scène melkt hij hilarisch uit.
Dat zijn niet zelden situaties van niks, zoals de enige keer dat Storm en Kellendonk elkaar in het wild ontmoet hebben, niet lang voor Kellendonks dood. Al is de term ontmoeting vermoedelijk te groot. Kellendonk kocht op het Amsterdamse Centraal Station een paperbackeditie van Saul Bellows More Die of Heartbreak, en Storm stond daarnaar te gluren. Dat is alles, maar in Het laatste testament van Frans Kellendonk krijgt die situatie een welhaast mythische plaats. Even geestig is hoe de biograaf Storm bij zijn veldwerk het huis niet kan vinden waar Kellendonk gewoond heeft. En ronduit hilarisch is de slotscène waarin de fotograaf Klaas Koppe en Storm Kellendonk op begraafplaats Zorgvlied bezoeken. Daar moet Storm op het graf gaan zitten praten over zijn idool en dat wordt dan gefilmd.
Entertainer
De waarde van dit hoogst curieuze boek is dat het zo fundamenteel oneerbiedig is, en daarmee wil Storm een punt maken: hij wil de schrijver Kellendonk teruggeven aan de lezers. Al in het begin van Storms boek wordt een schrijver gelijkgesteld met een ‘entertainer’. Dat is wel het laatste waar je aan zou denken bij de academisch gevormde schrijver en anti-mediapersoonlijkheid Kellendonk, die in dit ‘testament’ terecht verzucht dat indien hij in deze tijd zijn werk zou publiceren, hij vermoedelijk niet eens uitgegeven zou worden. Geen ‘entertainer’ dus, ben je geneigd te denken. Tot je, daartoe verleid door Storm, Kellendonks proza herleest en weer beseft dat hoogliterair en onderhoudend magnifiek samen kunnen gaan.
Arie Storm, Het laatste testament van Frans Kellendonk, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 143 p., € 17,50
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.