Een doordeweekse avond in café Ruk & Pluk. Vijf kroegtijgers aan de bar. Boven hun hoofden bungelt een guirlande van lichtgevende bierpulletjes. Een blonde dame serveert bakjes chips: ‘Kijk eens, schat, heb je zo lekker wat te knabbelen.’ Het levenslied klinkt zachtjes uit de speakers. Er mag gerookt worden. Marian Donner (36), schrijfster, telefoniste bij een escortservice, dochter van schaaklegende Hein Donner en nichtje van de minister van Binnenlandse Zaken, steekt er meteen maar eentje op.
Als we elkaar, volgens plan, op uw werk hadden ontmoet, wat zou ik dan in de eerste alinea van dit verhaal hebben kunnen schrijven?
‘Iets over een gewoon huurhuis in Amster-dam-West, met twee kantoren, een keuken, een woonkamer en een paar slaapkamers, voor het geval er een meisje wil blijven slapen. In het kleinste kantoor kun je roken. Daar zit ik dan. Aan een bureau, met een computer waarin alle roosters van de ongeveer veertig escorts die voor ons bureau werken zijn opgeslagen.’
Uw bazinnen waren er niet voor dat het interview daar plaatsvond omdat er tussen de eventueel aanwezige dames wel eens een buurvrouw of een bekende van mij zou kunnen zitten.
‘Ja, dat is mij ook overkomen. Toen ik daar begon te werken, kwam ik iemand tegen die ik uit een andere wereld kende. We schrokken allebei, maar ze wist ook dat haar geheim bij mij veilig is. Het is een high class escortbureau, driehonderd euro per uur, met slimme, mooie dames – studentes, maar ook vrouwen met goede banen – die er, op één na, allemaal een dubbelleven op na houden.’
Werken ze ook in dat huurhuis?
‘Nee, het is alleen outcall, zoals dat officieel heet. Als je een club hebt waar mensen naartoe komen, noem je het incall, maar wij worden alleen maar gebeld: “Ik zit in een hotel en ik wil een dame zien.” Of: “Mijn vrouw is even de deur uit, kunnen jullie iemand sturen?” “Dat kan,” zeg ik dan, “had u iemand in gedachten?” “Het allermooiste meisje dat je hebt.” “Dat kan ik niet zeggen, hoor, smaken verschillen.” Dat is trouwens een waar gezegde: beauty is in the eye of the beholder. Wat de ene klant de mooiste dame vindt die hij ooit heeft gezien, is voor de ander een heel gewoon iemand. Ik ken alle meisjes, ik weet hoe ze eruitzien en ik weet of ze de wensen van de klant kunnen vervullen.’
Lily, uw nieuwe roman, gaat over het leven van een escortdame uit een wat goedkoper segment. Is het opgebouwd uit de verhalen van anderen of hebt u zelf ook ervaringen opgedaan?
‘Nee. Laf, hè? Ik had, om te weten waar ik over schrijf, ten minste één avond als escortmeisje moeten werken, maar ik heb het niet aangedurfd. Ik ben uiteindelijk toch meer iemand van de zijlijn, een toeschouwer. Ik opereer vanuit een veilige positie. Als schrijver.’
Bent u er met voorbedachten rade gaan werken?
‘Nee, het was echt toeval. Ik schreef al een tijdje en werkte daarnaast achter de bar in Bitterzoet. Op een gegeven moment had ik wel zin in iets anders. Telefoniste, dat leek me wel wat. De advertentie van het escortbureau stond bovenaan. Ik schreef een brief en ging op gesprek. De twee bazinnen zijn meiden zoals ik, dezelfde leeftijd, heel gezellig. Het klikte en ik kon meteen aan de slag.’
Waarom ging u daar werken en niet bij, pak hem beet, een transportbedrijf?
‘Omdat het een wereld was die ik helemaal niet kende. Mijn vrienden vonden het ook hilarisch; ik begin al te stotteren als ik het woord… nou ja, ik moet er alwéér om lachen… als ik het woord geil moet uitspreken. Ik ben heel puriteins, ik hou niet van extreme dingen – als mijn vriend met zo’n sm-maskertje het bed in zou stappen, zou ik gaan huilen van ellende – maar ik vind het wel erg interessant om erover te horen. Bovendien was het een baantje voor ’s avonds en ’s nachts. De nacht, dat is altijd mijn tijd geweest. De uren gaan voorbij zonder dat je het in de gaten hebt. Alles wordt bedekt, verzacht. Het is leger, stiller en je komt gekkere mensen tegen, mensen die een beetje buiten de maatschappij staan, buiten de gevestigde orde. Ze hebben zich losgemaakt van patronen en hun eigen ritme gezocht. Zo is het voor mij ook: het ritme van de nacht werkt voor mij veel beter. Ik weet nog dat ik een keer, dronken en doorrookt, thuiskwam toen het licht werd en een vriendin tegenkwam in een joggingpak. Heerlijk, dacht ik, dat ik niet om half acht ’s ochtends hoef te gaan rennen in het park. Maar het is niet zo dat ik elke avond in de Ruk & Pluk aan de jonge jenever zit, hoor. Ik vind het ook fijn om thuis ’s nachts wakker te zijn, als alle andere mensen slapen. Het is zo’n prettige bubbel om in te verkeren. Ik herinner me hoe ik vroeger, als ik van mijn moeder moest gaan slapen, op mijn tenen uit bed kwam en naar mijn vaders kamer sloop. Mijn vader was ook een nachtmens. Hij zat altijd te lezen, te schrijven of te schaken. En te roken. Dat waren voor mij grote geluksmomenten. Je hoort te slapen, je moet naar school – een ritme dat ik doorbrak door daar bij hem, bij die warme, lieve überpapa, te gaan zitten in het diepst van de nacht.’
U was nog niet zo oud toen hij zijn hersenbloeding kreeg.
‘Nee. Ik was pas negen. Hij werd in een verpleeghuis opgenomen en alles veranderde. Mijn moeder bezocht hem elke dag, maar ik ging al snel niet meer mee. Hij had geen oog voor de nieuwe schoentjes die ik hem wilde laten zien, hij kon de aandacht die hij daarvoor altijd had gehad niet meer opbrengen. Het idee was dat hij het nog wel een tijdje zou uithouden in die verpleeghuizen, maar na vijf jaar kreeg hij door het eten van een appel – een detail dat hij, als telg van de gereformeerde Donner-dynastie, waarschijnlijk wel grappig had gevonden – een maagbloeding en stierf.’
Wat heeft die vroege dood van uw vader bij u teweeggebracht?
‘Eh… die vraag vind ik lastig te beantwoorden. Misschien vind ik dit wel het verdrietigst: dat ik niet met mijn vader over ideeën kan praten: “Ik heb Nietzsche gelezen, wat vind jij daar nou van?”
Bent u in relaties op zoek gegaan naar een man zoals uw vader?
‘Mijn vriend is – op zijn eigen wijze – net zo’n erudiete, brulapige, beledigende kroegganger als mijn vader is geweest dus, ja, dat is misschien wel zo. Gelukkig is hij wel van mijn leeftijd en is dat deel van het klassieke vadercomplex me bespaard gebleven. Grappig: ik zag ooit een documentaire over mijn vader. Hij zat te schaken en bewoog onophoudelijk met zijn ene voet. Een detail dat mij nooit eerder was opgevallen. Toen bleek ineens dat mijn vriend, tot ergernis van zijn omgeving, exact hetzelfde deed.’
Hebt u geprobeerd via zijn vrienden meer over uw vader te weten te komen?
‘Ik ben ooit eens met Tabe Bas, een operazanger van vroeger, gaan eten met dat idee, maar hij zei al snel dat Harry Mulisch mij natuurlijk veel meer kon vertellen. Harry Mulisch had het eerste exemplaar van mijn debuutroman (08.30 uur: opstand, AV) in ontvangst genomen, maar bij die gelegenheid was ik te zenuwachtig geweest om hem ook maar iets te kunnen vragen. Niet lang daarna heb ik hem toch maar gebeld: “Zou ik een keer met je over mijn vader mogen praten?” “Natuurlijk!” zei Harry. Ik heb het nooit gedaan. Erg jammer.’
Waarom deed u het niet?
”Misschien was ik bang dat ik hem lastig zou vallen. Ik ben eigenlijk heel verlegen. Ik vind het eng om mensen aan te spreken, maar als ik eenmaal met iemand in gesprek ben geraakt, kan ik tot diep in de nacht doorgaan. Ik zit nooit om gespreksstof verlegen.’
Zou het kunnen dat u de mythe, het beeld van uw vader, in stand wilt houden?
‘Ja, dat zou best kunnen. Ik bewonder mijn vader nog steeds. Ook als schrijver. Ik lijk heel erg op hem, maar niet in dat opzicht. Dat is een enge gedachte omdat mensen misschien wel hopen dat ik net zo’n schrijver ben. En dat ik hen dus teleurstel, zonder dat ik daar ook maar iets aan kan doen.’
U hebt in een bioscoop gewerkt, campagne gevoerd voor de Partij van de Arbeid, bij een ontwikkelingsorganisatie gezeten en achter de bar gestaan. U bent schrijfster en telefoniste bij een escortservice. Is er een rode draad?
‘Bij de PvdA en bij Fairfood, die ontwikkelingsorganisatie, wilde ik geld verdienen, carrière maken, maar ik zat er ook om… tja, de wereld te verbeteren klinkt meteen zo prekerig… laten we het er op houden dat ik iets wilde doen met mijn maatschappelijk engagement.’
En daar bent u van bekomen?
‘Ja, ik ben er enorm op afgeknapt. Fairfood was een campagneorganisatie voor awareness. De statistieken over honger en armoede in de wereld zíjn schokkend, maar het was ook onthutsend om te moeten ontdekken dat die wereld bevolkt wordt door clubjes die elkaar bestrijden omdat ze allemaal geld nodig hebben om te kunnen voortbestaan. In de politiek is het eigenlijk net zo. Daar gaat het niet om geld, maar om kiezers. Vanuit die hoek de wereld veranderen is behoorlijk lastig.’
Hoe is de wereld dan wel te verbeteren volgens u?
‘Oei. Nu komen we op een gevaarlijk terrein.’
Graag.
‘Ik zeg niet dat ik met mijn boek de wereld wil verbeteren – ik begrijp ook wel dat niemand, zeker niet door dit boek, denkt: nu zie ik het licht! – maar ik wil voor mezelf graag iets zeggen over de tijd waarin wij leven. Ik vertel het nu aan de hand van het verhaal over een dik, roodharig meisje dat haar lichaam verkoopt, maar mijn boek gaat ook over het kapitalisme, over wat er gebeurt als alles te koop is, over de uitholling die dat met zich meebrengt, over…’
Wilt u zeggen dat literatuur voor u een middel is om het volk te verheffen?
‘Nee, ik wil het volk helemaal niet verheffen. Ik wil iets zeggen over de tijd, misschien wil ik mensen een bepaald bewustzijn bijbrengen… Ik zei toch al: gevaarlijk terrein. Het heeft iets stichtelijks.’
In 2007 gaf u een lezing op het Weerwoord-festival. U stelde dat er te veel aandacht is voor het beeld en te weinig voor het woord en u draagt daarvoor een oplossing aan: ‘Een idee hebben. Een idee over de wereld, een idee over deze tijd. Een idee over de mens in het algemeen en de samenleving waarin hij leeft. Het wordt weer tijd voor de ideeënroman. Weg met de kleine verhalen, het grote verhaal is waar het om gaat. Visies en vergezichten, ja hemelbestormers hebben we nodig!’ Is Lily zo’n ideeënroman?
‘Voor mij wel. Al ben ik er niet zo aan begonnen. Ik heb niet van tevoren gedacht aan wat ik nou allemaal eens even duidelijk zou gaan maken, maar zo heeft het zich wel ontwikkeld, gaandeweg.’
Wat hebt u duidelijk gemaakt, vindt u?
‘De inzet was: het gebrek aan houvast in deze tijd. Met het wegvallen van God, grote ideeën en levensbeschouwelijke richtingen hebben we eigenlijk alleen het lichaam nog over. De fragmenten van Oprah Winfrey en Dr. Phil die ik opvoer in het boek zijn echt. Zo zie je bijvoorbeeld hoe een jongen aan de leugendetector wordt gelegd en hoe hij vanwege de uitkomsten publiekelijk aan de schandpaal wordt genageld. Men heeft meer vertrouwen in een machine die met zweet en hartslag werkt dan in wat mensen zeggen, of in de ideeën die ze hebben. We leven in een banale tijd. Er is een soort onttovering van de wereld gaande. Alles, werkelijk alles draait om het lichaam. Alleen dat lijkt nog houvast te bieden.’
Sprak de vrouw die haar kost verdient bij een escortbureau.
‘Ja… Misschien moet ik een ideeënescortservice beginnen. Voor al uw filosofische gesprekken. Nee, kijk, lust blijft, menselijke behoeften blijven. Daar heb ik het niet over.’
U staat mensen met extreme wensen te woord, maar u gaat zelf stotteren van het woordje geil. U komt in opstand tegen het kapitalisme, maar u werkt in een branche waar mensen zeshonderd euro neertellen voor twee uur seks.
‘Ja, ja, oké, daar wringt het. Dat geef ik toe. Ik vind wel dat er ook mooie dingen gebeuren tussen de escorts en hun klanten. Soms zijn het de echtgenotes zelf die tegen hun man zeggen: bel maar op. Dan hebben ze er zelf geen zin meer in, ze zijn ziek, of oud. Als zo’n bezoek uitkomst biedt, heb ik er niets op tegen. Het wordt alleen pijnlijk als iemand vier keer per week een meisje wil zien. Of als een klant verliefd wordt op de escort. Gelukkig gebeurt dat niet zo vaak.’
U hebt psychologie gestudeerd. In uw cv staat dat u bent afgestudeerd op ‘liefde en hartstocht’. Wat moet ik me daarbij voorstellen?
‘Mijn begeleider, Igor van Krogten, was meer van de filosofische psychologie. Hij had een onderzoek gedaan naar de manier waarop Proust tegen de liefde aankijkt. Hij heeft er ook een theorie over geschreven, het boek De Proustiaanse liefde. Ik heb een aantal sessies van relatietherapie tegen het licht van die theorie gehouden. Voor mijn scriptie heb ik bekeken hoe Stefan Zweig in zijn verhalen over hartstocht schrijft.’
En? Wat heeft het u geleerd?
‘Die verhalen over hartstocht zijn fantastisch! Stefan Zweig beschrijft hoe de hartstocht in een fractie van een seconde, door een oogopslag, of door de beweging van een hand, vernietigend toe kan slaan en vervolgens hele levens verteert. De Proustiaanse liefdestheorie was ronduit deprimerend: liefde bestaat niet, het is alleen maar projectie van de eigen verlangens die op een vrij willekeurige voorbijganger worden geplakt. Met alle onvermijdelijke teleurstelling, woede en jaloezie tot gevolg. De verslagen van die sessies bevestigden dat idee. Maar mijn hartstochtelijk geloof in de liefde is er niet minder om geworden. Ik geloof nog steeds dat het kan: twee mensen die een intens oprechte liefdesrelatie aangaan voor langere tijd. Ook al is het misschien niet voor iedereen weggelegd.’
Is het voor u weggelegd?
‘Ik hoop het.’
Bent u daar gemakkelijk gekomen of was het een lang en dramatisch zoeken?
‘Ik ga al twaalf jaar met mijn vriend. We zijn allebei romantisch – niet in de knapperend haardhouthoek, maar qua ideeën – en ik ga ervan uit dat we nog lang bij elkaar blijven. Tja… Ik ben in zekere zin een mismatch voor dat bureau, maar ik ben tegelijkertijd ook heel geschikt. Ik ben een vat vol tegenstrijdigheden, maar als ik in een goede bubbel zit, klopt alles precies.’
Marian Donner, ‘Lily’, Prometheus, 240 p., € 17,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.