Afrikaanse studenten in China

‘Afrikafeest’, staat in de aankondiging op internet. ‘Kom allemaal in het wit.’ En zo lopen we op een druilerige avond, gekleed in witte broek en dito T-shirt, door een van de populairste uitgaansbuurten van de miljoenenstad Chongqing in het hart van China. Aan de 1 Augustus Straat liggen naast elkaar een aantal bekende uitgaansketens zoals Babyface en Bar 88. We nemen de lift naar de derde verdieping van een gebouw waarin verschillende clubs huizen. Als de liftdeuren weer opengaan, staan we in een ruimte met zeker honderd zwarte Afrikaanse studenten. Ze staan aan de bar te praten, spelen een partijtje pool of leven zich uit op de dansvloer. Net als wij gaan ze allemaal gekleed in stralend wit.

Peter komt uit Kenia. Hij studeert diergeneeskunde aan de Chongqing Universiteit. ‘Voordat ik naar China kwam, had ik nog nooit van deze stad gehoord,’ zegt hij. ‘Maar China is in opkomst en ik kreeg een beurs om hier te komen studeren.’ Inmiddels spreekt hij redelijk Mandarijn, net als de andere studenten op het feest. ‘Mijn moedertaal is Engels, maar veel studenten komen uit een land waar de voertaal Frans, Portugees, Swahili of iets anders is. Met hen spreek ik Chinees.’

Gratis staaroperatie

Sinds 2003 neemt het aantal Afrikaanse studenten in China jaarlijks met twintig procent toe. Volgens schattingen studeren inmiddels ongeveer veertigduizend Afrikanen aan een universiteit in Shanghai, Beijing of een andere miljoenenstad. China wil het aantal Afrikaanse studenten verder verhogen. In juli vorig jaar kondigde de regering aan voor 2015 nog eens dertigduizend Afrikaanse experts uit verschillende vakgebieden een opleiding te geven. Daarnaast krijgen nog eens achttienduizend Afrikaanse studenten een vierjarige studiebeurs.

Terwijl westerse donorlanden zoals Nederland de komende jaren fors bezuinigen op ontwikkelingssamenwerking in Afrika, zwelt de geldstroom vanuit China alleen maar aan. Het land investeert al decennia in infrastructuur van Angola tot Zambia, van spoorlijnen tot wegen en van havens tot vrijhandelszones. De Chinese investeringen groeien snel. Van ongeveer honderd miljoen dollar in 2003 tot een slordige twaalf miljard dollar in 2011. Nieuw is dat China zich de laatste jaren steeds vaker met ‘soft power’ profileert. In 29 Afrikaanse steden staat inmiddels een Confucius Instituut ter promotie van de Chinese taal en cultuur. Afgelopen oktober werd in de Keniaanse hoofdstad Nairobi de nieuwszender CCTV Africa gelanceerd, een afsplitsing van de Chinese staatstelevisie. En sinds half december kunnen de inwoners van Kampala of Ouagadougou aan het ontbijt de Afrikaanse editie van China Daily opslaan.

China laat zich de komende jaren van zijn beste kant zien door talloze initiatieven, zoals het sturen van medisch personeel, het opzetten van een uitwisselingsprogramma voor journalisten, het financieren van vredesmissies van de Afrikaanse Unie en het opzetten van de ‘Actie Helderheid’, waarbij Afrikanen op kosten van de Chinese overheid een gratis staaroperatie kunnen ondergaan.

Jemaneh Zeleke, een ingetogen dertiger uit Ethiopië, werkte als docent microbiologie aan de Adama Universiteit in Nazareth. Hij wilde promotieonderzoek doen en kreeg via internet contact met een hoogleraar aan de Chinese topuniversiteit Fudan. ‘Het klikte,’ zegt hij. De Chinese prof schreef een aanbevelingsbrief, waarmee Zeleke een beurs en een gratis kamer op de campus in Shanghai veilig wist te stellen.

De taal vormde in het begin een groot obstakel, omdat de colleges vrijwel uitsluitend in het Mandarijn worden gegeven. Alle Afrikaanse studenten met een overheidsbeurs moeten hun eerste studiejaar besteden aan een intensieve taalcursus. Voor een ingewikkelde taal als het Mandarijn is dat niet bepaald lang. ‘Na een tijdje kon ik wel kleine gesprekken voeren, maar om colleges over microbiologie te volgen? Dat heeft wel even geduurd.’ Zeleke vertelt dat hij ook zijn broer had overgehaald om in Shanghai te komen studeren. Afgelopen september haalde hij hem af op Pudong Airport. Om hem twee maanden later weer uit te zwaaien. ‘Hij kreeg de taal niet onder de knie,’ zegt Zeleke met verdriet in zijn stem. ‘Heel erg jammer.’

Bezienswaardigheid

De warme banden tussen China en Afrika zijn niet nieuw. Al onder Mao Zedong gaf China de socialistische broeders in Tanzania ontwikkelingshulp, waarmee de ‘Spoorlijn van de Vrijheid’ naar het eveneens ‘rode’ buurland Zambia werd aangelegd. Ook bouwde China in Afrika honderden fabrieken zoals de China-Tanzania Vriendschaps Textiel Fabriek, waar een Chinees communistisch management de Afrikaanse arbeiders aanstuurde. Vers­chillende Afrikaanse landen kregen steun bij het opzetten van communistische landbouweenheden.

Sinds de introductie van de markteconomie en het openstellen van de grenzen, zoeken steeds meer Chinezen hun heil in Afrika. Volgens schattingen bedraagt hun totale aantal inmiddels rond de één miljoen. Onderzoeker Yoon Jung Park van Rhodes Universiteit in Washing­ton ziet de laatste jaren een duidelijke verschuiving. Verbleven de meeste Chinezen vroeger voor korte periodes in Afrika als contrac­tarbeider of bouwvakker, tegenwoordig gaat het steeds vaker om echte migratie. ‘Een toenemend aantal Chinese migranten kiest ervoor zich voor langere tijd in Afrika te vestigen.’

Ook andersom neemt de migratiestroom toe. In zijn boek Africans in China becijfert professor Adams Bodomo van de Hong Kong Universiteit het aantal Afrikanen in China op een half miljoen. De grootste Afrikaanse enclave ligt in de Zuid-Chinese havenstad Guangzhou (het vroegere Kanton), waar meer dan honderdduizend Afrikanen verblijven van wie velen zonder geldige verblijfspapieren. Het overgrote deel van hen woont rondom het centrale treinstation. Hun aanwezigheid is zo opvallend dat de wijk inmiddels bekendstaat als ‘Chocolade­stad’.

Guangzhou blijft een uitzondering. De overige vierhonderdduizend Afrikanen wonen verspreid over China’s miljoenensteden, waar ze in het niet vallen bij de 1,4 miljard Chinezen. In veel steden geldt een zwarte huidskleur nog als bezienswaardigheid.

Gestreepte zebrahuid

In een koffiebar op de Tongji Univerisiteit in Shanghai ontmoeten we de dertigjarige Everlyne Otieno. Op straat trekt ze nog altijd veel aandacht, maar op de universiteitscampus kijkt niemand nog op van haar donkere verschijning. In 2010 werkte ze als stedenbouwkundig specialist voor de lokale overheid in Kisumu, een stad aan het Victoriameer in Kenia. ‘Ik wilde een opleiding gaan volgen aan een Duitse universiteit,’ vertelt ze. ‘Ik werd toegelaten, maar het lukte me niet om voldoende geld te vinden om mijn studie en verblijf in Duitsland te kunnen betalen.’ Toen ze hoorde van de Chinese studiebeurzen voor Afrikanen, aarzelde ze geen moment. ‘Het was belachelijk simpel,’ zegt ze. ‘Ik hoefde alleen maar een formulier in te vullen en ik kreeg een beurs van de Tongji Universiteit.’

De toelage van tweehonderd Amerikaanse dollar per maand is onvoldoende om van rond te komen, maar haar ouders betalen mee en zelf probeert ze ook wat bij te verdienen. ‘Een bijbaantje krijg je als zwarte Afrikaan in China niet zo gemakkelijk,’ zegt ze. Racisme van Chinezen tegen met name Afrikanen is wijdverspreid. Net als de onwetendheid. Fabels over de afwasbaarheid van de zwarte huidskleur of de gestreepte zebrahuid van kinderen uit een gemengd huwelijk doen anno 2013 nog altijd de ronde. Op het Chinese web verschijnen regelmatig topics over Afrikanen. Uit de commentaren blijkt dat veel Chinezen hen zien als gewelddadig, agressief en gevaarlijk wegens besmettelijke ziektes zoals aids. ‘Chinezen hebben een negatief beeld van Afrikanen,’ zegt Otieno. ‘Het is eigenlijk vreemd dat het andersom niet zo is. Thuis in Kisumu worden de Chinezen juist omarmd door de lokale bevolking.’

Bij gebrek aan een bijbaan heeft Otieno een andere manier moeten vinden om geld te verdienen: de handel. ‘Ik vlieg af en toe naar Zuid-China om computers en onderdelen te kopen. Vrienden van mij verkopen die weer door in Afrika.’?Hoewel ze zelf van het Chinese beurzenprogramma profiteert, zet Otieno vraagtekens bij de filantropische motieven van China. ‘Idealiter is ontwikkelingshulp vrij van eigenbelang,’ zegt ze, ‘maar de praktijk is anders. China doet in Afrika gewoon zaken.’ Als ambtenaar in Kisumu heeft ze de Chinese modus operandi van dichtbij meegemaakt. De stad kreeg eerst met Chinees geld een nieuwe luchthaven aangeboden, essentieel voor de lokale ontwikkeling. In ruil daarvoor kreeg een Chinees staatsbedrijf niet veel later het recht de lokale olievelden te exploiteren.

‘Op de Wereldtentoonstelling in Shanghai van 2010 kon je aan de grootte van het paviljoen aflezen welke Afrikaanse landen olie hebben en welke niet,’ lacht Otieno. ‘Of neem het hoofdkantoor van de African Union in Addis Abeba. Dat was ook een cadeau van China. Denk je nu echt dat Afrikaanse leiders tijdens hun besprekingen in dat gebouw iets negatiefs over China durven te zeggen?’

Ook de studiebeurzen die China uitdeelt onder Afrikanen zijn volgens haar niet in eerste instantie bedoeld om de studenten daadwerkelijk iets bij te brengen. De selectieprocedure valt volgens haar moeilijk serieus te nemen. ‘Ik ken een paar studenten geneeskunde die op Keniaanse universiteiten zijn afgewezen, maar die hier zonder problemen aan de slag konden. Die kom ik straks liever niet in een ziekenhuis tegen.’

De Keniaanse studente heeft een dubbel gevoel over het Chinese Afrika-beleid. ‘We kunnen goed zaken met elkaar doen,’ zegt ze. ‘Maar op de lange termijn zijn de Afrikanen de verliezers. China weet precies wat het doet.’

Vrachtschip vol fruit

Dergelijke kritiek is niet nieuw. Al jaren zien met name westerse commentatoren de zwarte kanten van China’s Afrika-beleid. Zo waarschuwde de vorige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Hillary Clinton voor ‘een nieuwe vorm van kolonialisme’. Zonder China te noemen, sprak ze over buitenlandse overheden ‘die enkel geïnteresseerd zijn in de exploitatie van grondstoffen’.

De Chinese overheid en staatsmedia wuiven de kritiek weg. Handelsminister Chen Deming schreef recentelijk nog een poëtische opiniebijdrage in China Daily waarin hij een idealistisch beeld schetste. ‘In Malawi, in de binnenlanden van Afrika, schieten rijen katoenplanten in de knop, verbouwd door lokale boeren op aanwijzing van Chinese experts. In Ethiopië wemelt het van de arbeiders in een schoenenfabriek die is opgericht door het China-Afrika Ontwikkelingsfonds. En in Congo is onlangs een waterkrachtcentrale geopend die is gefinancierd met een lening uit China.’

Ook over de ontwikkelingen op Chinese bodem was de minister himmelhoch jauchzend: ‘In Yiwu, een stad in Oost-China, staan Chinese klanten Zuid-Afrikaanse wijnen te selecteren in het Beursgebouw voor Afrikaanse Producten. In de nieuwe haven van Tianjin ligt op dit moment een vrachtschip vol fruit en textiel uit Benin dat op het punt staat tariefontheffing te krijgen voor toegang tot de Chinese markt. Dit zijn allemaal bemoedigende scènes die zich voor onze ogen voltrekken.’

Inderdaad is de handel tussen China en Afrika de afgelopen decennia geëxplodeerd. Sinds 2009 is China zelfs de grootste handelspartner van Afrika. De groei van het onderlinge economische verkeer lijkt niet te stoppen. Bedroeg de waarde van de goederenstroom tussen China en Afrika in 2010 nog 115 miljard dollar, een jaar later was het 160 miljard dollar. Daarbij importeert China net iets meer uit Afrika dan andersom.

Veel Afrikaanse leiders zijn ronduit lovend over China. In een interview met het Duitse Handelsblatt zei de Rwandese president Paul Kagame dat ‘de Chinezen brengen wat Afrika nodig heeft: investeringen en geld voor overheden en bedrijven’. Hij voegde daaraan toe dat Europese en Amerikaanse bemoeienissen ‘Afrika niet verder hebben geholpen’, een vileine aanval op het westerse model van ontwikkelingshulp.

Toch klinkt ook vanuit Afrika voorzichtige kritiek. De Zuid-Afrikaanse president Jacob Zuma verwees vorig jaar in een toespraak naar het koloniale verleden van zijn continent. ‘Afrika’s bijdrage aan China’s ontwikkeling blijkt uit het leveren van ruwe materialen, andere producten en technologieoverdracht,’ zei Zuma. ‘Dat patroon is op de lange termijn onhoudbaar. Onze historische ervaringen met Europa vragen om voorzichtigheid als we betrekkingen aangaan met andere economieën.’

Krappe studentenkamer

Met het uitdelen van studiebeurzen aan Afrikaanse studenten hoopt China op termijn niet alleen de broodnodige goodwill te kweken, maar ook geld te verdienen. Het idee is dat de Afrikaanse studenten na hun periode in China terugkeren in eigen land en daar als ambassadeurs fungeren en de relaties met China onderhouden of zelfs uitbreiden. Of ze zich lovend over het donorland uitlaten, maakt daarbij niet eens zo veel uit. Zelfs een criticus als Everlyne Otieno heeft inmiddels een handeltje opgebouwd in computeronderdelen en draagt op die manier bij aan de onderlinge handelsbetrekkingen.

De Chinese bemoeienissen met Afrika werken door tot in internationale organisaties. Ook zij maken inmiddels dankbaar gebruik van het Chinese stelsel van studiebeurzen. UN-Habitat, de stedenorganisatie van de Verenigde Naties, werft actief Afrikaanse overheidsmedewerkers voor opleidingen aan Chinese universiteiten. De VN-organisatie wil op deze manier een netwerk van Chineessprekende Afrikaanse experts creëren. Op termijn komen die van pas bij het werven van fondsen onder Chinese ondernemingen in Afrika. Want ook de VN-organisatie merkt de terugloop van westerse donateurs.

‘Ik heb in mijn leven veel geluk gehad,’ zegt Charles Cosmas Mmasi uit Tanzania. Hij gaat gekleed in een net pak en is te midden van alle Chinezen een imposante verschijning. Als we hem ontmoeten in een restaurant in Shanghai steekt hij meteen van wal. Tot vorig jaar werkte hij voor het ministerie van Ruimtelijke Ontwikkeling in Dar es Salaam. Hij stond op een bijeenkomst van UN-Habitat toen een VN-medewerker op hem afstapte en vroeg of hij op het ministerie werkte. Op het gezicht van Cosmas Mmasi verschijnt een brede glimlach. ‘Toen ik “ja” zei, bood hij me meteen een promotietraject op een Chinese universiteit aan.’

Daarmee hield zijn geluk niet op. Als hij in 2015 klaar is met zijn promotie, heeft UN-Habitat een driejarig contract voor hem klaarliggen voor een baan bij de VN in Tanzania. Tot die tijd bewoont hij een krappe studentenkamer op de universiteitscampus in Shanghai. Meer kan hij zich op dit moment niet veroorloven. ‘De kamer is te klein om mijn vrouw en kind over te laten komen,’ zegt hij. ‘Soms mis ik ze zo erg dat ik moet huilen.’

In zijn promotieonderzoek richt Cosmas Mmasi zich op de lessen die Dar es Salaam kan trekken uit de ontwikkelingen in wereldsteden zoals New York of Shanghai. Op dit moment maakt hij een vergelijking tussen de verkeersproblematiek in Seoul en de hoofdstad van Tanzania. ‘Files en opstoppingen zijn nu al een groot probleem in Dar es Salaam. Dat wordt de komende jaren alleen maar erger.’

Afrika kan veel van Azië leren, zegt Cosmas Mmasi. Kortgeleden heeft de minister van Ruimtelijke Ordening van zijn thuisland hem benoemd tot speciaal adviseur van een enorm nieuwbouwproject in Dar es Salaam. De stad groeit razendsnel en heeft behoefte aan een nieuwe zakenwijk.

Nu Cosmas Mmasi is opgeklommen tot officiële adviseur van de Tanzaniaanse regering, willen we natuurlijk weten welke lessen hij meeneemt uit China. Over het antwoord hoeft hij niet lang na te denken ‘Het belangrijkste wat ik van China heb geleerd,’ zegt hij, ‘is dat democratie en snelle ontwikkeling niet samengaan.’