Interview Leo Beenhakker
Ja hoor, het gaat weer goed met hem, benadrukt Leo Beenhakker. De boosheid over zijn voortijdige vertrek bij Feyenoord is inmiddels geluwd. Die emotionele fase duurt bij hem sowieso nooit zo lang. In de ruim vijfenveertig jaar die zijn loopbaan in het voetbal omspant, heeft hij wel vaker meegemaakt dat hij voortijdig moest vertrekken. ‘Wennen doet het nooit, maar je leert ermee omgaan.’ Hij heeft er een geheel eigen methode voor ontwikkeld. ‘Ik ga met mezelf in gesprek. Ik kan heel goed met mezelf praten; dingen analyseren, beschouwen hoe je ermee omgaat. Veel mensen hebben daar een ander voor nodig, maar ik doe het zelf.’
We spreken elkaar in een Van der Valk-hotel nabij Rotterdam. Dezelfde plek waar de selectie van Feyenoord vaak samenkomt. Beenhakkers komst gaat niet aan de andere klanten voorbij. Regelmatig wordt hij toegeknikt en soms aangesproken. Hij ondergaat het met zichtbaar plezier. In het interview is hij aanvankelijk afhoudend. Vanochtend heeft hij nog op het punt gestaan om de afspraak af te zeggen. Want wat schiet hij nou op met zo’n gesprek? In zijn stemgeluid zit van nature véél drama. Kan hem wat schelen. ‘Ik ben wie ik ben. Daar zal men het mee moeten doen.’
In januari werd Beenhakker plotsklaps te verstaan gegeven dat zijn contract niet verlengd zou worden. Op zichzelf geen probleem, leer hem de voetbalwereld kennen: ‘Wij werken allemaal op contractbasis. Na afloop van het contract zijn er twee mogelijkheden: verlengen of niet verlengen. Daar heb ik geen moeite mee. Als ze zeggen: “Wij hebben een beleidsplan voor vijf jaar waarvoor we toch liever een jongere vent hebben” – volkomen legitiem. Maar zég dat dan gewoon. Bij iedereen was al maanden bekend dat mijn contract niet verlengd zou worden, behalve bij mij. Ik weet ook dat ik achtenzestig ben. Maar: speel open kaart. Ik begrijp er nog steeds niks van. Hoe het bestuur hier twee maanden met klotsende oksels en rooie vlekken in z’n nek mee heeft rondgelopen. Werkelijk ongekend. Ik weet waar ik over praat. Ik ben vaker weggegaan bij clubs of bonden. Soms gooide ik zelf de handdoek in de ring, soms deden zij dat. Maar overal waar ik gewerkt heb kan ik nog terugkomen.’
Ook bij Feyenoord?
‘Nee. Niet onder deze leiding. Deze mensen hebben mij diep gegriefd. Het is op een dermate onsmakelijke manier verlopen, daar kan ik met mijn pet niet bij.’
Vorig jaar zei u op televisie nog: ‘Ik ben weer thuis.’
‘Zo voelde dat. Niet zo gek voor iemand die z’n jeugd praktisch in de schaduw van De Kuip heeft doorgebracht. Vanaf 1976 heb ik er met tussenposen gewerkt. In 1999 heb ik er de mooiste prijs uit mijn loopbaan behaald: het landskampioenschap. Toen heb ik met mijn cluppie met de schaal voor een kwart miljoen mensen op de Coolsingel gestaan. Daar kan geen andere titel tegenop. Drie keer op de Plaza Mayor met Real Madrid is ook prachtig, maar heeft emotioneel toch een andere lading. Feyenoord is wel degelijk een thuis. Alleen verwarren mensen “thuis zijn” met “thuis blijven”. Het betekent niet dat ik er nooit meer wegga.’
U werd twee jaar geleden technisch directeur, met een lege portemonnee. Waarom begon u aan die klus?
‘Ik dacht dat we met tijd en geduld een eind zouden kunnen komen. Het was al snel duidelijk dat het een langdurig proces zou worden. We hadden meer tijd moeten hebben. Dat zit me het meest dwars: dat ik de klus niet heb kunnen afmaken.
Wat me er aanvankelijk enorm in aantrok, was de uitdaging om met een budget van nul euro toch iets tot stand te brengen. Je vist in een heel klein vijvertje, in de hoop dat je ergens nog een vergeten goudvisje opdiept. In de praktijk blijkt dat bijna onmogelijk. We kwamen langzaam maar zeker in de marge van het betaald voetbal terecht. Je moet je eigen lat enorm verlagen. Tegelijkertijd heb je wél genoeg spelers nodig. Tot de winterstop hadden we maar één spits, Luc Castaignos, een jongen van achttien. Normaal gesproken heb je Tomasson daarbij, maar die is al het hele jaar geblesseerd. Datzelfde geldt voor Cissé. Dus denk je elke week: oh God, als er nou maar niks met Castaignos gebeurt.
Dan ga je toch maar op zoek naar een vervanger, en kom je uit bij een categorie spelers waarvan je zegt: “Mwah. Maar goed, ik heb nu in ieder geval iemand achter de hand.” Je weet dat je op die manier nooit een stap verder zult komen. Het is in het beste geval consolideren, maar in de praktijk komt het neer op dweilen met de kraan open.’
Beenhakker keek op die fatale zondag in oktober van het vorig jaar met open mond toe hoe zijn club door PSV met 10-0 werd afgedroogd. ‘Ronduit onwerkelijk. Je geloofde je ogen niet. Vervolgens ben je in de allereerste plaats bezig met de trainer. Want die krijgt me daar even een knal voor z’n harses, zeg. Niet te geloven. Het enige wat je als technisch directeur dan kunt doen: zorgen dat hij geen verkeerde beslissingen neemt. Toen ik hem ’s avonds sprak, zei ik: “Mario, geen domme dingen doen nu. Grote jongen zijn.”‘
Terwijl opstappen als trainer na zo’n nederlaag toch niet dom is?
‘Iedereen snapt dat 10-0 een incident is. Die maandag heb ik een persconferentie georganiseerd en gezegd dat de trainer Mario Been totaal niet ter discussie stond. Ik ben een behoorlijk goede crisismanager. Hoe moeilijker de situatie, hoe beter ik functioneer. Hoe groter de druk, hoe beter ik word. Mits ik zelf de controle heb.’
En die heb je nooit als een ander aan het roer staat.
‘Dat is waar. Tenzij je je volledig conformeert aan die ander. Dat was in ons geval zo. Voor mij gold: ik ben Been. Ik geloof in Mario Been. Nog steeds.’
Jeukten uw handen als trainer niet?
‘Dat laat je nooit los. Ik heb met Mario veel gesproken over het coachen. Maar in deze functie moet je veel meer bezig zijn om voor de trainer en de staf de ideale condities te creëren. In feite ben je de coach van de coach.’
Willem van Hanegem verkondigde dat er méér uit die spelers te halen is.
‘Willem riep: “Ze moeten deze groep bij elkaar houden en twee gerichte aankopen doen.” Dat zagen wij zelf ook. Dat kan de grootste idioot nog roepen. Het punt is dat ze dan eerst grote jongens zullen moeten worden. Dat vraagt tijd. En voor die twee gerichte aankopen was geen geld. Dus dan geldt: het is leuk wat je zegt, vriend, maar we kunnen er helemaal niks mee. Een jongen van zeventien heeft twee jaar nodig om negentien te worden. Daarmee doel ik niet op zijn kalenderleeftijd, ik heb het over zijn ontwikkeling. Keuzes leren maken, ervaring opdoen.’
Weet Van Hanegem dat dan niet?
‘Natuurlijk wel. Daarom was het ook zo goedkoop. Ik dacht: sodemieter op. Kom dan met zinnige opmerkingen. Normaal is Willem een vreselijk aardige gozer. Ik begreep echt niet waar dit vandaan kwam.’
Ajax heeft Cruijff, Feyenoord Van Hanegem. Zijn dit soort clubiconen een zegen of een vloek?
‘Ze kunnen een zegen zijn. Het opvallende is wel dat je ze alleen hoort als het niet goed gaat met de club.’
Ze hebben wel allebei een krant achter zich: Cruijff De Telegraaf en Van Hanegem het AD.
‘Precies. Dan hoef ik verder toch niks meer te zeggen? Kijk er gewoon doorheen, joh. Willem wilde in zijn eigen woorden “effe lekker twee keer per week op het veld erbij lopen”. Ik heb direct gezegd: “Mario, begin er niet aan.” Dat werkt helemaal niet. De ene helft van de spelersgroep denkt: “Hé leuk, Van Hanegem” en de andere helft denkt: “Wat moet die vent hier?” Dat leidt per definitie tot tweespalt. En het ondermijnt het gezag van de trainer. Dat iemand als Willem, met zijn schat aan ervaring, dat niet beseft, verbaast mij zeer.’
Komt het nog goed met Feyenoord?
‘Tuurlijk.’
Feyenoord gaat weer spelen om de eerste vijf plaatsen?
‘Nou, dan zijn we wel een paar jaar verder, hoor.’
In 2003 vertrok u als technisch directeur bij Ajax. Dat had mede te maken met bedreigingen van supporters. Heeft u daar nu weer mee te maken gekregen?
‘Nee, dat gebeurde niet meer. Wel bijzonder, eigenlijk. De mensen op straat zijn juist heel aardig en correct tegen me. Al valt me wel op dat het algehele klimaat in Nederland veranderd is. Dat zie je op straat en in de politiek. Het is duidelijk dat we te veel van onze eigen identiteit hebben weggegeven. Ik heb totaal geen moeite met alles wat deze kant op komt: Turken, Marokkanen, Chinezen… welkom. Alleen verwacht ik wel dat ze deel van onze cultuur worden. Ik heb in diverse landen gewoond en gewerkt. Daar kom je dingen tegen die vanuit jouw cultuur bezien vreemd zijn. Ik heb altijd gedacht: als die mensen dat hier zo beleven, dan moet ik mij daar naar schikken. Als het me niet bevalt, moet ik weggaan. Dus ik denk: mooi dat jullie hier zijn, maar accepteer wel dat dit Nederland is. Dit is een land waar abortus en euthanasie zijn toegestaan en waar het homohuwelijk bestaat. Accepteer dat dan ook. Aanvaard dat homo’s bij ons een gelijkwaardige positie in de samenleving innemen waarin ze mogen zijn wie ze zijn. Wie dat niet bevalt, kan beter opkrassen.’
Die multiculturele verschillen zijn ook in het voetbal merkbaar. Bij Feyenoord wilde een aantal spelers opeens alleen met een zwembroek aan onder de douche.
‘Dat mag toch? Dat gebeurt nu nog steeds. De helft staat in een zwembroek onder de douche. Daar heeft toch niemand last van? Het gaat mij pas storen als een van die jongens met zwembroek tegen Ron Vlaar zou zeggen: “Ik wil dat jij ook een broek aandoet.” Je moet het niet omdraaien.’
Wilt u in Nederland oud worden?
‘Ik heb altijd gezegd dat ik in Spanje oud wilde worden. De warmte van de mensen, die ongelofelijk prettige sfeer. Ik voel me zo enorm thuis in die mediterrane wereld. Maar ja, ik heb hier in Nederland twee kinderen wonen. Ik ben zoveel weg geweest in m’n leven, heb zo ontzettend veel van hun opvoeding gemist… het is nu wel eens tijd om een beetje in de buurt te blijven. Twee, drie uur vliegen is voor mij het maximum.’
Ruud Gullit is coach geworden in Grozny. Een verstandige keus?
‘Moet hij toch weten? Wat is ertegen?’
Hij wordt ingehuurd door een dictator.
‘Laten we nou niet schijnheilig doen. Wij hebben als land tegen iedereen op de wereld gevoetbald. De koningin is overal geweest, ik zag gisteren nog een foto van Juliana naast Ceausescu. Over dictators gesproken. Kom óp! Je moet die dingen niet door elkaar halen. Gullit wil aan het werk. Nou én? Dickie en Guus hebben in Rusland gewerkt. Alsof die Poetin zo’n lekkere jongen is…’
Hebt u genoten van het Nederlands elftal tijdens het afgelopen WK?
‘Ja, toch wel, ja. Zakelijk voetbal, daar is niks mis mee. Ik heb ooit voor het WK in Amerika een interviewsessie gehad met onder anderen Rinus Michels, met die befaamde Belgische commentator Rik De Saedeleer. Het was een vreselijk boeiend gesprek, want die De Saedeleer is een intelligente man die veel van voetbal weet. Hij zei: “Als er zestien landen op een WK spelen, dan gaan er vijftien landen naar toe om wereldkampioen te worden. En er is één land dat naar een WK gaat om te laten zien hoe goed ze kunnen voetballen. Dat is Nederland.” Dat was precies zoals het altijd ging. En nu verliep het eindelijk eens anders. Dat komt door wat die spelers in het buitenland meemaken. De grootste verdedigers in Engeland rossen de bal als het moet gewoon het stadion uit.’
Er werd door Oranje ook ongekend hard gespeeld.
‘Ongekend hard? Heb jij de beelden van het WK ’74 wel eens teruggezien? Godallemachtig. Elleboog hier, stoot in de maag daar. De zaag ging er soms op kniehoogte in. Dus schei uit alsjeblieft met je “ongekend hard”. Het enige verschil is dat er nu tweeëndertig camera’s omheen staan.’
De overgang van zijn hectische leven in de Kuip naar zijn huidige bestaan is groot, zegt Been-hakker. ‘Het zijn lange dagen om te vullen.’ Het heeft ook voordelen; hij heeft weer wat meer tijd voor zijn kinderen, en voor zijn ‘huisie’. En hij kijkt toch ook weer vooruit. ‘Mensen zeggen wel eens: “Man, je bent achtenzestig. Ga toch ‘ns genieten! Ze vergeten dat ik al vijfenveertig jaar geniet.’ Hij ziet zichzelf niet meer op het veld staan, als trainer. Daar moet hij gewoon realistisch in zijn. Hij begint aardig last van zijn knieën te krijgen. ‘Dan kun je niet meer dagelijks het veld op met die jongens.’ Hij wil beslist nog ‘iets leuks’ doen. ‘Want zo mag het toch niet eindigen. Dat zou wel een heel schril slotakkoord zijn.’ De functie van bondscoach lijkt hem het waarschijnlijkst. ‘Reizen, wedstrijden zien, en niet al te intensief bezig zijn op dat veld. En anders zoek ik iets in het technisch management.’
Verliest het vak zijn glans niet als je zelf niet op dat veld staat?
‘Daar zelf staan is het mooiste dat er is. Dat heb ik de afgelopen jaren enorm gemist. Als ik vanuit mijn kantoor die spelers van het trainingsveld terug zag komen, met een blos op de wangen, dan voelde ik vaak heimwee opkomen. Op zo’n moment voelt je huidige werk aan als surrogaat. Die jongens zijn lekker bezig met elkaar, en jij zit op je kamertje een beetje suf te ouwehoeren. Maar goed, je kiest ergens voor en dan doé je het ook.’
Hij werkt aan een boek over zijn loopbaan. Hij kan als trainer terugzien op glanzende periodes: landstitels met Ajax, Feyenoord en Real Madrid, en triomfen als bondscoach van Trinidad en Tobago, en Polen. Momenteel is hij druk bezig feiten en jaartallen op papier te zetten. ‘Ik breng in kaart waar ik wat gedaan heb op deze aardkloot.’ Een mooie aanleiding om die dozen op zolder ‘ns goed uit te pluizen.
Hebt u verhuisdoos nummer dertien ook al uitgepakt?
‘Die zal zeker in het boek aan de orde komen.’
In die doos bewaart u naar eigen zeggen alle details over uw bondscoachschap tijdens dat dramatisch verlopen WK van 1990.
‘Dat WK is zonder meer de zwarte bladzijde uit mijn loopbaan. Daar hebben we totaal onder de maat gepresteerd. Onder mijn verantwoordelijkheid. Ondanks dat ik er persoonlijk weinig aan kon doen. Ik heb dat WK gedaan omdat Michels het mij vroeg, tegen beter weten in.’
Uw toenmalige assistent Nol de Ruiter schreef vorig jaar een boek waarin hij fel naar u uithaalde.
‘Ik heb dat boek niet gelezen. Het interesseert me niet.’
Voelde u zich erdoor gekwetst?
‘Welnee. Ik vind het zielig. Wie komt er nou na twintig jaar nog met z’n frustraties van toen aanzetten? Dat is de categorie “opa’s laatste kunstje”. Natuurlijk was het nooit mijn WK. Het was mijn ploeg niet, en mijn voorbereiding niet. Vervelend, maar ik zit er allang niet meer mee.’
Dat is nou weer precies zo’n onderwerp dat Beenhakker zelf in zijn hoofd weet op te lossen. ‘In gesprek met mezelf weet ik bijna alles een plek te geven. Daar heb ik geen psychiater voor nodig.’ Al zitten daar grenzen aan, weet hij. ‘De dood van dierbaren kun je niet oplossen en een verbroken relatie ook niet. Ik was veertien toen ik mijn vader verloor, na een verschrikkelijk ziekbed van twee jaar. Ik kwam er als enig kind alleen voor te staan, want mijn moeder moest de deur uit om te werken. De kwaadheid om zijn dood voel ik vijftig jaar later nog steeds. Dat blijft een open wond. Maar ik kan leven met die zere plek. Die pijn wil ik zelfs blijven voelen. Het verdriet om hem is de basis van mijn bestaan, mijn ijkpunt. Want hoeveel pijn zoiets ook doet, het helpt je ook om je eigen kracht te ontwikkelen. Het kan geen toeval zijn dat veel grote trainers jong hun vader hebben verloren: Cruijff, Advocaat, Van Gaal, Van Hanegem. Het begint als overleven, je doet alles om niet ten onder te gaan. Je moet met vallen en opstaan leren om je eigen vader te worden. Daarna wordt het je motor. Je wilt bij alles wat je doet graag dat je vader trots op je geweest zou zijn. Ik ben nu twee keer zo oud als hij ooit geworden is. Er is sinds zijn dood geen dag voorbij gegaan dat ik niet aan hem dacht. En ik weet bijna zeker dat die ouwe zou zeggen: “Niet gek gedaan, jochie.”‘
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.