Als criminelen zaten ze hun gevangenisstraf uit: ‘Ze hebben een straflijst van hier tot Tokio.’ Ze werden daarna jarenlang behandeld in een tbs-kliniek. En als de mannen na de therapie nog veel te gevaarlijk zijn om terug te keren naar de maatschappij? Dan ‘wonen’ ze, van het leven afgegrendeld, in een longstay-unit. Zoals het Kempehuis in Nijmegen. Malou van Hintum bracht lange tijd binnen de hekken door en sprak met tien van deze mannen. Zijn ze ‘overgeleverd aan het oordeel van de duivel’?
‘U zij de glórie, o-op-gestane Heer. U zij de victórie, nu en immer meer.’ Het vierstemmig koor van de streng bewaakte tbs-kliniek in Nijmegen oefent een religieuze samenzang. Zijn de uitbehandelde tbs’ers onder de zangers pedoseksuelen? Gewelddadige overvallers?
‘Uit een blinkend stromen, daalde d’engel af.’ De andere koorleden zijn vrijwilligers. Keurige oudere dames met geruite rokken tot over de knie en smaakvolle gouden hangers in de oren. Een van hen zal ik later nog eens tegenkomen, bij een schrijfavond voor Amnesty International. Maar nu is er eerst thee, aan de tafels voor het altaar. Met een koekje.
Al na een paar dagen ben je eraan gewend. De dubbele, vijf meter hoge hekken waar de portier van het Kempehuis je doorheen moet laten. De zware entreedeur van het gebouw die je pas kunt openduwen als diezelfde portier dat toestaat. De beveiligde deur naar het hokje waar alle sleutels en piepers hangen. Pas dan, met eigen sleutels op zak, kun je op eigen kracht de ene na de andere deur van het slot halen. Vijf deuren later sta je bij ze binnen: de mannen van Hooiberg 1, een van de vier afdelingen van het Kempehuis.
Er wonen tien tbs’ers met persoonlijkheidsstoornissen; in totaal bergt de longstay-unit van de Nijmeegse Pompekliniek veertig bewoners. Ze zijn allemaal uitbehandeld verklaard, maar ze mogen niet terug naar de maatschappij. Daar zijn ze te gevaarlijk voor, vinden de deskundigen die hen meer dan zes jaar onder hun hoede hadden.
Ze zijn in het verleden te vaak in de fout gegaan, hun behandeling heeft niet of nauwelijks geholpen, en ze worden daarom nog steeds in staat geacht dat te doen wat hen tbs opleverde: zich excessief gewelddadig gedragen, vrouwen of kinderen verkrachten, bizarre moorden plegen. En zo zijn de mannen van criminelen die hun gevangenisstraf uitzaten, via patiënten die in de kliniek behandeling kregen, nu ‘bewoners’ geworden.
Ze wonen met zijn allen op één gang. Ze delen samen een ‘groepsruimte’ met twee grote eettafels, tien stoelen, een breedbeeldtelevisie en een leren driezitter. Ook is er een open keuken met elektrische kookplaten, oven en magnetron.
Lang niet alle mannen hebben kookgelegenheid op hun kamer van drie bij vier, maar ook lang niet iedereen waardeert het warme eten dat stipt om halfeen ’s middags vanuit de kliniek wordt verstrekt. Sommigen koken daarom voor zichzelf ‘op de groep’.
Wel beschikken alle kamers over een natte cel, met een in de muur gemonteerde douchekop en een knop voor warm water die om de haverklap moet worden ingedrukt. De temperatuur van het water kunnen de bewoners niet zelf beïnvloeden. Sommigen zijn zo ontevreden over de douche dat ze rugklachten hebben. Zij mogen nu drie maanden lang wekelijks in bad. Op medische indicatie.
Geen kliniek, geen gevangenis, maar eruit mag je ook niet. Toch blijven de meeste mannen ‘binnen’ hopen. De een gelaten, de ander vol vertrouwen, een derde met hulp van zijn advocaat. Eén bewoner mag binnenkort vertrekken. De potentiële slachtoffertjes van een oude, zieke pedoseksueel lopen veel harder dan hij met zijn rollator kan bijhouden. Maar niemand wil op zijn eigen aftakeling wachten.
‘Ik zit in totaal nu bijna twintig jaar binnen, dat is lang genoeg,’ vindt Chris (34). ‘Als ik nou niks geleerd had, zou ik zeggen: je hebt gelijk. Maar ik weet nu waar ik sta, ik zal nooit meer zo’n stommiteit uithalen. Ik ben genezen. Maar nou plaatsen ze me hier, waar ik tegen een muur aanloop.’ Er wordt hier niet naar je geluisterd, vindt Chris.
Het is een klacht die verschillende bewoners met hem delen. Ze voelen zich afgeschreven. Hun behandeling is beëindigd, maar hun straf niet.
‘Ik verafschuw mijn verleden, maar ik wil positief aan mijn toekomst werken,’ mompelt Chris. ‘Hier hameren ze op je verleden, dat ik niet ongedaan kan maken. Als ze me naar buiten laten, kan ik de maatschappij bewijzen dat ik veranderd ben. Tbs is bedoeld voor behandeling, niet voor levenslang.’
Ooit pleegde Chris een zedendelict tijdens een proefverlof – zeggen zijn behandelaars. Zelf geeft hij een andere lezing van wat er gebeurde. ‘Ik vroeg alleen maar twee meisjes de weg. Het was een akkefietje! De vorige kliniek, Veldzicht, heeft het zwart aangedikt! Zij zeiden dat het leek op een delict uit 1993, waarvoor ik toen bij hen kwam. En de rechtbank gelooft de deskundige.’
Chris wil zijn zaak laten voorkomen bij het Europese Hof. Hij zint nu op manieren om een advocaat te kunnen betalen. ‘Ik ben bezig met loterijen. Het hoeft maar één keer raak te zijn.’ Hij kijkt me indringend aan: ‘Als je dan ziet wat anderen hebben gedaan, die al twee jaar buiten zijn. Het is natuurlijk verschrikkelijk, twee pogingen tot aanranding, maar de meesten zitten hier voor veel zwaardere delicten. En met zulke mensen moet je dan omgaan. Dat haalt je naar beneden, hoor.’
Daarom eet hij zwijgend de warme groepsmaaltijd op, en vertrekt hij van tafel zodra zijn bord leeg is. En daarom zit hij vaak op zijn kamer, een met rechthoekige precisie ingerichte ruimte waar autootjes achter glas schitteren en cd’s keurig genummerd in het gelid staan. ‘Mijn broers zeggen weleens: in jouw geval had ik allang een stuk touw gepakt. Maar een van mijn zussen, die een soort tweede moeder voor me is, zegt: je moet volhouden. Je bent een vechter. En het is waar, ik ben enorm sterk.’
Hij haalt onder een kleurige doek een accordeon te voorschijn. Even later schalt ‘Tulpen uit Amsterdam’ door de kamer. ‘Ik wil het opnemen voor een demo, en dan een cd maken.’ Hij glimlacht. ‘Je moet alles proberen. Ik blijf positief, ik blijf moed houden. Zij schrijven op dat ik depressief ben. Maar ik voel me goed.’
‘Zij’ – dat waren vroeger de behandelaars, en nu zijn ‘zij’ de ‘forensisch psychiatrisch begeleiders’, kortweg: de staf. De mensen die ’s morgens om half negen de deuren van alle kamers van het slot draaien, en ’s avonds om tien uur iedereen weer opsluiten (‘insluiten’, zeggen ze zelf). Zij eten samen met de bewoners, maken een praatje met ze, doen een spelletje, gaan mee op verlof, houden een oogje in het zeil. En letten op dat de macht der gewoonte niet toeslaat. Dat lukt niet altijd.
Fervent klusser Kees (53) moet elke dag al zijn gereedschap afstaan, maar het kan gebeuren dat er dagenlang een elektrische schroevendraaier op zijn kamer in de oplader ligt. In de stafkamer hangen twee strijkijzers, een vleesmes, een robuust gekarteld mes en vijf aardappelschilmesjes naast een registratielijst. Een bewoner heeft gewoon een aardappelschilmesje op zijn kamer. Op een dag tref ik Kees in de groepsruimte terwijl hij een laag beits van een tafelblad afschuurt met een stuk gebroken glas. Op tafel staat een doosje met nog een stuk of tien scherven, zó voor het grijpen.
‘Nou ja,’ zegt een staflid naderhand, ‘als ze een fotolijstje breken, hebben ze ook een wapen.’ Wie mensen zo normaal mogelijk laat leven, met bestek, servies en prulletjes, creëert een eindeloze hoeveelheid potentiële wapens. Een bewoner legt me uit hoe hij ongemerkt een vlijmscherp wapen kan maken: ‘Je neemt gewoon in je mouw een mes mee uit de keuken, en slijpt dat in de werkplaats zo scherp als je wilt. Merkt niemand.’
Dan hebben we het nog niet over de fysieke kracht waar verschillende bewoners over beschikken. George vertelt op een avond hoe er, in de gevangenis van Winschoten, zeven mannen nodig waren om hem in bedwang te houden. ‘Met helmen op!’
Simon (52) heeft buikloop gehad, maar is weer helemaal boven Jan – voor zover je daar bij Simon van kunt spreken. Zijn medicijnenlijst beslaat een half A4tje. De laatste dagen klaagt hij over pijn in zijn borst. Er wordt een afspraak met de cardioloog gemaakt, met voorrang; na zestien hartinfarcten en een hartstilstand lijkt het niet raadzaam hem lang met zijn klachten te laten doorlopen. Helemaal vanuit Veldzicht, de Overijsselse tbs-kliniek, komt een busje om hem naar het ziekenhuis aan de overkant van de weg te brengen. De speciale beveiliging die voor Simon nodig is, heeft de Pompekliniek niet in huis.
‘Ze denken dat ik vluchtgevaarlijk ben,’ zegt hij verontwaardigd. ‘Nou, ik had hier al zó vaak kunnen weglopen! Een poos geleden kon je onder het hek door, daar was een gang gegraven. Veertien dagen heb ik de kans gehad om te ontsnappen.’
Simon werkt bij de interne dienst van de kliniek en rijdt eten rond. Hij is de enige die zich dagelijks zonder begeleider beweegt tussen het Kempehuis, waar longstayers als hijzelf wonen, en de kliniek, waar de andere tbs’ers zitten. In de kliniek zijn alle voorzieningen waar ook de Kempehuisbewoners gebruik van kunnen maken: de sportzaal, de fitness-ruimte, het muzieklokaal vol instrumenten, de kapel, de ‘middenhal’ waar met hout en metaal gewerkt kan worden, het winkeltje waar een goedlachse Schot vooral snoep en sigaretten verkoopt. De twee gebouwen worden gescheiden door een grote tuin, kassen en een sportveld. En een beveiligd hek, natuurlijk.
Vandaag komen we de etensbakken voor Hooiberg 1 en Hooiberg 2 laden. Maar dat gaat zomaar niet. De keuken, in de figuur van een stevige, goedgebekte dame, weigert Simon het eten mee te geven. Buikgriep, toch? Hij is laaiend omdat ze niet gelooft dat hij beter is. Zelfs de kok komt poolshoogte nemen. ‘Als ze me niet vertrouwen, doe ik het nooit meer,’ zegt hij boos.
Uiteindelijk zijn we stipt op tijd om de inhoud uit de verwarmde etensbakken in witte, ronde schalen te scheppen. ‘Dan is het wat huiselijker,’ vindt een staflid. De maaltijd zelf is een demonstratie van in zo kort mogelijke tijd zo snel mogelijk een bord eten naar binnen schuiven, en daar zo min mogelijk bij praten. De gemiddelde duur van het verorberen van een warme maaltijd bij de mannen van Hooiberg 1: negen komma vijf minuten. Stamppot zeven minuten, Indisch eten twaalf.
Tussen staf en bewoners is de relatie anders dan in de kliniek aan de overkant. In het Kempehuis moet de leefomgeving van de bewoners zo normaal mogelijk zijn. Maar staf en bewoners mogen niet te close worden. Zorgmanager Wim Blaak (51), die de stafleden coacht: ‘Hier heb je mensen die in hun dagelijks gedrag niet gestoord overkomen en die hun ellendige leven en de perspectiefloosheid van hun situatie heel goed kunnen overbrengen. Werkers gaan soms te veel voelen voor de man achter de dader. Dan heb je een probleem.’
Een medewerker die bevriend raakt met een bewoner kan voor heel wat ellende zorgen. ‘De vent in Hooiberg 2, de afdeling boven Hooiberg 1, die een relatie heeft gehad met een staflid, voelt zich ver boven ons verheven,’ verzucht een staflid. ‘Zo kun je niet werken.’ De betreffende collega is inmiddels ontslagen, maar de onrust is ‘boven’ nog niet verdwenen.
‘Ik keur de daad af, maar de dader niet,’ zegt een staflid. ‘Omdat we vrij veel met de mannen bezig zijn, vervaagt soms de grens tussen afstand en nabijheid. Op zo’n moment pak ik een strafdossier, met foto’s van het delict en het slachtoffer. Dat creëert een gepaste afstand.’
Simon – ‘ik zit al vanaf 1974 in tbs’– komt uit een incestgezin. Hij vertelt zijn verhaal rustig. Af en toe gebaart hij met zijn getatoeëerde handen – de letters l o v e zijn verdeeld over vier vingers. ‘Van kinds af aan ben ik seksueel misbruikt, door mijn vader en moeder. Dat vertelde ik de gezinsvoogdes, die erover praatte met mijn ouders. Maar mijn vader zei dat ik een leugenaar was, en sloeg me. Pas in 1990 werd ik geloofd, de tweede keer dat ik in het Pieter Baan Centrum was.’
Simon wijst op een bobbel op zijn voorhoofd: ‘Door een honkbalknuppel, daar sloeg mijn vader mee.’ Hij laat ook een litteken op zijn hand zien: ‘Dat is een gat van een mes. Toen mijn vader mijn zesjarige zusje wilde verkrachten, probeerde ik hem met een mes aan te vallen, maar in plaats daarvan raakte het mes mij.’ Hij vertelt hoe zijn zusje na het eerste misbruik door zijn vader helemaal bloedde van onderen. ‘Ik heb haar toen twee weken verpleegd en uit de buurt van mijn vader gehouden.’
Zijn ouders scheidden, en Simon werd tot seks gedwongen met zijn stiefmoeder. ‘Je wordt op een gegeven moment hyperactief op seksueel gebied. Als twaalfjarige jongen kwam ik thuis, en zat mijn stiefmoeder in haar spijkerrokje met de benen wijd op me te wachten. Dan moest ik haar een beurt geven, drie, vier keer per dag.’ Hij kijkt me even aan. ‘Het is heel raar; wat je moet doen is heel erg, maar het wordt ook een verslaving.’ Ook moest hij zijn jongste zus misbruiken, in het bijzijn van zijn vader en stiefmoeder. ‘Als ik weigerde, werd ik geslagen en moest ik het kolenhok in.’
Simon kwam al jong met justitie in aanraking. ‘Ik ging moedwillig stelen om in een Huis van Bewaring te komen. Daar werd ik tenminste niet lastig gevallen. Ik was toen een jaar of 13,14. Maar ik moest in het weekend wel naar huis,’ zegt hij. Pas veel later hoorde hij dat zijn moeder zelf vanaf haar dertiende jaar is misbruikt door haar vader en diens vrienden. ‘Ik heb nu helemaal geen wrok meer naar haar. Ik begrijp het.’
Simon heeft drie dochters bij drie verschillende vrouwen. De oudste is 33 jaar en heeft een kind van elf. Hij heeft geen idee hoe zijn kleinzoon eruit ziet. Zijn oudste twee dochters hebben hem weleens gezien; de jongste, 16 jaar, zag hij zelf voor het laatst toen ze een halfjaar oud was. De foto’s van zijn kinderen is hij tien jaar geleden kwijtgeraakt bij een verhuizing van de ene inrichting naar de andere.
Ontmoeten zal hij zijn kinderen en kleinkind waarschijnlijk nooit. ‘In overleg met psychologen, psychiaters en het maatschappelijk werk heb ik besloten dat ik ze het leven niet moeilijk moet maken.’ Simon is zeventien keer veroordeeld voor diefstal, mishandeling en afpersing. Hij kreeg tbs na de verkrachting van een minderjarig meisje, in 1974. Tussen 1988 en 1996 verkrachtte hij vijf jonge meisjes.
Vanuit de groepsruimte is er een deur naar buiten, naar een met klinkers geplaveid terras en een tuin met vijver. Dat voordeel hebben de mannen van beneden op die van boven; ze kunnen zelf de frisse lucht in, om een sigaret te roken. We staan te klappertanden naast de rieten stoelen en de houten picknickbank.
Buiten is het commentaar op de stafleden niet van de lucht. ‘Die zitten alleen maar achter de krant, noem je dat wérken?’ zegt iemand. ‘Je ziet ze als het eten wordt binnengebracht, dan zijn ze er ineens als de kippen bij. Verder heb je er niks aan.’ Ze luisteren met hun oren dicht en praten kunnen ze ook al niet, alleen e-mailtjes versturen. ‘Ze vragen hoe je d’r bij zit, en dat is het dan.’ Papieren maken ze dagen te laat in orde. Medicijnen zijn er soms niet of worden op de verkeerde tijden verstrekt. Beloften verbroken. ‘Maar ja, dat mag jij allemaal niet opschrijven. Want er mag hier niks verteld worden dat de leiding van de kliniek niet zint.’
In de eerste dagen van mijn verblijf gaven de bewoners nog hoog op over de tolerantie en openheid van de staf. Nu hoor ik andere geluiden. ‘Onverschillig’ zijn ze, en ze hebben ‘een groot ego’. De staf heeft te veel macht. Willekeur heeft vrij spel. Je kunt geen kant op. Ja, klagen. Maar daar moet je mee oppassen. Als de staf iets niet zint, word je ‘achter de deur gezet’, en dat kan zomaar gebeuren. En geen haan die ernaar kraait.
Ze gaan niet zo ver als een bewoner van Hooiberg 2, die op bezoek komt. Pierre noemt zijn kamer ‘een dodencel’ en is, zegt hij, ‘overgeleverd aan het oordeel van de duivel’. Hij roept: ‘Het enige wat je hier kunt is acht planken aan elkaar timmeren en met je neus naarbuiten. Dat is hun opzet. We zijn afgeschreven hier.’ Pierre voorspelt een fikse opstand. ‘Dit systeem, de longstay, houdt geen stand. Er gaan dooien vallen.’
‘Boven’ is er uit onvrede al eens brand gesticht, en slaagde iemand erin het glas in het raam van zijn kamer te breken door er met een papegaaienbek op in te slaan. Pierre: ‘Je wordt hier aan alle kanten genaaid en vernederd. Je denkt toch niet dat ik hier de rest van de tijd blijf zitten? Als ik de kans krijg, doe ik hetzelfde als de mensen die mij vernederd hebben. Die komen hier niet levend uit.’
Hoe onmenselijk is de longstay? Is het beter de bewoners te verdelen over gevangenissen en psychiatrische inrichtingen? Hoeveel tijd moet er verstreken zijn om te weten dat iemand niet meer in herhaling vervalt? De meeste mannen pleegden hun laatste delict meer dan tien jaar geleden. Hoe kunnen zij bewijzen dat ze veranderd zijn, en, hoe kunnen psychiaters zeker weten dat dat niet het geval is? De behandelcoördinator vertelt dat zeventig procent van de Nederlanders scoort op de internationale meetlat voor psychische stoornissen. ‘Als ik wil kan ik iederéén delictgevaarlijk maken.’
Moet Simon naar buiten mogen? Is hij nog altijd zo gevaarlijk gestoord als vroeger? Of moet hij vierentwintig uur per dag op zijn tenen lopen, omdat elke chagrijnige bui of geïrriteerde uitval zijn gestoordheid ‘bewijst’?
Feit is dat de mannen van Hooiberg 1 zich ontzettend goed normaal kunnen voordoen. Beleefd, zelfs. Het was een verademing om twee weken lang ergens te zijn waar geen enkele keer het woord ‘kut’ met allerlei achtervoegsels werd gebruikt, en waar in mijn bijzijn geen vloek is gevallen.
Het regent als we op de fiets koers zetten naar de Lidl en de Edah. George (48) heeft de fietskar achter zijn tweewieler gemonteerd, het boodschappenlijstje van enkele medebewoners zit in zijn jaszak. Bolletjes, broodbeleg, melk, groente, kaas, frisdrank. En, niet te vergeten, voor hemzelf de gyros, zijn wekelijkse portie dertig eieren, de kebab en de bak pao-broodjes, standaard eet hij er twee elke avond, plus een paar dozen saucijzenbroodjes voor het Dorpshuis.
In de winkels verliest hij geen seconde tijd. Met een kar vol etenswaren vertrekken we na ruim een uur weer richting Kempehuis. Voor een rood stoplicht vraag ik hem of hij nooit de neiging heeft de andere kant op te slaan. Hij lacht. ‘Nee, hoor. Ik heb buiten niemand meer. Ik heb de tijd en de energie niet meer om opnieuw te beginnen. In totaal heb ik zesentwintig jaar achter de rug.’ Zijn beste maat zit op de Korenmolen, een andere afdeling van het Kempehuis. ‘Dat was de reden waarom ik hier naartoe wilde.’
George – ‘ik ben een echte bajesklant, ik heb zoveel geflikt, ik weet niks anders’ – is vanuit de Groningse Mesdagkliniek naar het Kempehuis gekomen, zoals veel van de mannen hier. Ze kennen elkaar vaak al twintig jaar of langer, uit inrichtingen verspreid over het hele land. De grachtengordel van de onderwereld: Winschoten, Oldekotte, De Bunker, Veldzicht, de Mesdag, iedereen weet hoe het er daar uit ziet, wat voor personeel er rondloopt en of het er een beetje te harden is. Die laatste twee factoren hangen sterk samen. ‘Hier krijg je respect,’ zegt George. ‘In Groningen was het personeel God. Het heet niet voor niets de Hel van het Noorden.’
George zag in 1977 vrouw en kind voor zijn neus overreden worden terwijl ze een zebrapad overstaken. Zijn tweede vrouw overleed aan hartproblemen. ‘Sinds 1985 is mijn hart eruit gerukt,’ zegt hij. ’s Avonds laat hij een indrukwekkende tekening zien van blauw krijt op dik, wit papier. Een skelet dat een jonge vrouw omhelst. ‘Leven en dood,’ licht hij toe. ‘Ik heb daarna nooit meer getekend en ga het ook niet meer doen.’ Echt niet? ‘Echt niet,’ zegt hij kort. Hij rolt de tekening weer zorgvuldig in de koker.
George runt het Dorpshuis, de ontmoetingsruimte in het Kempehuis waar stafleden en bewoners elkaar elke ochtend rond tienen voor een bakkie treffen. Rond de bar fluiten een paar mannen mee met de radio: ‘Always look at the bright side of life’. De koffie is gratis. Verschillende bewoners hebben een eigen mok. ‘Ik ben daar wel precies op,’ zegt George. ‘Vanwege koortslippen enzo.’
Hij is op Hooiberg 1 de man van de vogels. In een volière die op de afdeling op de gang voor een raam is geplaatst, kwetteren de hele dag een stuk of vijftien grasparkieten en één Agapornis. In een van de opgehangen kastjes worden nieuwe parkietjes uitgebroed.
George bracht zijn jeugd in Engeland door, bij pleegouders, in kindertehuizen en jeugdinrichtingen. Hij vertelt hoe de eigenaar van zo’n tehuis, een ex-kolonel, de jongens liet kiezen met welke stok ze geslagen wilden worden: hoe dunner, hoe meer slaag, hoe dikker, hoe harder. Om te voorkomen dat ze onder het slaan probeerden te ontsnappen, werden hun polsen in leren banden vastgezet die in de muur bevestigd waren.
Waarom hij hier zit, kom ik niet te weten.
De leiding van de kliniek heeft besloten dat ik geen enkel dossier mag inzien. Privacybescherming. Het maakt het onmogelijk uitspraken van bewoners over hun superieure zelfkennis en verdwenen criminele neigingen in perspectief te plaatsen. Maar ik weet dat sommigen me voorliegen en halve waarheden vertellen. En ik weet dat deze mannen dankzij eindeloze behandelingen het hulpverlenersjargon in al zijn facetten beheersen. Zoals iemand zegt: ‘Ik ben volledig getherapeutiseerd.’
Ik merk ook dat de staf het gedrag van bewoners soms met een loep bestudeert. Zo wordt er met zorg melding gemaakt van het feit dat een bewoner zijn kapotte joystick uit frustratie in de prullenbak heeft gegooid, iets wat me een tamelijk normale, menselijke reactie lijkt. Een van de stafleden zegt: ‘Je vraagt je weleens af of je bepaald gedrag hier anders beoordeelt dan je buiten de hekken zou doen. Er zit hier een borderliner, nou, die zitten buiten ook. Dat is op zichzelf geen reden om iemand vast te houden.’ Om er haastig aan toe te voegen: ‘Deze man is trouwens wel behóórlijk gestoord, hoor.’
Het gaat natuurlijk altijd om een cumulatie van factoren, en bovendien weet je niet waardoor een individuele man wordt ‘getriggerd’, zoals ze dat noemen. Daarom denk ik, als ik met Jan (46) in een lift stap, er heel even aan dat hij een willekeurige vrouw heeft verkracht en vermoord – nou ja, het is maar één verdieping.
Jan is een echte klerenkast: twee meter lang, honderdtwintig kilo zwaar, handen als kolenschoppen. Hij is het ook die me door de tuin rondleidt. Hij laat zien waar hij boomstammen zaagt, en daarna in stukken hakt. In een gebouwtje op het terrein demonstreert hij zijn kettingzaag, en zwaait hij met een buitenmaatse bijl boven mijn hoofd. Waarom mag hij dát eigenlijk wel, maar moet hij achter de hekken blijven?
‘Ik zou niet anders willen,’ zegt Jan, wiens dagen van ’s ochtends vroeg tot bedtijd gevuld zijn met activiteiten. ‘Structuur is voor mij een toverwoord. Als ik dat niet heb, gaat het helemaal mis.’ Hij zou graag eens een keer uitwaaien aan het strand. Maar terug de maatschappij in? Nee, echt niet. Daar komt hij te veel factoren tegen – drank, drugs – die hem onmiddellijk weer op het slechte pad brengen.
Op een avond vraagt Simon me of ik me ooit onveilig heb gevoeld tussen hen. Ik zeg dat ik sommige bewoners niet graag buiten zou tegenkomen. Voorlopig ga ik er toch maar van uit dat ik niet voor niets met een alarm op zak loop. ‘Zeker de helft heeft meermalen seksueel geweld gepleegd, van wie een groot deel pedoseksuele delicten,’ schetst behandelcoördinator Ed Schutgens (58) in zijn bescheiden kantoor de achtergrond van de Kempehuisbewoners. ‘In andere gevallen is er sprake van relationeel geweld, al of niet in combinatie met seksueel geweld.’
Andere bewoners zijn psychiatrisch gestoord en kampten met ernstige verslavingen, een combinatie die bijna automatisch uitmondt in gewelddadig gedrag. ‘Ze hebben een straflijst van hier tot Tokio, bijna allemaal delicten die ze pleegden om een verslaving te onderhouden. Inclusief het vermoorden van mensen.’ De meesten hebben in het verleden de kans gehad naar de maatschappij terug te keren, maar die kans verknoeid. Ze pleegden een delict tijdens een proefverlof.
Ed Schutgens adviseert de rechter elke twee jaar of de tbs van de bewoners verlengd moet worden. Verschillende bewoners denken dat alleen een advocaat hen nog naar buiten kan helpen. Maar Ed vindt het ook zijn verantwoordelijkheid om mogelijk ontslag in het oog te houden. ‘Je kunt je voorstellen dat er ontwikkelingen zijn op het gebied van de forensische psychiatrie die behandeling of zelfs ontslaan uit tbs tot gevolg kunnen hebben,’ zegt hij. ‘Daarbij moet je ook aan medicijnen denken. Sommige bewoners kunnen op termijn een vorm van begeleiding en beveiliging krijgen waarbij ze zoveel mogelijk vrij zijn, maar de maatschappij wel optimaal wordt beschermd.’
De maatschappij heeft recht op zekerheid, natuurlijk, maar de mannen verdienen wel zorg en aandacht. Ed: ‘Ze zitten hier niet voor delicten die ze gepleegd hébben, daarvoor hebben ze hun straf al uitgezeten. Ze zitten hier voor iets wat ze’ – hij beklemtoont elk woord – ‘zouden kunnen gaan doen. Daar moet je een zo hoog mogelijke kwaliteit van leven tegenover zetten.’
Rocky’s vijfentwintigjarig jubileum viel op 5 januari dit jaar. ‘Nee, geen reden voor een feestje,’ zegt hij. De kleine Surinamer (57) is in het Kempehuis voortdurend in de weer met rijst en roti. ‘Jij moet eten, meid! Kom, neem een hapje!’
Op zijn kamer laat hij foto’s zien van hemzelf met alle burgemeesters in de regio Nijmegen. Stuk voor stuk genomen tijdens de Vierdaagse. ‘Dertien heb ik er al gelopen, mevrouw,’ zegt hij trots, en hij beklopt een bodywarmer boordevol medailles. De begeleiding voor het komend jaar heeft hij al geregeld. Beretrots benadrukt hij dat de directeur van de Pompestichting himself, Jos Poelmann, een keer een volle dag met hem heeft meegelopen.
Nee, Rocky is niet zomaar iemand, dat denken is wel de grootste fout die je kunt maken. ‘Ziet u die kamer daarboven?’ wijst hij een paar dagen later, wanneer we op het terrein tussen Kempehuis en kliniek wandelen. ‘Die kamer is van de directeur. Daar komt geen enkele bewoner. Behalve één.’ Hij knikt veelbetekenend. Tegen een passerende tbs’er roept hij in zijn typische Surinaamse tongval: ‘Wat heb jij nou aan begeleiding bij je, jongen. Een stagiair! Maar ik, ik heb zwáre begeleiding bij me, ja.’
In zijn kamer citeert hij uit Hindi-liederen en -gebedsboeken en laat hij Hindi-muziek horen. ‘Weet jij wie die zanger is? Ramdew Chaitoe. Zanger en worstelaar, en een volle neef van mij. Ik heb met hem rijst geplant en geworsteld. Helaas is hij overleden.’ Hij neuriet met half gesloten ogen de muziek mee, en vertaalt af en toe een stukje: ‘Ze hebben mij in stukjes gedeeld / ik ben veel veranderd / mijn leven is veranderd / de wind waait op alle manieren / maar je moet niet op alle manieren met de wind meegaan.’ Omzichtig om me heen cirkelend – ’nee nee, ik raak jou niet aan, echt niet’ – haalt hij achter zijn bed een uitvergrote jeugdfoto te voorschijn. Hij biedt mierzoete cappuccino aan en een sigaret.
Rocky heeft vrede met zijn situatie. ‘Ik zit goed hier. Gezien mijn leeftijd, mijn ziekte, mijn situatie.’ Vorig jaar kreeg hij een tia, sinds die tijd doet hij het rustiger aan. En hij heeft suikerziekte, zoals veel mannen in het Kempehuis. ‘Als je alleen staat buiten, moet je alles zelf doen,’ zegt hij ernstig. ‘Daar zou ik wel een beetje tegenop zien.’ Hij trekt rimpels in zijn voorhoofd, schudt zijn hoofd zachtjes heen en weer: ‘Ik heb erge geheimen, mevrouw. Ik was zwaar alcoholist. Elke keer als ik te veel had gedronken, gebeurde er iets. Ik heb mezelf vernietigd, ik heb mijn familie schande bezorgd. Het is mijn eigen schuld dat ik dit geworden ben. Het is voor mij te pijnlijk om over te praten.’
Jan en ik zijn schaterend van het lachen onderweg naar de maandelijkse Amnesty schrijfavond. Hij sjouwt een blad vol roomsoesjes mee. ‘Ik kreeg bij de boodschappen vier dozen in plaats van vier stuks!’ Twee dozen heeft hij in de vrieskist buiten de afdeling gelegd, zodat hij er ’s nachts niet bij kan. Jan moet afvallen, en de diëtiste heeft hem twee dagen geleden nog tot de orde geroepen.
Tot verbazing van dominee Bauk Zondag (41), die de avond leidt, zit het Dorpshuis al vol. Dankzij de wekelijkse klaverjasavond, waarop bewoners kaarten met een club van buiten, is geen tafeltje onbezet. ‘Weg aantrekkende werking,’ moppert ze. ‘Het zou juist zo goed zijn als nieuwe mensen aanschuiven.’ We gaan een verdieping hoger. Daar zitten dezelfde drie tbs’ers klaar als op de gespreksavond een week eerder. Toen ging het over oorsprong en nut van sterren – het definitieve antwoord werd die avond niet gevonden – nu wordt de pen ter hand genomen om regeringen tot menslievender gedrag aan te zetten. Samen met twee vrijwilligers, onder wie de sopraan van het kapelkoor, plus een regiovertegenwoordiger van Amnesty International, zetten ze zich aan het schrijven. Het gezelschap zal de Mexicaanse regering aansporen verkrachtingen door militairen niet in de doofpot te stoppen. De avond zal een recordaantal brieven opleveren: zeventien.
Een paar dagen later legt Bauk uit waarom ze de tbs’ers uitnodigt om zulke brieven te schrijven. ‘Ik wil die mannen iets laten betekenen voor anderen. Sommigen beseffen dat ze anderen veel schade en verdriet hebben aangedaan. Dat kun je nooit herstellen aan die mensen, maar je moet iemand ook niet de kans ontnemen om goed te doen. Anders wordt het kwaad in jezelf alleen maar groter.’
Ze zwijgt even, zegt dan: ‘Als je ondanks alle tekorten in je eigen leven ook nog iets kunt geven, vind ik dat knap. Daar zoek ik naar, om daar ruimte voor te geven.’
Aan de andere kant van het gelaagde glas maakt Jan een eetbeweging en een uitnodigend gebaar. Hij staat in de groepsruimte, ik in de stafkamer die er ovaalvormig tegenaan ligt. Door het glas kunnen bewoners en staf elkaar zien, maar niet horen. Even later zet hij een bord eten voor me neer: rijst, broccoli met een beet, stukjes gebakken kip en hawaï-saus.
Jan besloot zijn reeks delicten met een verkrachting en moord tijdens een proefverlof, nu zestien jaar geleden. Hij werd veroordeeld tot twintig jaar en tbs.
‘Vroeger, als ik me machteloos en verdrietig voelde, ging ik op zoek naar een underdog. Daarover ging ik macht uitoefenen, zo ontstonden mijn delicten,’ zegt hij. ‘Maar ik heb mezelf nooit in staat geacht dat te doen wat er is gebeurd. Mijn broers en zussen hebben vlak daarna gezegd: als je je ouders had vermoord, hadden we dat kunnen begrijpen. Maar dit niet. Dat je het geweld hebt gekopieerd waarmee je bent opgevoed, dat is de zwaarste dobber in mijn leven. Dat veroorzaakt schuldgevoelens, schaamte en spijt.’
Jan komt uit een incestgezin, vertelt hij. Zwartekousenkerk, elke avond de bijbel, geen televisie. ‘Er werd niet gesproken over wat er thuis plaatsvond. Maar ik lag wel bewusteloos in het ziekenhuis omdat vader zijn handen niet thuis kon houden.’
In de gevangenis ging hij boetseren, beeldhouwen, tekenen, schilderen, toneelspelen, zingen, dichten. Hij slaat een fotoalbum open met zijn werk. Een totempaal van hout beeldt zijn innerlijke strijd uit: de onderste figuur zit in elkaar gedoken, de tweede probeert rechtop te gaan zitten, de derde doet een poging te staan, worstelend met een blok op zijn hoofd. ‘Dat staat in de kerk van Veldzicht,’ zegt hij. Alle inrichtingen waar hij verbleef hebben een kunstwerk van hem staan, en dat zijn er nogal wat. ‘Mijn handtekening,’ noemt hij dat.
Hij laat een gedicht lezen: Naar de hel met / mijn erfenis van stamgebruiken / mijn barbaarse riten / ik kap met die stomme gebruiken / van de wortels / ik spuw mijn haat / mijn schaamte / in het gezicht van / de vromen / de heiligen / Ik trap het afval van / mijn nederlaag en mijn / nederigheid / in het gezicht van / de tovenaars / de blaffende halfmensen / Uit de diepste van mijn hel / schalt mijn stem / IK VEROORDEEL U TER DOOD.
‘Dat laatste slaat op mijn ouders.’
Hij vindt het nog steeds moeilijk dat in het Kempehuis mannen wonen die pedoseksuele delicten pleegden. ‘Die ga ik uit de weg. Anders komen er allerlei haatgevoelens en geweldsfantasieën boven. Zo iemand kwam eens naar me toe en zei: ik schaam me zo voor wat ik heb gedaan. Ik zei: mond houden, en stapte op.’
Een paar dagen later lopen we, op weg naar de tuin, langs een stuk graniet dat een beeld moet worden; een variant op de moeder-met-kind die in het klein al op de hoek van de bar in het Dorpshuis staat. ‘Geborgenheid in plaats van verdriet en pijn,’ zegt hij.
Elke middag tegen vieren staat Simon op wacht. Want dan komt Demelsa (42), zijn verloofde. Samen kletsen, samen eten, totdat Demelsa rond acht uur de brommer pakt naar huis. Ze kennen elkaar zeven jaar. ‘Mijn maatje, de eerste die me gelooft, me niet uitlacht, met wie ik alles kan delen,’ zegt hij emotioneel. ‘Ze is het mooiste wat me in mijn leven is overkomen.’
Het raakte aan in de gevangenis van Scheveningen, waar ze meekwam met een vriendin die hem opzocht. ‘Ik vind jou wel een lekker wijf,’ zei hij tegen haar. Twee februari 2002 zijn ze verloofd – hij laat stralend de ring met inscriptie zien die aan een gouden kettinkje om zijn nek hangt.
‘Ik schrok wel toen ik hoorde wat hij had gedaan,’ zegt Demelsa, die in het dagelijkse leven gehandicapten verzorgt. ‘Ik dacht bij tbs aan overvallen of moord. Waarom doet een man zoiets? Maar je hoort over de schokkende dingen die thuis zijn gebeurd. Daardoor begrijp je het beter.’ En dan die andere vraag: ‘Wil ik dit, kan ik dit?’ Als ik zou weten dat hij nooit vrij zou komen, had ik onze relatie beeindigd, zegt ze. ‘Je blijft toch allebei verlangen naar huisje-boompje-beestje. Toen we hier kwamen, is gezegd dat Simon hier hooguit twee jaar zou zitten. Hij moest zich alvast inschrijven als woningzoekende, wat hij ook heeft gedaan. Zelf ben ik van Utrecht naar Nijmegen verhuisd, zodat Simons verlof makkelijker geregeld zou kunnen worden. Maar van die belofte is niets terechtgekomen.’
Ze laten een papier zien waarop staat dat verlof in de toekomst niet onmogelijk is, maar ook niet waarschijnlijk wordt geacht. ‘Dat heeft Ed Schutgens opgeschreven, maar daar heeft hij spijt van,’ zegt Simon. ‘Volgend jaar vindt mijn verlengingszitting plaats. Als dan gezegd wordt dat het nog langer gaat duren, begin ik een rechtszaak.’
Vluchtgevaarlijk? Hij had hier al vaak genoeg kunnen ontsnappen. Delictgevaarlijk? ‘Je bent een hele pief als je met die medicijnen die ik slik plus mijn hartklachten nog een agressieve seksuele daad kunt plegen,’ zegt hij. ‘Als ik me een beetje opwind, lig ik met een hartinfarct in het ziekenhuis. De cardioloog waarschuwde dat lustremmende medicatie in combinatie met de bètablokkers die ik slik, levensgevaarlijk is.’
Hij vindt alle veiligheidsmaatregelen best: een elektronische enkelband om, een geïmplanteerde chip, een stok in zijn broek, handboeien om, waardoor hij niet kan wegrennen, een begeleider mee, vanzelfsprekend. Als hij maar, om te beginnen, een keertje met Demelsa boodschappen mag doen.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.