Veel aan Saskia de Jongs tweede bundel resistent ziet er dwars uit. Niet mooi en fijn. Het nogal vulgaire plastic omslagje met de grootgezette, raar afgebroken titel RESIST/ENT, waar de minuscule aanduiding ‘gedichten’ schamel tegen afsteekt, de onbeschaamde waslijst van hele lappen recensies (inclusief negatieve!) op de achterkant, de ongebruikelijke en nogal ondienstige appendix met negen in het Spaans vertaalde gedichten uit haar eerste bundel zoekt vaas (goed voor een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs). Geen dichteres die zich aantrekkelijk wenst te verkopen.
Niet toevallig luiden de motto’s respectievelijk ‘Most people are unpoetical, and you consider this a betrayal’ van Saul Bellow en ‘Frustra poeticas fores compos sui pepulit’ van Plato/Seneca: ‘Hij die meester is over zichzelf heeft tevergeefs geklopt op de deuren der poëzie.’ Ook het grote formaat en de ongebruikelijke uitvoering met rode letters op lichtgroene pagina’s wijzen op een tegendraadse inslag, vooral als je op de flaptekst dan leest: ‘Gedichten losgerukt uit de grootstad, uit straten en wijken, gestolen uit lichaam en melkweg, gedrukt uit het zwart van wat niet vergeten is op het wit van wat nog gezegd moet worden.’ Niks zwart en wit, zo te zien, en ook helemaal niet netjes verzameld, zelfs niet eens gepagineerd: ‘Je plukt er al de bloempjes af en maakt het veel te grof’; aan dat kinderliedje moest ik gedurig denken tijdens het lezen van resistent.
Ook de gedichten zelf doen beslist niet leuk en gezellig. De eerste regels van het eerste vers zetten de toon: ‘het boosaardig wijfje beet / knip, een beetje meer fut / wat zij zegt direct schot, geen klikken / en volle aandacht weggappen bij het snelbuffet / klap ging het glas.’ Zo’n soort temperament dus, met nogal wat taalgehussel en qua toon aansluitend bij ontregelende dichteressen als Astrid Lampe en Anne Vegter maar harder en, als ik het woord mag gebruiken, onvrouwelijker.
Zelfs zoiets moois als een bloem wordt niet heel gelaten: ‘bloeme, monster in het groen / die van alles zo het liefst het middelpunt // daar word je staarderig en tranerig van hè.’ Leuk, sarrend toontje vind ik dat wel, met veel van een angry young woman: mij krijg je niet voor het poëtische. Wat dat betreft klopt de nogal afstotelijke titel precies, dit is resistente poëzie, resistent tegen zachtheid en lieflijkheid, maar ook tegen wijsheid en begrip. Liever zet de dichteres een ontnuchterende keel op: ‘weer las ik een boek / van een mens die probeerde op te lossen / nu eens nooit meer.’
Zo jong en nu al zo gedesillusioneerd, ik geloof eerlijk gezegd dat het maar een halfgemeende en halfdoorleefde houding is, maar wel een houding die grosso modo prikkelende, schuinkijkende gedichten oplevert. Er zit iets nadrukkelijk antiburgerlijks in dat schotse en scheve taalgebruik (dat me overigens meer aan Lucebert deed denken dan aan bijvoorbeeld hedendaagse performers), maar vooral in de benadering van de wereld. ‘wat een illusie taal als verbindende factor / waar sta jij met jouw taal?’ schrijft Saskia de Jong ergens en zo bestrijdt ze de zoete gedachte dat poëzie een vorm van geslaagde communicatie zou kunnen zijn. Zelfs een onschuldige zondagsuitje, met ouders, glaasje drank en gezellig restaurant onderweg, gaat op de snijtafel:
ergens in het klaverblad of klaver-veld raakten we de weg
kwijt we volgden maar de swasti-ka’s, zo
aanwezige tekenen naar waar de weidsheid maakt wijs
we de vermeende zondagsrust dach-ten, zie elders
de ouders met de gebaksvork
prikken, het glaasje aflikken, de week uit
druipen onthand, omringd de oude fuivers en
het verkeer dat ze hebben geweten
zonder meer een nevelig avondmaal
Zo’n gedicht, met hakenkruizen in plaats van geluksklavertjes, is natuurlijk weer een aanklacht jegens de al te voor de hand liggende harmonie van het voorspelbare leven. Maar ook De Jong ontkomt niet aan de tweeslachtigheid van haar afkeer, want door al die ongewenste vrede te noemen, stort ze zich er toch ook in zekere zin verlekkerd op. Kakken op gefundenes Fressen: ‘je pantoffels staan klaar / pamflet van het eeuwig leven / is dit escher? // of een lolly eten al flierefluitend.’
Het is een dubbelzinnigheid die je ook aantreft bij andere dichters van de afkeer, de drek en de weerbarstigheid, zoals Piet Gerbrandy en Ilja Leonard Pfeijffer: wat zouden ze moeten zonder hun tegenzin? Zo’n dichteres is ook Saskia de Jong en wat je vaker ziet: taalvirtuositeit en woordgeilheid begeleiden het morsige levensgevoel. Er moet kennelijk toch iets bijzonders van gemaakt worden. De Jongs taalgebruik is dan ook elliptisch, ongrammaticaal, ontregeld, druk en met nogal wat dikke en grote woorden, allemaal niet zo erg dat je het niet volgen kunt, maar toch van een onmiskenbare barok.
Niet alles is even geslaagd, een gedicht als ‘ode aan de volhouder’ met allemaal o-kreten (o de afwas, o de nodige erkenning, o de lichaamstemperatuur en het gewicht et cetera) is me wat al te voorspelbaar en inderdaad voor de volhouder bedoeld, sommige andere verzen zijn me te geforceerd slordig, maar in het algemeen heeft zo’n heftig en irrationeel temperament toch het voordeel dat je je niet gauw verveelt, immers: ‘de wereld is toen gekweekt, de wezens / herschikt eindeloos, eindelijk hersenloos.’
Saskia de Jong. Resistent, gedichten. Uitg. Prometheus, 60 pagina’s, € 19,95
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.