Anders dan in Egypte en Tunesië zijn de sociale media voor Birmese activisten maar beperkt inzetbaar. En gevaarlijk.

Rangoon: vanuit de straten van gehavend plaveisel, aangvreten gevels en krakkemikkige taxi's kun je belanden in een meer ontwikkelde virtuele wereld Foto: Redux/HHRangoon: vanuit de straten van gehavend plaveisel, aangvreten gevels en krakkemikkige taxi’s kun je belanden in een meer ontwikkelde virtuele wereld Foto: Redux/HH

Vrijwel elke week voltrekt zich bij het postkantoor van Strand Road met zijn Britse koloniale gebouwen eenzelfde ritueel. Terwijl agenten van de geheime dienst hen met argusogen in de gaten houden, lopen twee mannen de schemerige ruimte met ventilatoren en donkerhouten lambrisering binnen. Ze geven een grote envelop af aan de beambten achter het traliewerk van de balie: ‘Post voor de president.’ Vervolgens overhandigen ze demonstratief kopieën van hun identiteitsbewijs, zodat alle gegevens van de afzenders bij de overheid bekend zijn.

De envelop die in de brievenbus van het nieuwbakken staatshoofd Thein Sein moet belanden, bevat een petitie die om de vrijlating van de ruim 2100 politieke gevangenen verzoekt. Om de handtekeningen te verzamelen, gaan activisten uit allerlei oppositiegroepen en sociale netwerken van deur tot deur.

De twee mannen van midden veertig zijn Phyo Min Thein en zijn collega Toe Kyaw Hlaing. Ze behoren tot een groep dissidenten die net als oppositieleidster Aung San Suu Kyi hoog op de zwarte lijst van staatsgevaarlijke elementen staan. Ondanks die prominente status lijkt hun manier van actievoeren in een tijdperk waarin mobiele telefoons, internet, Facebook en Twitter cruciaal zijn, hopeloos achterhaald.

Goedkope B-film

Omdat de Birmese regering journalisten als ongewenste pottenkijkers beschouwt, gaat het maken van een afspraak met de twee activisten gepaard met voorzorgsmaatregelen die in een goedkope B-film zouden passen. Na de nodige telefoontjes in codetaal manoeuvreert de tussenpersoon met zijn auto door de straten om te zien of hij geschaduwd wordt. ‘Geen brommer,’ constateert hij na een tijdje. In het chaotische verkeer van Rangoon is dat het favoriete vervoermiddel van de geheime dienst. Vanwege de complexe communicatie vormen misverstanden en chaos een gebruikelijk onderdeel van het journalistieke speurwerk in Birma, en zo ook deze keer.

Pas uren later dan afgesproken verschijnen Phyo Min Thein en Toe Kyaw Hlaing op een nieuwe locatie: het zijkamertje van een restaurant ver buiten het centrum van Rangoon. De journalist moet voorzichtig opereren om uitzetting te voorkomen, maar de twee willen juist wel bij naam genoemd worden. ‘No problem,’ benadrukken ze een paar keer. Het is een klassieke reactie onder dissidenten. Een terugkeer naar de cel beschouwen ze als risico van het vak en gevangenschap is een duistere, maar ook vertrouwde wereld waarin ze elk moment weer kunnen belanden. Solidariteit met de talloze vrienden en familieleden die nog vastzitten, maakt ook dat ze stoppen met hun werk geen optie vinden. ‘We verwachten niet meteen een arrestatie. De regering is nu nog druk bezig met het opbouwen van legitimiteit. Dat kan over een paar maanden anders zijn,’ denkt Phyo Min Thein die zelf van 1990 tot 2005 gevangenzat.

Terwijl de rijst met gebakken inktvis op tafel komt, vertelt hij over het initiatief om politieke gevangenen vrij te krijgen. Zijn voor Birmezen ongewoon rijzige verschijning straalt een soort milde arrogantie uit. Het biertje smaakt hem zichtbaar, maar zijn ogen blijven behoedzaam. Hij laat zijn woorden vertalen, maar doordat hij zijn blik strak gericht houdt op de interviewer lijkt het alsof hij toch rechtstreeks communiceert. Af en toe verexcuseert hij zich om een telefoongesprek te voeren. De talloze Birmese journalisten in ballingschap weten hem deze dagen te vinden om zijn mening over de nieuwe regering te horen of om te vragen hoe het met de handtekeningenactie staat.

‘Onze campagne ging half april van start. Aung San Suu Kyi tekende als eerste van inmiddels tienduizenden sympathisanten,’ zegt Phyo Min Thein. Behalve vrijlating van de gevangenen vraagt de petitie het staatshoofd ook om te werken aan verzoening tussen alle partijen en een klimaat te creëren waarin ballingen en vluchtelingen veilig naar huis kunnen keren. Vanuit de steden Rangoon en Mandalay breidt de campagne zich uit naar kleinere plaatsen. Sommigen tekenen openlijk, anderen laten fluisterend weten dat ze willen meedoen. ‘Ook monniken gaan met de lijsten rond. In het noorden van het land haalde de dochter van een politieke gevangene in haar eentje vijfhonderd namen op,’ vertelt hij trots.

Dissident Phyo Mon Thein (rechts) verzamelt handtekeningen. Het lijkt hopeloos achterhaald Foto: Nyein Chan Naing/EPA/ANPDissident Phyo Mon Thein (rechts) verzamelt handtekeningen. Het lijkt hopeloos achterhaald Foto: Nyein Chan Naing/EPA/ANP

Speldenprikken

De president aan wie de petitie is gericht, staat aan het hoofd van de nieuwe regering die eind maart aantrad. Hoewel die voornamelijk uit militairen in een burgerpakje bestaat, is nog niet duidelijk of alle ministers ook hardliners zijn. Er circuleerden zelfs geruchten dat er mede dankzij instemming van de president een amnestie zou komen. Zoals vaak in Birma bleek dat optimisme misplaatst. Phyo Min Thein was in de gevangenis voor een bezoek aan zijn zwager toen het bericht kwam dat alle straffen met een jaar gekort werden. ‘Het betekent dat mijn zwager 64 in plaats van 65 jaar vastzit.’ Zijn blik wordt donker. ‘En dat noemt de regering amnestie. Is het niet verschrikkelijk wreed?’

Hun speldenprikken van verzet steken schril af tegen de massale protesten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. De Birmese dissidenten volgen het nieuws uit die regio met interesse, maar ook met een zekere distantie en zonder te verwachten dat de vonk overslaat. ‘Wij zijn al in 1988, 1996 en 2007 in opstand gekomen. We weten dat ons leger niet zal aarzelen om te schieten,’ vertelt Phyo Min Theins collega. Het is een reactie die bij veel meer Birmezen te beluisteren valt. Oppositieleidster Aung San Suu Kyi noemt de omwentelingen benijdenswaardig, maar ze concludeert ook dat in Birma is gebleken dat militairen de trekker overhalen als demonstranten de straat op gaan. De wijk is uitgestorven als de dissidenten rond elf uur ’s avonds uit het restaurant vertrekken. De elektriciteit is uitgevallen en het donker maakt van de miljoenenstad een dorp. Door de verlaten duisternis geurt de frangipani alsof daarmee iets van de tragiek van Birma te verzachten valt.

Geweren

De werkwijze van Phyo Min Thein en zijn vrienden is tekenend voor de ouderwetse manier waarop veel netwerken van dissidenten opereren. Anders dan in Egypte en Tunesië zijn de sociale media voor Birmese activisten beperkte instrumenten. Phyo Min Thein en de zijnen bezitten allemaal een mobiele telefoon, maar smartphones zijn zeldzaam en slechts een enkeling heeft thuis een internetverbinding. Cijfers zijn in Birma onbetrouwbaar, maar de overheid schat het aantal internetgebruikers onder de ongeveer zevenenvijftig miljoen inwoners op vierhonderdduizend. Elektronische handtekeningen voor de actie om de politieke gevangenen vrij te krijgen, worden vooral door buitenlandse websites opgehaald. Ook andere digitale initiatieven zijn beperkt. Op 13 februari, twee dagen na het aftreden van Mubarak, verscheen op Facebook een gebalde vuist met de slogan: Just Do It against Military Dictatorship. Maar weken later heeft de oproep dat de vroegere legerleider Than Shwe het land moet verlaten en militairen de kant van het volk moeten kiezen nog maar vijftienhonderd fans opgeleverd, van wie een groot deel buiten Birma woont.

Een rechtenstudent in Myitkyina, de afgelegen hoofdstad van de noordelijke staat Kachin, zegt dat hij en zijn vrienden nauwelijks gebruikmaken van internet. Dat leeftijdsgenoten een paar duizend kilometer verderop via sociale media grote veranderingen in gang zetten, gaat grotendeels aan hen voorbij. Ze voelen zich meer verbonden met de rebellen van de Kachin-minderheid die na een wapenstilstand van achttien jaar opnieuw in conflict zijn met de regering. Geweren zijn daarbij een stuk bruikbaarder dan geavanceerde communicatiemiddelen.

Naypyidaw, de nieuwe hoofdstad Foto: Kyodo/AP/Reporters
Naypyidaw, de nieuwe hoofdstad Foto: Kyodo/AP/Reporters

Virtuele wereld

Ook de nieuwe hoofdstad Naypyidaw, het geldverslindende paradepaardje van de autoriteiten in Centraal-Birma, blijkt heel wat minder verbonden met de wereld dan de glanzende hotelfolders doen geloven. Giechelend van gêne vertelt een receptioniste die in een groenzijden uniform in een pompeuze lobby zit: ‘De internetverbinding werkt al dagen niet.’

Toch is het te simpel om te constateren dat de moderne techniek geen rol speelt in Birma. Een paar jaar geleden werd de bezitter van een mobiele telefoon nog jaloers nagestaard – een simkaart kostte een paar duizend euro. Maar nu zijn ze goedkoper en het aantal groeit snel. En al moeten de meeste Birmezen de deur uit om te internetten, het gebruik neemt wel toe. In grotere steden als Mandalay en Rangoon kun je vanuit de straten van gehavend plaveisel, aangevreten gevels en krakkemikkige taxi’s belanden in een meer ontwikkelde virtuele wereld.

De controle van Big Brother blijkt er bij lange na niet waterdicht. De manager van een modern café in Mandalay lacht veelbetekenend als op het scherm de tekst ‘Access to this site has been denied’ verschijnt. Behendig tikt ze een nieuw ip-adres in waardoor de pagina van de BBC wel tevoorschijn komt. Als het ip-adres niet meer werkt, vertelt ze, vindt ze wel weer een ander. Ook gebruikt ze gratis proxyservers om toegang tot geblokkeerde sites te krijgen. ‘We spelen kat en muis op internet.’ Op nonchalante toon vertelt ze over de instructies die ze ontving toen het café zijn deuren opende. Personeel moet bezoekers in de gaten houden en hun surfgedrag met screen freeze vastleggen. ‘Dat doen we niet, want dan raken we onze klanten kwijt.’ Ook negeert ze nieuwe orders die het gebruik van usb-sticks en dvd’s verbieden. Sommige internetcafés houden zich wel aan de regels en politiek gevoelige sites zijn ontoegankelijk. Het gebruik van proxyservers is verboden, zegt een bordje naast de computer in een businesscenter.

Ook de klanten spelen hun kat-en-muisspel met de overheid. ‘Ik blijf een kwartier in een café en dan vertrek ik naar het volgende,’ zegt een politiek geïnteresseerde monnik in Mandalay die regelmatig informatie naar het buitenland doorstuurt. Net als veel anderen leest hij dankzij internet verboden publicaties die vroeger maar mondjesmaat als hardcopy het land in gesmokkeld werden.

Ook in Birma neemt het internetgebruik toe: monikken spelen games in een internetcafé in Rangoon Foto: ReutersOok in Birma neemt het internetgebruik toe: monikken spelen games in een internetcafé in Rangoon Foto: Reuters

Champagne

In 2006 bleek hier voor het eerst hoe internet de gemoederen in beroering kon brengen. Birmese topmilitairen en hun bondgenoten houden hun levensstijl zorgvuldig verborgen, maar op YouTube bood een filmpje over het huwelijk van de dochter van de toenmalige juntaleider Than Shwe plotseling een kijkje in de privékeuken. Al snel gonsde het in het straatarme land van verontwaardiging: over de bruid die topzwaar was van de diamanten, over de stroom champagne waaraan geen einde leek te komen en over het gouden echtelijke bed dat op de achtergrond blonk.

Ook tijdens de demonstraties van de monniken in 2007 bleek dat mede dankzij internet geheimen nog maar zelden bewaard blijven. Terwijl het bij het massale volksprotest van 1988 dagen duurde voordat de wereld wist hoe bloedig dat werd neergeslagen, was Birma deze keer onmiddellijk wereldnieuws. Niet alleen Birmese en buitenlandse journalisten, ook talloze burgers legden met kleine camera’s en mobiele telefoons vast hoe de demonstraties van de zonen van Boeddha met geweld het zwijgen werd opgelegd. Ze renden met hun materiaal naar internetcafés en zo stonden de gebeurtenissen soms al binnen een kwartier online. Anderen deden live verslag via hun mobiele telefoons. Een reactie van de overheid bleef niet uit. Het mobiele netwerk ging op slot en het internet werd uitgeschakeld totdat de controle was hersteld. Ondanks het gemopper van de Birmese zakenwereld schuwt de overheid die maatregelen nog steeds niet wanneer de spanning oploopt. Een paar maanden geleden nog trok de overheid de stekker uit het internet in een poging te verbergen hoe oneerlijk en onvrij de voorbereidingen op de verkiezingen verliepen.

Dat is technisch makkelijk genoeg: van de vier providers zijn er twee in handen van de staat, een is eigendom van een aan het bewind verbonden organisatie en de vierde wordt alleen door het leger gebruikt. Bovendien is de overheid volgens deskundigen voortdurend bezig de controles op het digitale verkeer verder aan te scherpen. De Elektronic Transactions Law is meedogenloos. Zo werd de blogger Nay Phone Latt (29) tot ruim twintig jaar veroordeeld omdat hij een cartoon van de militaire leider in zijn mailbox had.

– De controle van Big Brother blijkt bij lange na niet waterdicht

Spijkerbroeken

Ondanks de nadelen gaat de overheid verder met de ontwikkeling van de IT-industrie. Het is niet alleen een bron van inkomsten, het past ook in het beeld van de moderne natie zoals de Birmese leiders die voor ogen hebben. Bovendien willen hun kinderen die tijdens studies in Singapore gewend zijn aan alle digitale gemakken, deze in eigen land niet langer missen. Steeds vaker zijn er in Rangoon en Mandalay beurzen waar te midden van oorverdovende herrie alle denkbare snufjes worden aangeboden.

De nieuwste IT-trots is Yadanabon Cyber City, vlak buiten het plaatsje Pyin Oo Lwin ten oosten van Mandalay. Huizen van rode baksteen herinneren eraan dat de Britse overheersers aan het eind van de negentiende eeuw al verkoeling zochten in de heuvels. Ook militaire leiders en andere vips komen tegenwoordig graag op vakantie in het plaatsje met zijn lommerrijke lanen van teak- en dennenbomen en rustieke levenstempo. Bij de hoofdingang van het complex is een wachtpost, maar via een zijweg rammelt de taxi ongehinderd naar binnen. Tussen de heuvels strekt zich een terrein uit van vierduizend hectare met brede straten van betonblokken, kantoorgebouwen, leslokalen en conventieruimtes met torentjes in het dak. In de kantine van een van de instituten gonst het van de gesprekken onder jonge whizzkids. Hier geen longyi’s en thameis (Birmese sarongs voor mannen en vrouwen), maar spijkerbroeken, poloshirts en jurkjes.

In de witglimmende gang naar een van de lokalen prijkt een foto van militaire leiders tijdens de opening. In een lesruimte zitten tientallen jongeren in afwachting van de leraar achter laptops van Toshiba en Acer. ‘Vandaag gaan we alles leren over Javascript,’ zegt een student gewichtig. Volgens het maandblad The Irrawaddy, dat gerund wordt door Birmese journalisten in ballingschap, is Nay Shwe Thway Aung, de achttienjarige favoriete kleinzoon van ex-juntaleider Than Shwe, directeur van Yadanabon. Hij zou worden klaargestoomd voor een leidende rol in de ontwikkeling van de IT-industrie. Ook andere militaire families en hun zakenpartners hebben financiële belangen in Yadanabon. Ze spendeerden ruim 3,8 miljoen dollar en de uiteindelijke kosten voor het complex zullen 22 miljoen dollar bedragen. Buitenlandse bedrijven uit onder meer Australië en Rusland zien ook brood in Yadanabon.

Cyberwar

Het Birmese Silicon Valley voert ondertussen een cyberwar tegen vijanden van de staat. Regelmatig raken de sites van media in ballingschap besmet met een virus. Of ze worden lamgelegd door DDoS, Distributed Denial of Service, een bombardement van bezoekers en berichten.

Een paar maanden geleden verschenen er op de website van The Irrawaddy zelfs fake-artikelen die duidelijk waren bedoeld om de oppositiegroepen tegen elkaar op te zetten. ‘Het was de meest geavanceerde aanval tot dusver,’ concludeert hoofdredacteur Aung Zaw in zijn kantoor in Chiang Mai in Noord-Thailand. Volgens het Amerikaanse bedrijf Akamai dat internetverkeer traceert, stond Birma de afgelopen maanden op nummer één als cyber warrior. Dat wil niet zeggen dat al die aanvallen door de Birmese overheid worden uitgevoerd. Het kan ook zijn dat andere staten het land als proxy gebruiken.

Anders dan in Birma zelf wemelt het in de Birmese diaspora van de digitale campagnes, Facebookpagina’s, blogs en Twitteraccounts. Wie in al deze online informatie rondneust, kan makkelijk de indruk krijgen dat ook Birma dankzij deze instrumenten aan de vooravond van omwentelingen staat. Maar al die activiteiten liggen ver af van het bestaan in Birma. ‘Wij hebben nauwelijks contact met thuis,’ zegt Myat Htoo die in de Thaise grensplaats Mae Sod met zijn Thaise vrouw een restaurant runt. Hij vluchtte in 1990 vanuit Centraal-Birma om aan arrestatie te ontkomen. In de jungle sloot hij zich aan bij het studentenleger dat samen met rebellen van etnische minderheden tegen het Birmese leger vocht. In een aantal zware offensieven verloor het gewapende verzet in de loop der jaren de ene basis na de andere en uiteindelijk kwam Myat Htoo net als veel andere opstandelingen in Thailand terecht.

Yadanabon Cyber City, het Birmese Silicon Valley, waar de internetoorlog met de oppositie wordt gevoerd
Yadanabon Cyber City, het Birmese Silicon Valley, waar de internetoorlog met de oppositie wordt gevoerd

Koeriers uit Thailand

Mae Sod, een handelspost pal tegen de grens met Birma, fungeert als een van de zenuwcentra voor de Birmese diaspora. De familiegeschiedenis van Myat Htoo is een voorbeeld van het moeizame en gevaarlijke contact tussen ballingen en thuisblijvers. Zijn moeder overleed in 1992, maar via een boodschapper hoorde hij dat pas drie jaar later. Pas onlangs kwam hij aan de weet dat zij bij gebrek aan andere mogelijkheden de communicatie met haar zoon levend had gehouden met een dagboek. ‘Ze droeg het aan mij op en hield het tot haar dood onder haar bed verborgen,’ vertelt Myat Htoo. Zijn benige gezicht met de afstaande oren ziet er aangeslagen uit als hij een kopie van het dagboek laat zien. ’28 juni 1990. Vandaag is de dag dat mijn grote zoon ons thuis verliet,’ staat er op de eerste pagina.

Nog steeds verloopt een belangrijk deel van de verboden communicatie niet via internet of mobiele telefoons, maar via koeriers die vanuit Thailand dvd’s en usb-sticks naar Birma smokkelen.

Terwijl Myat Htoo zijn verhaal doet, brengt een zanger in een afgezakte spijkerbroek en met haar tot ver over zijn schouders met gitaar en mondharmonica een verdienstelijke versie van Tracy Chapmans ‘Talkin’ bout a Revolution’ ten gehore. De ventilatoren aan het plafond zorgen voor een verkoelend briesje en de la pet tho (een Birmese salade van theebladeren) is precies zo smakelijk als-ie zijn moet. Met foto’s van oppositieleidster Aung San Suu Kyi, Che Guevara en teksten over vrede aan de wand, ademt de simpele eetgelegenheid een terug-in-de-tijd-de-wereld-is-maakbaar-sfeer. Als de zanger ‘No Woman No Cry’ inzet, laat Myat Htoo foto’s op zijn laptop zien. Tastbare herinneringen aan een verleden dat hij met de zanger deelt.

De zanger was destijds zijn commandant. De cursor schuift van het ene jonge gezicht naar het andere. Een enkeling is vertrokken naar Amerika, Engeland of Australië, anderen zijn gedood, vermist, bezweken aan malaria. Myat Htoo duwt zijn bril steviger tegen zijn smalle neus en zegt nadenkend: ‘I am lucky.’ Ook hem zeggen de gebeurtenissen in het Midden-Oosten niet zo veel. ‘We hebben al geprobeerd een einde aan het bewind te maken. Met demonstraties en met gewapende strijd.’ Hij is een tijdje stil. Net als veel anderen twijfelt hij er niet aan dat de woede over de armoede en de onderdrukking voortgloeien. En in Birma weet je maar nooit wanneer dat smeulende vuur weer opvlamt. ‘Maar Birmezen leven onder een repressief systeem en hebben veel meer kennis en opleiding nodig om nieuwe protesten tot een succes te maken.’ Van de kleine groep internetgebruikers verwacht hij op korte termijn weinig heil. Dan zegt hij zachtjes, alsof hij iets op te biechten heeft: ‘Met een paar gerichte militaire aanslagen zouden we veel meer opschieten.’

– ‘Met een paar gerichte militaire aanslagen schieten we veel meer op’

Frustratie

Volgens de Birmese academicus Min Zin (37) die in Berkeley aan een PhD werkt, ligt het niet alleen aan de beperkte moderne middelen dat dissidente groepen nog niet veel resultaat boeken. Als leider van de verboden scholierenbond was hij vanaf zijn veertiende negen jaar lang ondergedoken voordat hij naar het buitenland moest vluchten. Min Zin kent de meeste oppositieleiders persoonlijk en heeft een nauwe band met Suu Kyi. Hij heeft zich bewust nooit aangesloten bij een van de dissidente politieke organisaties en kijkt met distantie naar hun handelen. ‘Ze hebben het morele gelijk aan hun zijde, maar het ontbreekt hun aan eenheid en pragmatisme.’ Als voorbeeld noemt hij de discussie over westerse politieke en economische sancties die al jaren van kracht zijn. Inmiddels is wel gebleken dat die maatregelen niets uitrichten. Ze drijven het land bovendien verder in de armen van China.

Met zijn smartphone, lichtgewicht laptop en vele buitenlandse reizen vertegenwoordigt Min Zin een nieuwe generatie, die wereldser is en strategischer denkt. Kritische visies als de zijne zijn nog altijd zeldzaam en door vroegere vrienden wordt hij aangevallen. Meestal reageert hij laconiek: ‘Ready to attract some friendly fire again.’ Maar ook bij hem is de frustratie tastbaar. Op zijn website schreef hij zo’n drie jaar geleden al: ‘De oppositie heeft geen duidelijke doelen en geen endgame strategie. Het frustreert me dat we nog altijd niet in staat zijn onze principes in een overwinning om te zetten, ook omdat de prijs zo onnoemelijk hoog is.’