In een onopvallend park midden in het centrum van Maputo wappert een grote DDR-vlag. Hij wordt elke dag opnieuw gehesen, ook op zondag. Rond de mast zit een groepje mannen op halfvergane rieten stoelen. De een draagt een petje met de Duitse driekleur, een ander een sjaal van FC Karl-Marx-Stadt. Door het Portugees klinkt soms een woord als Kumpel of Schwein. ‘Welkom in ons heiligdom!’ roept Jose Cossa van een afstand. Cossa is de president van de Madgermanes. Letterlijk ‘zij die naar Duitsland gingen’, de benaming voor de ruim zestienduizend Mozambikaanse gastarbeiders die in de jaren tachtig naar Oost-Duitsland werden gestuurd.

Cossa (50) is een capo-achtige verschijning. Hij praat met luide schorre stem en helpt zijn slepende been met een wandelstok: ‘Ik ben aangereden door een dronken gek, hier recht voor de deur.’ Hij heeft het over de virtuele deur van zijn provisorische openluchtkantoor. Elke dag komt de harde kern van de Madgermanes hier samen. Ze noemen elkaar ‘collega’ en hebben het over hun ‘werk’, al zijn de meesten van hen werkloos. Een houten kist met sleuf dient als postvak. Op het openbare toilet staat in grote rode letters Base Central Madgermany. ‘Het park is ons kantoor, maar het is ook onze basis. Militair gezien is een basis de plaats waar de troepen zich bewapenen en zich klaarmaken voor de strijd. Dat doen wij hier ook. Al bijna 25 jaar.’
Cossa’s strijd gaat om geld. Zuurverdiende Oost-Duitse marken, die nooit zijn uitbetaald. De gastarbeiders in de DDR stonden in de eerste jaren vrijwillig 25 procent en later verplicht 60 procent van hun loon af. Dat zou voor hen worden weggezet op de Mozambikaanse bank. De maatregel was bedoeld om ervoor te zorgen dat de gastarbeiders zouden terugkeren naar hun thuisland. Bovendien paste het in het socialistische spaarplan. ‘We zouden terugkomen met een opleiding en werkervaring. En dan met ons spaargeld een bedrijfje opzetten en een goed leven leiden. Maar de regering heeft ons bedrogen. Van die belofte is niets terecht gekomen.’
Niks van onze Angela
Duitse historici schatten de totale schade op zo’n 100 miljoen dollar. Vanwege gebrek aan documentatie en transparantie is nooit bekend geworden wat er precies met dat bedrag gebeurd is. Uit de Oost-Duitse administratie blijkt dat het geld grotendeels is overgemaakt naar de Banco Popular do Desenvolvimento. Maar daar stopt het spoor. Het vermoeden is dat een deel in een paar verkeerde Mozambikaanse zakken is verdwenen en dat een ander deel is teruggesluisd om de torenhoge schuld bij de DDR mee af te lossen.
Cossa leunt op zijn stok en schreeuwt. ‘Wat waren we eigenlijk in de DDR?! Staatsslaven in ruil voor afbetaling?! Dit heeft met mensenrechten te doen. Wij eisen ons geld! En dan niet de vijfhonderd dollar die we in 2004 als schadeloosstelling hebben gekregen, nee, het hele bedrag voor ieder gewerkt jaar.’

En daarom gaan Cossa en zijn collega’s de straat op. Elke woensdag komen tussen de driehonderd en duizend Madgermanes naar het park met trommels, fluitjes, schmink en Duitse vlaggen. De ene week lopen ze naar het Ministerie van Arbeid, zo’n 150 meter verderop, de andere keer naar de Duitse ambassade. ‘We houden regeringspartij Frelimo verantwoordelijk. Dat zijn de echte klootzakken. Maar we vragen ook aan de Duitse ambassade om druk uit te oefenen. En waarom komt Angela Merkel niet een keer naar ons toe met een traytje Oktoberfest-biertjes? Ze zou op z’n minst kunnen zeggen: wat fijn dat jullie mijn Oost-Duitsland hebben opgebouwd; dat waardeer ik, hartstikke bedankt. Maar nee hoor, niks van onze Angela.’ Als Cossa is uitgeraasd, gaat hij zitten. Hij pakt een zakdoek en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Nu is er ruimte voor een glimlach. ‘Los van de financiële kwestie hadden we een goeie tijd in de DDR. Echt, het was wunderbar.’
Hup, het vliegtuig in
In 1979 werd het vriendschapsverdrag tussen de DDR en de kersverse socialistische staat Mozambique ondertekend. In de jaren zestig was het Mozambikaanse bevrijdingsfront Frelimo een guerrilla-oorlog begonnen tegen het koloniale Portugese leger, met pragmatisch gekozen steun van Cuba en de Sovjet-Unie. Na de Portugese Anjerrevolutie in 1974 wist Frelimo-leider Samora Machel van Mozambique een eenheidsstaat te maken, met Frelimo als almachtige regeringspartij. Op 25 juni 1975 werd de onafhankelijkheid uitgeroepen. Direct daarna brak er een bloedige burgeroorlog uit tussen de regering en de anticommunistische Renamo-beweging, gesteund vanuit Rhodesië en Zuid-Afrika.
De Sovjet-Unie en de DDR hadden een politiek-strategisch belang bij het versterken van de communistische buurlanden rond Zuid-Afrika. In zowel Angola als Mozambique werden er daarom grote industriële landbouwprojecten op poten gezet, naar marxistisch-socialistisch model. Maar er werd ook wat terugverlangd. Vanwege de gebrekkige technologische innovatie en de vlucht van veel Oost-Duitsers naar het Westen had de DDR een ernstig gebrek aan arbeidskrachten. En dus moesten er extra handen van buitenaf worden ingeschakeld. Eerder al uit Cuba, China en Vietnam, maar nu ook uit Afrika. ‘Honecker is hier in 1979 op bezoek geweest, ter ere van het vriendschapsverdrag,’ vertelt Cossa. ‘Ik stond langs de weg hier verderop met een vlaggetje. Toen kwam er zo’n heel stijve blanke man in een vaal pak langslopen. En die bril! We moesten een beetje om hem lachen.’

De DDR was een gewilde bestemming voor de Mozambikanen. De omstandigheden waren beter dan in Rusland en Cuba en bovendien kregen de meeste gastarbeiders eerst een degelijke opleiding. ‘Bijna alle technisch opgeleide krachten waren Portugees, maar die waren allemaal vertrokken na 1975. Wij hadden hier dus een nieuwe werk-elite nodig. Het was een win-winsituatie voor beide landen.’ De selectie van de gastarbeiders was streng. Cossa was 21 en studeerde aan de technische hogeschool toen hij geronseld werd voor het uitwisselingsprogramma. ‘Alleen de tien beste jongens van de klas werden geselecteerd. Voor ons was het een buitenkans. Weg uit de gruwelijke burgeroorlog en iets maken van ons leven. Dus hup, het vliegtuig in.’
Een kleine man met vrolijk rond gezicht komt het park binnenwandelen. Hij nadert nieuwsgierig. ‘Sorry mevrouw, mag ik alleen even vragen of de Fernsehturm nog in Berlijn staat? En de klok op het Alexanderplatz, is die er nog?’ Hij draagt een appelgroene blouse en heeft zijn colbertje losjes over een schouder hangen. Jose Candida bestiert vlak naast het park een kleine kledinghandel. Op straat. ‘Het is niet waar ik voor ben opgeleid. Ik was meestermonteur in de DDR, maar met dat diploma kon ik hier niets beginnen. Met mijn mobiele klerenhandel probeer ik te overleven.’
Zijn Duits is bijna feilloos. Net als Jose Cossa kreeg hij in Duitsland een intensieve talencursus van zes maanden, als verplicht onderdeel van het opleidingsprogramma. ‘Dat was in Dresden, daarna ben ik het hele land doorgegaan. Van Rostock in het noorden naar het zuiden bij het Thüringerwald.’
Jose Cossa en Jose Candida kwamen een jaar na elkaar in Duitsland aan, midden jaren tachtig. De anekdotes over hun aankomst passen naadloos in het standaard immigrantenverhaal. Hun angst voor de sneeuw, de warme comfortabele bus, de opgeruimde straten, de winkelcentra, kortom: de wondere wereld van het paradijs. ‘Dat het aan de andere kant van de Muur nóg beter was, dat wisten we niet. Ik denk niet dat we ons dat konden voorstellen. Wij vonden de DDR niet grauw, wij vonden het schitterend.’
Opvoedkundige werkuitjes
De Mozambikanen kwamen terecht in moderne Wohnheimen. Vanuit het socialistische solidariteitsideaal woonden ze tussen hun Duitse collega’s, maar op kamerniveau bleef het gescheiden. De gastarbeiders sliepen met z’n tweeën, drieën of vieren in een ruimte, hadden een koelkast, een kookstel, een radio en een tv. ‘Alleen jammer dat we niet naar optredens van James Brown en Michael Jackson mochten kijken. We wilden er toentertijd precies zo uitzien, met afro’s en krappe leren jasjes.’ Voor de talencursus en de opleiding kregen Candida en Cossa een beurs, daarna moesten ze volledig meedraaien in het Duitse werkritme. En daar was de eerste cultuurclash. ‘De Duitsers zijn heel pünktlich,’ zegt Candida. Hij kijkt er overtrokken zuur bij. ‘Als er stond: zeven uur beginnen, dan moest we al vijf minuten daarvóór klaarstaan. We werkten exact acht uur en twintig minuten. Geen minuut minder en geen minuut meer.’
De gastarbeiders werkten in grote staatsbedrijven, de zogeheten Kombinaten. De meeste mannen werkten in de zware industrie of de scheepsbouw, de vrouwen in het consumptie- of textielsegment. In het weekend werden er opvoedkundige werkuitjes georganiseerd naar een concentratiekamp of een historisch museum, daarnaast werd er gekampeerd, gewandeld en gesport. Jose Cossa, die door de week als timmerman in een meubelfabriek werkte, maakte zijn eerste Duitse vriend bij Betriebssportgemeinschaft Chemie Pausa. ‘Wolfgang. Goeie vent was dat. Die heeft me binnengehaald. Ik heb heel fanatiek gevoetbald, later zelfs als semiprof. Ik was de enige buitenlander in het team, maar dat was geen probleem. Bier blijft bier, voor iedereen!’ Jose Candida knikt instemmend. ‘We voelden ons welkom in de DDR. Ondanks onze status werden we niet anders behandeld dan de Duitsers. Vrijheid van meningsuiting was er natuurlijk niet, maar dat was een Duits probleem, niet het onze.’

Jose Cossa voelde evenmin weerstand tegen het totalitaire repressieve regime. Sterker nog, hij plukte er de vruchten van. ‘Ook wij werden in de gaten gehouden door de Stasi. We wisten niet eens wat dat was. Op de dag van de arbeid kreeg ik opeens een medaille: “Beste buitenlander in socialisme”. Bleek dat ze me maandenlang geobserveerd hadden.’
Candida en Cossa mijmeren over bockwursten, viswedstrijden en Duitse bierfeestjes. Was er dan helemaal niets negatiefs in al die jaren dat ze er werkten? ‘Ja er waren wel een paar kleine dingetjes…’ zegt Cossa. ‘Voor de vrouwen bijvoorbeeld was het strenger. Als ze zwanger werden, konden ze kiezen tussen een abortus of een ticket terug naar huis. We hebben vrij veel vrouwelijke collega’s zien vertrekken.’ En dan waren er nog de plaatselijke skinheads. ‘We wisten waar ze zaten, in welk blok, in welke cafés en in welke disco’s,’ zegt Jose Candida. ‘Ik heb me er altijd ver van gehouden, ging dan naar een andere kroeg. Maar sommige van mijn vrienden raakten wel eens verzeild in een vechtpartij. Dat ging dan meestal om meisjes. Omdat ze ons leuker vonden.’ Hij geeft een knipoog.
Als de meisjes ter sprake komen, veranderen de stoere mannen in ondeugende pubers. Erika, Gudrun, Claudia, Ula, ze waren allemaal even fabelhaft. ‘De Oost-Duitse meisjes waren van goede kwaliteit, vooral mijn vriendin natuurlijk,’ glimt Jose Candida. ‘Ik wil er hier niet te veel over zeggen, maar kom morgen naar mijn huis, dan praten we verder.’
Een dochter in Leipzig
Het is zo’n vijftig minuten rijden vanuit het centrum. De Avenida Vladimir Lenin, het pavilhao Ho Chi Min en de Rua Patrice Lumumba trekken voorbij. Straatnamen uit 1975 die nooit zijn vervangen, al heeft de nog immer regerende Frelimo-partij zijn communistische jas allang uitgetrokken. Aan de rand van de stad zijn de eerste betonnen contouren van gloednieuwe bouwwerken te zien. Eromheen cirkelen dikke SUV’s met Chinezen, Portugezen en Amerikanen. Door de recente vondst van steenkoolreserves en gasbronnen is Mozambique de snelst groeiende economie van zuidelijk Afrika. Maar de bevolking merkt er nog weinig van. Meer dan de helft van de inwoners verdient een halve dollar per dag; Mozambique behoort nog steeds tot de armste landen ter wereld. De taxichauffeur stopt voor een grote modderpoel. Gevolg van de overstromingen van de afgelopen maanden. ‘Ik kan niet verder, maar het ligt daarachter.’ Hij wijst naar een grote zandvlakte in de verte, met hier en daar een klein huisje en een troepje kippen. ‘Wat ga je daar eigenlijk doen?’ Bij het horen van de term Madgermanes schiet zijn gezicht in een vermoeide grijns. ‘O, die zeurpieten. Laat ze toch eens iets nuttigs gaan doen. Het is gewoon kut in Afrika. Deal ermee en ga door met je leven.’
Jose Candida staat voor de deur van zijn zelfgemaakte huis samen met zijn buurman Antonio, die ook een aantal jaren in de DDR heeft gewerkt. Jose leidt ons naar de kleine woonkamer. Die is volgepropt met een bombastische barokke inrichting. Een bank met gouden krulleuning, een houten sierkabinet en schilderijen met afbeeldingen van slagvelden. De kleedjes moeten verhullen dat de vloer bestaat uit zand. Tegen de wand staat een rijkgevulde boekenkast, met onder meer Das Kapital, een Oost-Duits kookboek en Zur Dialektik von Arbeit und Bedurfnissen im Sozialismus und Kommunismus. ‘Daar ben ik helaas nooit aan toegekomen. Maar ik ben het nog wel van plan.’

Op Jose’s tafel ligt een berg documentatie. Contracten, diploma’s, bustickets, abonnementen op de sportschool, een verblijfsvergunning en een vakbondspas; alles in afzonderlijke mapjes gearchiveerd. Hij wijst op zijn loonstrook. ‘Kijk, van de 894 Ostmark bleef er 357 mark over. Die andere 537 mark ging naar Mozambique.’
Naast alle officiële documenten liggen er ook indrukwekkende stapels foto’s en brieven. Voornamelijk van een en dezelfde persoon. ‘Deze zijn allemaal van mijn Duitse geliefde. Het is een pijnlijke geschiedenis, want we waren heel dol op elkaar.’ De laatste brief dateert uit oktober 2014. ‘Ze komt nog elk jaar naar me toe, maar dat ligt een beetje ingewikkeld. Ik heb hier een vrouw en vier kinderen, maar echte liefde hou je niet tegen.’
Ook buurman Antonio kan meepraten over de Duitse vrouwen. Hij heeft zelfs een dochter in Leipzig wonen. Ze werd geboren in 1990, vlak nadat Antonio moest terugkeren naar Mozambique. ‘Ik wist niets van haar bestaan af, tot een maand geleden. Ze heeft me via het Goethe Instituut gevonden. Nu facebooken we zo nu en dan. Ze heeft nu zelf twee kinderen, dus ik ben in één klap opa geworden.’
De mannen zitten in gedachten verzonken op de bank. Dan veert Jose op. Hij rommelt wat in zijn slaapkamer en komt terug met een oude Belcanto platenspeler. Uit het stapeltje vergeelde lp’s kiest hij Die grossen Erfolge van Gerd Christian, een man met jarentachtigkapsel en een witte kabeltrui om zijn schouders. ‘Sag ihr auch’ is het eerste lied. ‘Dit is mijn lievelingsnummer, ik weet niet hoeveel keer ik dit heb opgezet. We schuifelden er graag op.’ Gerds schlagerstem schalt uit de boksen. Jose neemt positie naast de platenspeler en begint niet onverdienstelijk mee te zingen. Hij waagt zich zelfs aan de hoge noten van het achtergrondkoortje. ‘Sag ihr auch, ich lieb sie immer noch – oehoehoehoe – obwohl ich weiβ, es ist zu spät.’
constant bedreigd
Intussen is het in het park in het centrum steeds drukker geworden. Daarmee wordt ook de hiërarchie duidelijker zichtbaar. Jose Cossa wordt constant vergezeld door een reusachtige zwijgende man en als hij besluit zich te verplaatsen, maken de andere Madgermanes plaats. Er komt een dronken zwerver voorbij. Cossa sist: ‘Kssjt, weg jij!’ Hij gebaart naar zijn metgezel dat hij actie moet ondernemen. ‘Dat soort lui dulden we niet op ons terrein. Tot dat witte bankje daar zijn wij de baas. Dit is bezet gebied.’ Een patrouillerende politieagent houdt het park nauwlettend in de gaten.
De Madgermanes worden gedoogd, tenzij het uit de hand loopt. Zoals in 2003, toen er onduidelijkheid ontstond over de route van de demonstratie en de politie de massa niet meer in de hand kon houden. Een demonstrant werd doodgeschoten. In 2007 volgde een ander slachtoffer. ‘Die zat hier gewoon in het park. Na een woordenwisseling werd hij door een geschifte politieman vermoord. We voelen ons constant bedreigd door de regering en de politie, maar we blijven vechten voor onze zaak.’

Eigenlijk zouden ze vandaag ook de straat op moeten, zoals elke andere woensdag. Maar deze week gaat het niet door. Volgens Jose Cossa omdat het vakantie is, maar de werkelijke reden is dat hij geen toestemming heeft. Vorige week zat hij nog drie dagen in de gevangenis omdat hij met enkele anderen de stadskrant was binnengedrongen om verhaal te halen over een verkeerde quote. ‘Het is wel vaker voorgekomen. Ze zoeken telkens weer naar redenen om me op te pakken, maar ik laat me niet intimideren.’
Er zijn nu ongeveer 150 man in het park. Omdat er niet gedemonstreerd wordt, moet er iets anders gebeuren. Cossa torent boven de massa uit en geeft een opruiende speech over geld, mensenrechten en de varkens van Frelimo. De Madgermanes knikken instemmend. Na het applaus zoeken de mannen en vrouwen een rustig plekje in de schaduw. Ze hebben duidelijk geen haast om te vertrekken. Jose Cossa blijft druk gebaren en beent weg, vergezeld door de grote man en steunend op zijn stok. ‘Hij gaat nu naar de politie,’ fluister Jose Candida. ‘Om opnieuw ons demonstratierecht op te eisen. Als hij maar niet opnieuw wordt opgepakt…’
Woedende skinheads
De strijd om het geld begon direct na terugkeer in 1990. Met het einde van de DDR werden ook de arbeidscontracten met de Mozambikanen ontbonden. De Duitsers hadden wel wat anders aan hun hoofd, was de boodschap. De eenwording bracht al genoeg problemen met zich mee. ‘We wisten niet dat de val van de Muur voor ons het einde zou betekenen,’ zegt Jose Candida. ‘In november stond ik nog te feesten met mijn vriendin. We keken naar het vuurwerk en dansten op Pink Floyd. Ik was blij voor de Duitsers. Maar al snel daarna was het: Ausländer raus!’
Vrijwel alle Oost-Duitse fabrieken gingen failliet en veel voormalige DDR-burgers verloren hun baan. De competitie op de arbeidsmarkt werd groter en de Oost-Duitsers waren bang dat de gastarbeiders gewilder zouden zijn in West-Duitsland. Met die angst veranderde ook de sfeer. ‘Het werd grimmiger. Een vriend woonde in een Wohnheim verderop, die moest samen met zijn huisgenoten op stel en sprong worden overgeplaatst omdat er woedende skinheads voor de deur stonden. Niet lang daarna kregen de neonazi’s hun zin: we werden op het vliegtuig terug naar Mozambique gezet. Ik wilde niet terug vanwege mijn Duitse vriendin, maar er waren ook Mozambikanen bij die vrijwillig gingen. Vanwege het spaargeld.’

En daar kwam de tweede desillusie. Na aankomst bleek het geld in rook te zijn opgegaan. Bovendien konden de Madgermanes niet op begrip van de thuisblijvers rekenen.
Vluchtelingenhulpverlener Dick Loendersloot woonde vanaf eind jaren tachtig in Mozambique. Hij herinnert zich de reactie van de gemiddelde Mozambikaan. ‘We waren hier net bekomen van een jarenlange burgeroorlog. De Mozambikanen zagen de Madgermanes als uitverkorenen, een bevoorrechte groep die ontsnapt was aan het oorlogsleed. Ze waren eerder jaloers dan dat ze medelijden hadden.’
In de jaren negentig verslechterde de reputatie van de gastarbeiders nog eens vanwege de sterk toenemende criminaliteit in Maputo. ‘Die werd voor een groot deel aan hen toegeschreven. Of dat nou waar was of niet, het droeg niet echt bij aan een goede naam.’
En zo werd de naam Madgerman eerder een scheldwoord dan een aantrekkelijk visitekaartje. Volgens Jose Cossa nemen bedrijven hen nog steeds niet aan als ze horen dat ze in Duitsland hebben gewerkt. ‘Te mondig. Wij zeggen meteen wat er niet deugt.’ En dat terwijl hun trip naar de DDR eigenlijk in hun voordeel had moeten uitpakken. Ze waren immers goed opgeleid en hadden buiten de grenzen kunnen kijken. Loendersloot: ‘Ze zouden eigenlijk de politiek in moeten. Een serieuze oppositiepartij oprichten en hun kwaliteiten en talenten breder inzetten dan voor hun eigen zaak. Dan zouden ze best succes kunnen hebben.’
Maar Cossa en de andere Madgermanes lijken hun verzetspark niet te willen verlaten. De doorlopende reünies zijn veel te gezellig en de strijd om het geld vergt fulltime aandacht. En dat terwijl de kans betrekkelijk groot is dat het er nooit gaat komen. De Duitse ambassade in Maputo wil zich niet uitspreken over de kwestie. Alleen dat het niet meer ‘boven op de stapel’ ligt.’
Het zal de mannen en vrouwen op het plein in elk geval niet tegenhouden. ‘Ik ga door tot ik er dood bij neerval,’ zegt Jose Candida. ‘En daarna zullen mijn kinderen de strijd voortzetten.’ Jose Cossa waagt zich aan een iets spannender einde. ‘Het wordt bijna tijd voor Plan B,’ zegt hij geheimzinnig. Hij maakt zijn borst groot. ‘Jullie zullen er in Nederland van horen, wacht maar af.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.