Het en-en-en van de combinatiesamenleving: een tandje erbij is voor de stapelende Nederlander niet realistisch.

Druk, druk, druk. Die vermoeide verzuchting is een van de gevestigde clichés van onze tijd. Veel mensen zeggen het ‘druk druk druk’ te hebben. Fijn lijken ze dat niet te vinden. Het driedubbele druk heeft meestal de negatieve bedoeling van té druk. ‘Druk, druk, druk’ gebruikt niemand om zijn rijk gevulde bestaan mee te beschrijven, al fungeert het soms stiekem als – dwaas – statussymbool.

Illustratie: Bas van der Schot
Illustratie: Bas van der Schot

Drukte is om te beginnen een mentale kwestie. Voorál een mentale kwestie, luidt de conclusie van tijdsbestedingsonderzoekers. Want al zeggen we het driedubbeldruk te hebben, feit is dat mannen de afgelopen decennia steeds minder zijn gaan werken. Dat vrouwen steeds minder uren aan het huishouden besteden. Dat we op papier steeds meer vrije tijd hebben en steeds vaker op vakantie gaan.

Druk druk druk
Aanstellerij dus? Nee, het druk druk druk zou te maken hebben met nieuwe technologie, met de smartphone waardoor we permanent bereikbaar zijn. De gepercipieerde tijdsdruk zou voortkomen uit het hoge verandertempo in de samenleving en de flexibilisering op de arbeidsmarkt. Het moderne leven voelt hierdoor nog meer als een mallemolen dan voorheen.

Waar, maar de drukte is ook een keiharde cijfermatige realiteit, zo blijkt uit de tweejaarlijkse arbeidsmarktrapportage van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP). Het ‘druk, druk, druk’ spat van de pagina’s af. Sinds 1986 is de arbeidsparticipatie, het deel van de beroepsbevolking met een baan, gestegen van 64 naar 79 procent. Ja, mannen zijn minder gaan werken en Nederlandse vrouwen houden het vooral bij deeltijdbaantjes, maar toch zijn huishoudens opgeteld (beide partners samen) meer uren gaan werken. Het steeg met 16 procent van 44 uur naar 51 uur per week.

Mensen zijn als een dolle activiteiten aan het stapelen. Werknemers combineren hun baan met een eigen zaak, een baan met een andere baan, een baan met mantelzorg of een baan met een studie. Door dit ‘en-en-en’ krijgen mensen het vanzelf ‘druk druk druk’.

Al willen de meeste flexwerkers eigenlijk een vaste baan en zijn ze minder tevreden in hun werk dan werknemers, toch zet de flexibilisering van de arbeidsmarkt door

Eén op de twaalf werknemers heeft er nog een baan naast. Het Amerikaanse working two jobs wordt normaal in Nederland. De banenstapelaars werken hard. Eenderde maakt weken van meer dan veertig uur. Het ‘leven lang leren’, het consumeren en de mantelzorg doen ze daar dan natuurlijk nog gewoon even naast.

Flex is dé trend. Al willen de meeste flexwerkers eigenlijk een vaste baan en zijn ze minder tevreden in hun werk dan werknemers, toch zet de flexibilisering van de arbeidsmarkt in rap tempo door, ziet het SCP. Actueel: sinds de crisis in 2008 zijn 400.000 vaste banen verdwenen en zijn daarvoor 300.000 flexbanen in de plaats gekomen, rapporteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) vrijdag.

‘Participeren betekent combineren,’ constateren de SCP-onderzoekers. Zo is de door het kabinet gewenste gezellige ‘participatiesamenleving’ nu al een overspannen ‘combinatiesamenleving’ aan het worden.

En dan moet er van Den Haag op alle levensgebieden nog een tandje bij: 1) de relatief hoge arbeidsparticipatie moet verder omhoog; 2) voor de weer aantrekkende economische groei moeten we per persoon meer uren gaan werken; 3) om duurzaam inzetbaar te blijven moeten we levenslang blijven leren; 4) om vitaal de stijgende pensioenleeftijd te halen, moeten we gezond en fit blijven; 5) nu de overheid in de zorg een stapje terug doet, moeten we ook meer tijd besteden aan vrijwilligerswerk en mantelzorg; en 6) vergeet niet om nog wat kinderen op te voeden voor de toekomst.

Me dunkt dat alleen een zeer werkverslaafde politicus of beleidsmaker kan volhouden dat dit een realistische set beleidsdoelen is. De hard-stapelende Nederlander weet: dit valt niet te combineren.