Dat minister Bussemaker de universitaire lerarenopleidingen gaat veranderen is broodnodig, schrijft Aafke Romeijn. En zij kan het weten.

Afgelopen vrijdag kondigde minister Bussemaker aan dat de universitaire lerarenopleidingen op de schop gaan. Nog voordat ik gelezen had welke veranderingen er op stapel staan, leek me dit reden genoeg voor champagne en taart. Immers: in het geval van de lerarenopleiding betekent verandering al snel verbetering. Nog groter werd mijn vreugde toen ik las dat de regel afgeschaft wordt dat je voor een eerstegraads bevoegdheid eerst een vakspecifieke master moet volgen, maar dat er een tweejarige master komt waarin maatwerk geboden wordt.

Iets meer dan een jaar geleden schreef ik een uitgebreid artikel over hoe de universitaire lerarenopleiding in mijn ogen op vele niveaus faalde. In mijn stuk beperkte ik me tot de tekortkomingen van de eenjarige masteropleiding waarmee je een bevoegdheid haalt. Ik liet het drama dat zich in het jaar vóór die master afspeelde buiten beschouwing.

Hoe dat zit? Ik belandde direct na het behalen van mijn bachelor Nederlands in het onderwijs. Na twee jaar wist ik dat ik les wilde blijven geven, en besloot ik mijn bevoegdheid te gaan halen. Tot mijn schrik kwam ik er toen pas (rijkelijk laat, inderdaad) achter dat ik niet alleen de lerarenopleiding moest doen, maar dat ik eerst nog een vakspecifieke master Nederlands diende te halen. Een reguliere éénjarige master: zes vakken en een dikke scriptie. Deeltijd bestond op de universiteit niet, maar ik hoopte dat twee colleges per week te combineren zouden zijn met een halve baan in het onderwijs.

Een naïeve gedachte: iedereen die het universitair onderwijs een klein beetje kent, weet dat collegeroosters doorgaans twee weken voor het begin van het nieuwe semester pas openbaar gemaakt worden, en dat ze elk semester compleet anders zijn. Onmogelijk voor een roostermaker in het voortgezet onderwijs om daar omheen te roosteren. Het gevolg: ik was gedwongen om een jaar onbetaald verlof op te nemen, om terug de collegebanken in te gaan. Niet vanwege het zware studieprogramma, maar vanwege de inflexibiliteit van de universitaire logistiek.

Ik baalde. En mijn chagrijn werd nog groter toen ik ontdekte dat de vakken die ik ging volgen niets te maken hadden met de onderwijspraktijk. Ik werd, zoals het meestal gaat bij masterprogramma’s, voorbereid op een academische aio-carrière die slechts voor een enkeling wenselijk én weggelegd is. De vakken waren interessant, en ik maakte een persoonlijke academische ontwikkeling door, maar ik had geen moment het idee dat ik bezig was met mijn lespraktijk. Integendeel: toen ik aan het eind maanden eenzaam zat te ploeteren aan mijn scriptie, kon ik me nauwelijks nog herinneren wat lesgeven nou eigenlijk was. Laat staan waarom ik het zo leuk vond.

Toen ik na een jaar eindelijk weer les kon gaan geven, en aan de ‘echte’ lerarenopleiding kon beginnen, bleek ook daar de inflexibiliteit hoogtij te vieren. Nee, ik kon geen vrijstellingen krijgen, hoeveel ervaring ik ook had. Ik moest gewoon stage lopen, en diende alle beginnersvakken te volgen. Het eerste college ging over hoe je leerlingen dient te begroeten wanneer ze het lokaal binnenlopen. Elke week weer vroeg ik me zuchtend af waarom het gemotiveerde en goed functionerende docenten zo moeilijk wordt gemaakt om een bevoegdheid te halen. De opleiding voelde van begin tot eind als docentje pesten.

Ik ben heus niet de enige docent die niet direct, op twintigjarige leeftijd, voor het onderwijs koos. Velen kiezen via een omweg, of op latere leeftijd, voor een carrière voor de klas. Dat is maar goed ook: iedere school heeft baat bij docenten in alle soorten en maten. Het is bizar dat zij-instromers, late beslissers of net-afgestudeerden die eerst de kat uit de boom kijken gedwongen worden om fulltime terug de schoolbanken in te gaan. Ik ben dan ook ontzettend verheugd te horen dat er eindelijk écht maatwerk geboden gaat worden. Maar natuurlijk geldt ook hier: eerst maar eens zien. De lerarenopleidingen zijn de afgelopen decennia al vaak bekritiseerd en omgegooid, lang niet altijd met verbetering tot gevolg. We houden het in de gaten.