Mee met viskotter Magretha Hendrika

Terwijl de nacht omhoog klimt boven de Noordzee staar ik duizelig van slaapgebrek voor me uit naar de lopende band. In het felle halogeenlicht komt een gestage stroom platvissen, krabben, zeesterren, kreeftjes en schelpen op me af rollen. Met geroutineerde bewegingen grissen drie vissers in geel en oranje oliegoed de bruikbare vis van de band: tong en schol, schar, griet, poon, bot en tarbot. Poon en bot mikken ze direct in een plastic mand, uit de andere vissen verwijderen ze eerst met een paar snelle messneden de ingewanden. Vlak voor me verdwijnen de ondermaatse vis en de schelpdieren kletterend in een stalen stortkoker, de zee in. Ik strek mijn hand uit naar een goudachtig blinkende vis op de band. Op hetzelfde moment roept één van de vissers: ‘Pas op, een pieterman!’ Snel spiest hij het beest aan zijn mes, nog geen tien centimeter voor mijn vingers, en zwiept het met een boog over zijn schouder. Op een dekluik blijft het liggen, de zwarte stekels op de rug dreigend geheven.

Even later in de kajuit, nog enigszins beduusd, lees ik in de Veldgids Nederlandse Zeevissen: ‘Kleine pieterman. Echiichthys vipera. Kan met zijn giftige stekels pijnlijke wonden veroorzaken, die onbehandeld tot amputatie kunnen leiden.’
Han Ypma, de schipper, stapt de kajuit binnen om koffie te halen. ‘Ah, de kleine pieterman. Ik heb van een oude visser geleerd dat je meteen het levertje van dezelfde vis op de wond moet doen, dan trekt de pijn weg. Het werkt.’

Met de seizoenen mee

Han Ypma vist vanuit Den Oever langs de Nederlandse kust. Hij is aangesloten bij de Stichting Goede Vissers, een platform voor vissers die zich wijden aan kleinschalige visserij en hun werk willen doen ‘met respect voor de zee’. Andere vissers, die zich minder aan duurzaamheid gelegen lieten liggen, kochten de afgelopen decennia steeds grotere schepen en zwaarder vistuig om grotere vangsten aan wal te brengen, maar Ypma hield zijn WR244 Magretha Hendrika, een kleine viskotter van 24 meter met een motor van 300 PK. Hij vist met de seizoenen mee. In de zomer op tong, schol en schar, in de winter, als de platvis gaat paaien, op garnalen. Een ‘trek’ met de netten laat hij nooit langer duren dan een uur om de vis niet onnodig te beschadigen. ‘Ik heb mijn hele leven in deze visserij geïnvesteerd en probeer het zo verantwoordelijk mogelijk te doen,’ zegt Ypma. ‘Maar toch behandelt de overheid me als een halve crimineel.’
Vanuit Den Haag en Brussel worden voortdurend nieuwe regels over de vissers uitgestort om ze tot duurzame methoden te bewegen en de vangsten te beperken. Het is een begrijpelijk streven: door overbevissing zijn veel visbestanden de afgelopen decennia dramatisch gedaald, het ecosysteem in de Noordzee wordt volgens wetenschappers en natuurbeschermers ernstig bedreigd. Maar in de praktijk wordt juist de kleinschalige visserij, zoals die van Han Ypma, het hardst getroffen. En het huidige visserijbeleid is grotendeels op wankele aannames gebaseerd. Vooral de boomkor, het meest gebruikte tuig in de Nederlandse platvisvisserij, moet het de laatste jaren ontgelden. De sleepnetten met ‘wekkerkettingen’ aan stalen bomen zouden de zeebodem onnodig beschadigen, en moeten volgens de Haagse en Europese beleidsmakers worden uitgebannen. Steeds grotere gebieden op zee worden voor de boomkorvisserij gesloten om de vissers te dwingen op andere vangstmethoden over te gaan. Ook kleine boomkorkotters zoals de WR244, die de bodem veel minder omwoelen, moeten eraan geloven.
Han Ypma heeft zijn hoop nu gevestigd op de Raad van State. Begin juni is hij er langsgeweest om zijn verhaal te vertellen aan een speciale hoorcommissie. De uitkomst is ongewis. Daarom heeft hij inmiddels voor driehonderdduizend euro een nieuw ‘pulstuig’ besteld, dat de platvis met elektrische stroom opschrikt van de bodem waardoor de wekkerkettingen niet meer nodig zijn. Met dat tuig mag hij voorlopig nog wel in de verboden gebieden komen, maar de overheid is er nog niet uit hoe duurzaam die vangstmethode eigenlijk is. Daar moet eerst nog onderzoek naar worden gedaan, zodat Han Ypma, net als de andere vissers die op de puls overschakelen, een ontheffing heeft gekregen voor niet langer dan vijf jaar. ‘Het is de vraag of ik de investering ooit nog terugverdien. Dat is het probleem: eerst wordt het beleid vastgesteld, en dan zoeken ze pas uit of het ook werkt.’

Drie nachten doorgewerkt

Op een regenachtige woensdagmiddag ligt de WR244 aan de kade achter de visafslag in IJ-muiden. Met fotografe Isabella Rozendaal klauter ik aan boord. In de kajuit zit de bemanning: Han Ypma, Richard en Niels van de visserijschool en Jan, die als ‘opstapper’ een vast bemanningslid vervangt. Ze komen allemaal uit vissersfamilies op het voormalige eiland Wieringen. Ze hebben sinds zondagavond al drie nachten doorgewerkt, maar dat is ze niet aan te zien.
Na het eten – gehaktballen en patat in het cafetaria op de kade – gaan de trossen los. Buiten de pieren wordt het schip langzaam gegrepen door de deining. Boven het noordelijk deel van de Noordzee heeft het de afgelopen dagen hard gewaaid, zodat er een stugge kruiszee staat. Het buiswater stuift over de boeg. Er passeren een paar grote vrachtschepen, op weg naar de haven van IJmuiden. Het silhouet van de hoogovens verdwijnt langzaam in de nevel.
Na een uur stampen door de golven worden de netten uitgezet. De stalen bomen zwaaien omhoog van het dek, de wekkerkettingen ratelen over de reling. Niels en Richard sjorren aan een lijn die blijft haken, terwijl zware staaldraden vlak boven hun hoofden heen en weer zwiepen. Dan zakken de netten aan weerszijden van het schip in het schuimende water. Grommend ploegt het schip door de golven.
Terwijl de bemanning teruggaat naar de be-schutting van de kajuit laat de schipper zich achterover zakken in zijn stoel, de voeten op het stuurwiel. ‘Ik denk dat we vannacht meer gaan vangen dan nu,’ zegt hij. ‘Overdag hebben de tongen zich ingegraven, maar ’s nachts gaan ze jagen. Wij besluipen ze. Dat gaat het best als het hard heeft gewaaid. Dan is er veel zand in het water en zien ze je niet komen.’
Bijna veertig jaar geleden begon Han Ypma met vissen, op het schip van zijn vader. Iedere reis was hij weer zeeziek, maar het wende. Al snel wilde hij niets anders meer. Toen Han zelf schipper werd, tekende hij zijn eigen kaarten met de geheimen van de visserman: dieptelijnen, gevaarlijke stenen, scheepswrakken en vindplaatsen van vis. Tegenwoordig maakt hij aantekeningen op de kaartplotter, waarvan het computerscherm oplicht naast de stuurstoel. Een wirwar van digitale lijnen laat de koers zien die hij eerdere dagen heeft gevaren. ‘Het idee blijft hetzelfde. Je moet er gevoel bij hebben. En dat leer je alleen door ervaring.’

Zware boetes

Het stuurhuis is volgebouwd met apparatuur, zoals de radar, de kaartplotter, de sonar en het verplichte Vessel Monitoring System dat de positie automatisch doorgeeft aan de visserij-inspectie. Als Han Ypma uitvaart, moet hij zich melden bij de Algemene Inspectiedienst in Kerkrade. Iedere 24 uur dient hij door te geven hoeveel hij die dag gevangen heeft. En zes uur voor binnenkomst in de haven moet hij de totale vangst melden. De quota worden streng gecontroleerd, op straffe van zware boetes.
Met de strenge controle heeft Ypma weinig moeite. ‘Daar hebben de vissers het ook naar gemaakt. In de jaren zeventig is er te veel gevist, en later is er ook gerommeld met de quota.’
Een grotere bron van frustratie zijn de natuurgebieden op zee die in 2009 op grond van de Europese Habitatrichtlijn en onder druk van natuurorganisaties als Greenpeace door de overheid werden aangewezen: de hele kuststrook van Rottum tot Bergen, het zeegebied voor de Zeeuwse delta en de Klaverbank in de noordwestelijke hoek van de Nederlandse Noordzee. ‘Ze denken dat de visbestanden zich daar vanzelf zullen herstellen omdat wij de bodem dan niet meer verstoren. Maar de Noordzee is dynamisch. Het is bijna allemaal zand. In één noordwesterstorm wordt de bodem meer gegeseld dan door de hele boomkorvloot in een jaar.’
Voor kleinschalige visserlui als Han Ypma is het moeilijk te begrijpen. Eerst was het visserijbeleid decennialang gericht op schaalvergroting. Investeringen in grotere schepen werden met Europees geld gesubsidieerd om de internationale concurrentie aan te gaan. Gevolg: overbevissing in alle Europese wateren. Vervolgens ontdekten de overheden de natuur en ontstond er een lappendeken van regels en regeltjes om de visvangst te beperken. Binnen enkele tientallen jaren werden de basisregels van het Europees Gemeenschappelijk Visserijbeleid uitgebreid van drieduizend naar meer dan twintigduizend woorden. En dan zijn er nog de EU Kaderrichtlijn Mariene Strategie, de Habitat- en de Vogelrichtlijn en talloze nationale regelingen, zoals het tijdelijke visverbod boven Terschelling dat enige jaren geleden werd afgekondigd omdat er daar minder zwarte zee-eenden waren gesignaleerd. Voor de vissers is er geen peil op te trekken.
‘Goede visserij draait om zelfbeheersing,’ zegt Han Ypma. ‘Maar dat wordt niet aangemoedigd. Volgens de Europese quota mag er nu bijvoorbeeld veel schol worden gevangen. Maar er is geen markt voor, zodat de schol wordt doorgedraaid op de veiling. We zouden met elkaar de afspraak moeten maken dat we per week een dagje minder op schol vissen. Dat is goed voor de vis, goed voor het sociale leven van de vissers én goed voor de prijs. Maar dat mag niet van Brussel, omdat het de vrije markt verstoort. Als we zo’n afspraak maken, krijgen we meteen de Mededingingsautoriteit op onze nek. Nu verzinnen ze telkens iets nieuws om de visvangst te beperken, maar worden we eigenlijk aangespoord om meer te vissen dan we willen. Het is een pervers systeem.’

Onvast op de benen

Na een kleine drie kwartier begeeft de bemanning zich weer aan dek. De fotografe en ik gaan mee naar buiten. Knarsend aan de staalkabels komen de netten boven de golven. In de schemering stort een menigte meeuwen zich krijsend op de vissen die zilverglanzend boven in het net zijn blijven steken. Dan zwaaien de bomen binnenboord. Jan en Niels maken de touwen los waarmee de ‘zak’ onderin de netten is dichtgeknoopt. Een stroom spartelende vis, zeesterren, krabben en kreeftjes gutst in een zware stalen stortbak op het dek. Terwijl de netten weer te water gaan, zet Richard de pomp aan. Een dikke straal zeewater bruist over de vangst. Aan de lopende band gaan de drie vissers in moordend tempo in de weer om de vis te sorteren en te strippen. Dan storten ze de manden één voor één via een koker leeg in het ruim, waar de vis soort bij soort in kisten met ijs wordt opgestapeld.
Zo zal het de komende dagen en nachten gaan: bijna ieder uur een nieuwe trek, dan zwaait het vistuig weer boven het dek en wordt de vis in een kwartier verwerkt, op een schip waar alles voortdurend beweegt. Met geluk is er voor de vissers af en toe een half uurtje over om te slapen.
Laat op de avond ga ik zelf naar beneden, onvast op de benen. In het benauwde achteronder zijn vijf kooien met gordijntjes. Het bed helemaal achterin, direct boven de schroefas, is voor de fotografe. Zelf kan ik slapen op een smalle skailederen bank, ingeklemd tussen de tafel en de met fineer beklede wand. Onderdeks is het een oorverdovend kabaal van de motor en de donderende golven tegen de romp. Na een tijdje zak ik weg in een bodemloze slaap, om een paar uur later wakker te schrikken, badend in het zweet. Ik stommel naar boven en trek mijn zeelaarzen aan. ’s Nachts is het harder gaan waaien. Er staat een korte, hoge deining, het schip rolt en stampt in de golven, buiswater striemt over het dek terwijl de bemanning aan de netten sjort tussen de rondzwaaiende staalkabels.
Ook de fotografe komt aan dek, een regencape om de schouders. Isabella Rozendaal is niet bang aangelegd. Ze maakte reportages over de krokodillenjacht in Louisiana en de berenjacht in de bergen van de Amerikaanse westkust. Maar op volle zee is ze nooit geweest. Na een serie foto’s gaat ze met een bleek gezicht snel weer te kooi: de beste remedie tegen opkomende zeeziekte. Zelf dacht ik dat ik het varen wel gewend was: afgelopen zomer voer ik nog met mijn zeiljachtje over de Noordzee van Zeeuws Vlaanderen tot Noordoost-Groningen voor mijn boek Langs de kust. Maar vissen op een kotter is van een andere categorie. Terwijl ik even met de schipper praat in het stuurhuis begint alles opeens te draaien. Op het achterdek verdwijnt het avondeten in het schuimende zog. Door mijn waterige ogen zie ik aan de horizon de hoogovens, spookachtig verlicht in de duisternis.

Vismeel

De volgende morgen maakt het schip een vreemde, schokkende beweging. Als het vistuig uit de golven tevoorschijn komt, blijkt een van de netten kapot gescheurd. De schipper daalt af naar het dek om de bemanning te helpen met de reparatie. ‘Dat komt door de zandsuppleties,’ gromt hij. ‘We zijn net over een plek gevaren waar ze zand hebben gezogen. Dan komen er stenen of een wrak te voorschijn en gaan je netten kapot.’
De afgelopen jaren zijn er miljoenen tonnen zand opgespoten om de Nederlandse kust te versterken. Daardoor is de bodem van de kuststrook veranderd, zegt Ypma. ‘In het grove zand doen de Amerikaanse zwaardschedes het veel beter dan de spisula, de traditionele strandschelp. Daardoor is er minder voedsel voor de vissen. En dan zeggen de natuurbeschermers: zie je wel, in de kuststrook is er minder schol en tong, daar mogen de vissers niet meer komen. Dat bedoel ik: voor de kustbescherming mag alles, maar de visserman krijgt de schuld.’
In de loop van de dag breekt de zon door en vlakken de golven af. Of begin ik aan de zee te wennen? In oliegoed sta ik bij de lopende band, rubber handschoenen aan, in een poging het strippen van platvis onder de knie te krijgen. Jan doet het voor: met de ene hand hou je de kop van een spartelende platvis vast, met een scherp mesje maak je een kerf vlak achter de kieuwen en een ronde haal om de ingewanden eruit te halen. Na een kwartiertje oefenen doe ik nog maar vijf keer zo lang over het strippen van een tong als de vissers.
Via de stortkoker gutst de bijvangst in zee. Het is moeilijk te schatten welk deel van de ondermaatse vissen het zullen overleven. Op de lopende band zien de meeste er nog springlevend uit, maar boven het bruisende zog voert een menigte krijsende meeuwen duikvluchten uit op de vissen die niet snel genoeg onder de oppervlakte verdwijnen.
Tot nu toe is het in de Europese Unie verboden ondermaatse vis van soorten waarvoor een quotum geldt aan wal te brengen. Maar nieuwe regels van de Europese Commissie maken daar binnenkort een einde aan. Vanaf 2016 moet alle vis met een quotum worden aangeland, voor de controle en om de vissers te dwingen selectiever te gaan vangen. De beleidsmakers nemen daarbij voor lief dat er een enorme hoeveelheid jonge vis aan het ecosysteem wordt onttrokken. Vooral de Nederlandse vissers, die verreweg het grootste aandeel hebben in de platvisvisserij op de Noordzee, zullen er last van krijgen. Op tong is moeilijk zonder bijvangst te vissen. De onbruikbare vis die straks aan wal moet worden gebracht, mag alleen worden verwerkt tot vismeel en levert bijna niets op. Volgens recent onderzoek van het Landbouw Economisch Instituut kunnen de extra kosten voor de sector oplopen tot zes miljoen per jaar, verdeeld over een kleine tachtig schepen. Zonder controle heeft zo’n systeem geen zin, meent de overheid, zodat er nog tien miljoen bovenop kan komen voor een systeem met waarnemers en camera’s aan boord. Een aanzienlijk deel van de vissers zit al in de rode cijfers vanwege de hoge prijzen van de gasolie en dreigt straks failliet te gaan aan de aanlandplicht. Ze hebben zich tevergeefs tegen de nieuwe maatregel verzet.
De overheid en de natuurorganisaties voeren aan dat negentig procent van de bijvangst in de boomkorvisserij niet zou overleven. Maar dat cijfer blijkt gebaseerd op één onderzoek van bijna vijfentwintig jaar geleden. Inmiddels is de behandeling van de vis aan dek aanzienlijk verbeterd. Ypma schat dat zeventig procent van de bijvangst op zijn schip wel degelijk overleeft. ‘Maar nog steeds wordt dat oude rapport telkens weer door de overheid uit de kast gehaald. Daar kun je je heel moeilijk tegen verweren.’
Een grootschalig Europees onderzoek naar de bijvangst wordt dit jaar pas gestart, nu de maatregel al is genomen.

De haaien lagen al klaar
Zo is het ook gegaan met de instelling van de natuurgebieden op de Noordzee in 2009. De geestelijk vader van de zeereservaten is prof. dr. Han Lindeboom, directielid wetenschap van onderzoeksinstituut IMARES van de Wageningen UR. Al in 1990 pleitte hij voor gesloten gebieden op zee: ten minste 25 procent van de Nederlandse wateren moest verboden worden voor de visserij, dan kon het ecosysteem weer opveren en zouden ‘toppredatoren’ als roggen, haaien en grote vissen kunnen terugkeren. Sindsdien staat hij bekend als de grote vijand van de visserij. ‘Toen ik dat idee lanceerde, dreigden de vissers mijn tuin vol te storten met haaien,’ zegt Lindeboom. ‘Later hoorde ik dat het niet veel heeft gescheeld: de haaien lagen al klaar in IJmuiden. Maar ik bén helemaal geen vijand van de visserij. Door de natuurreservaten kan het ecosysteem zich lokaal herstellen, en dat is in ieders belang.’
Lindebooms voorbeeld is het Great Barrier Reef in Australië, waar hij de afgelopen jaren onderzoek deed. Daar bleken het ecosysteem en de visstanden wonderbaarlijk snel op te veren als er helemaal niet meer werd gevist. Zo zou het ook in de Noordzee kunnen gaan, verwacht Lindeboom. Het probleem is alleen dat niet met zekerheid te zeggen is wat de effecten zullen zijn. De Australische koraalriffen vormen een ander ecosysteem dan de Noordzee, waar de enorme oesterbanken die er vroeger lagen allang verdwenen zijn. Lindeboom, een van de invloedrijkste mariene ecologen van Nederland, erkent wat de vissers al jaren roepen: de overheid heeft de natuurgebieden aangewezen zonder dat vooraf is onderzocht of het op de Noordzee überhaupt zin heeft. ‘Ik heb al in de jaren negentig voorgesteld als proef een reservaat op de Noordzee in te stellen voor wetenschappelijk onderzoek. Dat was bijna gelukt, maar toenmalig minister Gerrit Braks van Landbouw en Visserij kreeg problemen met de boeren vanwege de mestoverschotten en wilde niet ook nog de vissers tegen zich in het harnas jagen’.
In 2009 wees de overheid eindelijk drie natuurgebieden op de Noordzee aan. ‘Pas daarna hebben ze geprobeerd draagvlak te krijgen bij de vissers, zodat er naderhand allerlei uitzonderingen werden bedongen. Maar als de reservaten niet echt worden gesloten, werkt het niet. Intussen worden de vissers door de overheid geconfronteerd met een stroom van halve maatregelen. Ik begrijp dat ze daar gek van worden. Het is een treurige conclusie, maar omdat de politiek geen keuzes durft te maken, hebben we in vijfentwintig jaar vrijwel niets bereikt.’
Vissersvijand nummer twee is Femke Nagel, campagneleider Oceanen bij Greenpeace. Toen de natuurorganisatie in 2011 tientallen grote stenen in zee stortte boven het reservaat van de Klaverbank om de visserij met sleepnetten te hinderen, werd ook zij bedreigd door boze vissers. Maar naar haar stellige overtuiging hebben de natuurbeweging en de visserij een gedeeld belang: een gezond ecosysteem op de Noordzee. ‘Als ik met vissers praat, krijg ik eerst een kwartier lang de volle laag, en dan vinden we elkaar. De zeereservaten waar wij voor pleiten, zijn uiteindelijk juist goed voor de visvangst. Het grootste probleem is het halfslachtige beleid van de overheid. Er worden telkens nieuwe halfbakken maatregelen genomen die de kleinschalige visserij het hardst treffen. Het zou andersom moeten. De overheid zou een aantal grote, levensvatbare natuurreservaten moeten instellen, vervolgens aan kleinschalige vissers als Han Ypma moeten vragen: wat heb je nodig? Dat gaan we voor je regelen. En dan weer een gezonde visserij opbouwen. Maar zoals het nu gaat, is iedereen gefrustreerd. Dit visserijbeleid kent alleen maar verliezers.’

Bedreigd door boze vissers

Op zaterdagmorgen ligt de WR244 voor de wal in Den Oever. Aan dek glanzen tong, schol en schar in kratten vol helderwit ijs. Daarboven zwaaien de netten aan hun stalen bomen zachtjes heen en weer in de voorjaarbries. Op de kade heeft de schipper een plank gezet met een poster – ‘Vannacht gevangen, vandaag op uw bord!’ Een kilo tong doet vandaag 11 euro, een kilo schol 2,50.
Wat Han Ypma doet – vis verkopen direct vanaf zijn schip – is in Nederland eigenlijk verboden. Sinds de jaren tachtig moet alle vis via de visafslag, voor de controle. Daarom koopt Ypma een deel van zijn vangst eerst van zichzelf via de veiling, veertig meter verderop. Voor een redelijk bedrag, zodat hij de gasolie en zijn bemanning kan betalen. Dan takelt hij de kratten weer aan boord, zet hij zijn plank op de kade en kan de verkoop beginnen.
Han Ypma heeft tientallen vaste klanten uit de wijde omgeving. Ook de dagjesmensen vinden het prachtig, vis kopen vanaf een echte vissersboot. ‘Ze hebben alleen geen idee wat vis is,’ zegt Ypma. ‘Komen ze vragen of ik ook vissticks heb, of panga. Kweekvis uit Azië! Nee, mevrouw, zeg ik dan, ik heb tong en schol uit de Noordzee.’

Vrij Nederland 28 juni 2014

Vrij Nederland 28 juni 2014

Bladwijzer Online bron Vissersfilm
Leviathan
Geen film kwam de afgelopen jaren zo dichtbij de rauwe werkelijkheid van de visserij als Leviathan, de documentaire van Lucien Castaing-Taylor en Véréna Paravel die afgelopen jaar op het IDFA werd vertoond. Geen muziek, geen commentaar, alleen een stroom van onthutsende beelden, onder en boven water, van stervende vissen, bloederige ingewanden, getatoeëerde armen en klotsende golven. De commentaren – ‘de beste horrorfilm van het jaar’ – zeiden net zo veel over het grimmige werk van de vissers als over de gevoeligheid van het hedendaags publiek. Via iTunes is Leviathan te koop voor $12,99. Alleen de trailer is al het bekijken waard.
.nl/leviathan Ga naar