09-07-2005
Door Robert van de Griend
Op krakerssites wordt tegenwoordig in maar liefst acht talen uitgelegd wat de meest efficiënte manier is om een deur open te breken. Het grootste deel van de kraakscene komt namelijk van over de grens. Over kluskrakers, kampeerkrakers en ‘crusties’. ‘Veel van die Spanjaarden en Polen laten zich nergens iets aan gelegen liggen.’
Er schalt punkmuziek over het Rokin. Op het zelfgetimmerde balkon van het pand op nummer 116 staat een dreigende gestalte met een bivakmuts. In zijn rechterhand heeft hij een boormachine waarmee hij schietende bewegingen maakt naar de twee pelotons ME die aan de overzijde van de straat staan opgesteld. Een andere bivakmuts heeft beide middelvingers in de lucht gestoken en scandeert in gebroken Engels dat Amsterdam een politiestaat is. De pakweg dertig sympathisanten die het spektakel van achter de linies gadeslaan, allemaal gekleed in vaalzwart, roepen hem luidkeels na.
Het is dinsdag 31 mei, zeven uur in de ochtend. Tram 4, als altijd afgeladen met fris gedouchte forensen, rijdt deze morgen noodgedwongen een blokje om. Rond de haltes Spui en Munt liggen nu brandende barricades op de rails en vliegen verfbommen en stenen door de lucht.
Na tweeënhalf uur onafgebroken te zijn beschimpt en bekogeld, stappen de mannen van de mobiele eenheid in een stalen container. Een hijskraan takelt ze voor de tweede verdieping van Rokin 116. Er klinkt glasgerinkel en boegeroep. Een ME’er heeft met een koevoet een raam ingeslagen om zo het pand binnen te kunnen dringen. Ooit was hier de gerenommeerde kunsthandel Waterman gevestigd, nu hangt er een groot spandoek met een huizenhappende pacman aan de pui. Enkele bewoners op de eerste etage van het bastion slagen er tot viermaal toe in de ME-container met een zes meter lange stijgerpijp van de voorgevel weg te duwen. Het verzet houdt enige tijd stand. Maar dan valt de getergde ontruimingseenheid met vereende krachten het gebouw binnen. Negen personen worden in de boeien geslagen voor openlijke geweldpleging. Het merendeel, zo blijkt later, is van buitenlandse komaf. Het gaat om twee Nederlanders, drie Polen, één Engelsman, één Oostenrijker, één Tsjech en één Slowaak.
Een aanzienlijk percentage van de Amsterdamse kraakscene komt tegenwoordig van over de grens. ‘Ik schat dat het om vijftig tot vijfenzeventig procent gaat,’ zegt Eric Duivenvoorden. Hij is ex-kraker, socioloog, filosoof en auteur van het standaardwerk over de kraakbeweging Een voet tussen de deur. ‘Het zijn vooral Zuid- en Oost-Europeanen.’
De Europese eenwording in 1992 en de uitbreiding van de EU mei vorig jaar hebben de toestroom van okupas en squaterski op gang geholpen. Het internet doet nu de rest. Krakerssites houden nauwkeurig bij welke panden in Amsterdam leegstaan en leggen in maar liefst acht talen uit wat de meest efficiënte manier is om een voordeur open te breken. Via een webforum kan contact worden gelegd met de krakers hier.
Goed voor de kraakscene, zou je denken, zo’n buitenlandse impuls. De beweging ligt immers al tijden op zijn gat. Van de tienduizenden krakers die Amsterdam begin jaren tachtig telde, zijn er nog geen duizend over. En een strijdlust zoals een maand geleden op het Rokin werd getoond, heeft onze kraakjeugd al ruim een decennium niet meer laten zien.
Maar wat een opleving van de Amsterdamse kraakbeweging lijkt, zou in werkelijkheid weleens de definitieve neergang kunnen betekenen. ‘Ook in dit wereldje gelden namelijk gedragscodes,’ zegt Eric Duivenvoorden, ‘maar veel van die Spanjaarden en Polen laten zich nergens iets aan gelegen liggen.’ Met als effect dat ze hard op weg zijn het krediet van de gehele kraakscene te verspelen. Zowel bij een groot deel van de Amsterdamse bevolking als bij een aantal politieke partijen in Den Haag.
Naast de kraam van Stubbes Haring (‘Stubbes haring, een ervaring’) aan het begin van de Haarlemmerstraat zit een jongen op de grond met een mediterraan uiterlijk. Naast hem twee magere honden met kale plekken in hun vacht. Voor hem een wollen muts met een paar muntjes erin. Zijn dreadlocks zitten aan elkaar geplakt en de geur die hij verspreidt, is zo mogelijk een nog intensere ervaring dan de lucht van Stubbes Haring. Nee, hij wil niet praten. Nee, echt niet. Nou goed dan, voor een blikje Heineken wil hij wel wat over zichzelf kwijt. ‘Ik kom uit Baskenland. Noem me maar Juan. Mijn echte naam krijg je niet.’ Buitenlandse krakers in Amsterdam zijn grofweg in drie subcategorieën te verdelen. ‘Juan’ behoort tot de meest in het oog springende van de drie: de anarchokrakers, ook wel bekend als de crusties vanwege hun sterke aversie tegen water en zeep, en, in het geval van de vrouwen, de ladyshave. Vooral in de zomer kom je ze op praktisch elke straathoek in het centrum tegen, altijd en eeuwig vergezeld van ten minste twee viervoeters van het vuilnisbakkenras. In het gunstigste geval zijn ze met een gitaar of diabolo in de weer, maar vaak houden ze slechts hun hand op. ‘Ik ben tegen elke vorm van gezag,’ zegt Juan fel. ‘Daarom ben ik naar deze stad gekomen. Hier kan en mag alles. Niemand die op me let. Zelfs niet als ik dope gebruik.’ Ja, hij woont in een kraakpand. Maar hij wil niet vertellen waar. ‘Wie zegt dat je niet van de politie bent?’ Op de vraag wat nu precies zijn idealen zijn, antwoordt de Bask: ‘Ach, rot toch op, klootzak.’ Met een laatdunkend gebaar werpt hij het blikje Heineken, leeg inmiddels, voor de voeten van de verslaggever.
In de schaduw van een eikenboom in het Westerpark oefent de Poolse kraakster Monica met haar poi’s – twee ijzeren kettingen met aan ieder uiteinde een kleine stoffen bal. Ze zwaait ze snel en sierlijk rond haar lichaam. ‘Als het donker is, steek ik de balletjes in brand,’ vertelt ze. ‘Dat geeft een heel mooi effect.’ Monica draagt een kleurig bikinitopje en een donkere zonnebril. De bandjes van haar string komen net boven haar heupbroek uit. Haar vriendje, de Griekse Andreas, zit onderuitgezakt tegen de eik in zijn mobiele telefoon te praten. Op zijn gebruinde hoofd staan een paar plukken haar rechtovereind. Op zijn onderarm prijkt een grote roofvogel. Het koppel valt onder de subcategorie kampeerkrakers. ‘We zijn hiernaartoe gekomen om het naar ons zin te hebben,’ zegt Monica onomwonden. ‘We hangen veel in het park rond en gaan graag naar technoparties.’ Ze zijn nu een maand in ons land en blijven er nog zeker twee. ‘Maar in oktober wordt het hier te koud. Dan trekken we door naar het Zuiden.’ Daar zullen ze op dezelfde manier aan onderdak proberen te komen als ze in Amsterdam hebben gedaan. ‘De eerste dag sliepen we nog in een hostel op het Damrak,’ vertelt Andreas. ‘Maar de volgende ochtend ben ik op zoek gegaan naar een kraakpand waar we in konden trekken. Het was binnen een paar uur geregeld.’ Nu verblijven ze op de zolderetage van een woning in de Staatsliedenbuurt. Het mag dan een kamertje van drie bij vier zijn, dat bovendien met twee andere kampeerkrakers moet worden gedeeld, het deert Monica en Andreas niet. ‘We wonen er gratis, dat is het belangrijkste.’
In een bruin café in de Pijp nemen de Tsjechische krakers Josef en Pavel een flinke slok van hun bier. Ze spreken acht woorden Duits en drie woorden Engels, maar daaraan hebben ze voldoende om duidelijk te maken dat ze in Amsterdam zijn om te werken. ‘Metselen,’ zegt Josef. ‘Veel geld,’ bromt Pavel. Potige, asblonde jongens zijn het, in strakke donkerblauwe hempjes. Typische kluskrakers. Overdag staan ze voor een karig loon – zwart – tien uur aan één stuk muurtjes te granollen in Amsterdam-Zuid. ’s Avonds zijn ze meestal zo moe dat ze om halftien al in bed liggen. De Tsjechen wonen allebei in een leegstaand kantoorpand in de buurt. Ze zijn er via andere kluskrakers aangekomen. Een legale woning zou veel te duur voor ze zijn, vertelt Pavel. ‘Dan zouden we niet genoeg geld overhouden voor onze familie in Tjechië.’ Voorlopig blijven ze hier nog wel even. Er is genoeg werk in Amsterdam, iedereen kan wel ‘een mannetje’ gebruiken. ‘Maar als we eenmaal rijk zijn, gaan we weer naar huis,’ zegt Josef. Bij de woorden ‘naar huis’ krijgt Pavel een glimlach op zijn gezicht.
Volgens deskundige Eric Duivenvoorden hebben de drie subcategorieën in ieder geval één ding gemeen: ze hebben niet veel op met de huisvestingswet van 1993. ‘Die bepaalt dat kraken alleen is toegestaan wanneer een pand langer dan een jaar leegstaat,’ licht de socioloog toe. Op internet is een handige kraakhandleiding te downloaden met tips om erachter te komen of dat het geval is. Duivenvoorden wil graag benadrukken dat niet alle Zuid- en Oost-Europeanen die aanwijzingen in de wind slaan, er zitten ook fatsoenlijke types bij. ‘Maar de meesten denken toch al gauw: ik zie een leeg pand, ik trek erin.’
Dat ondervond ook de Amsterdamse filmstudent Paul Ruseler. Hij bewoonde enige tijd een appartement op het Javaplein in Amsterdam-Oost. Een klein jaar geleden besloot hij samen met zijn vriendin een huis in Amsterdam-West te betrekken. Toen hij op een avond wat spullen in dozen aan het doen was, stond zijn buurman, een Spaanse kraker, opeens in de deuropening. ‘Hij zei: “Goh, wat woon je hier mooi,— en kwam zomaar mijn kamer binnenwandelen,’ vertelt een nog altijd verbouwereerde Ruseler. ‘Daarna ging hij op mijn bank bij het raam zitten en merkte doodleuk op: “Het uitzicht is ook erg goed!—’ De student voelde nattigheid en loog tegen de Spanjaard dat na zijn verhuizing vrienden in het appartement zouden komen wonen. ‘In werkelijkheid zou mijn etage vier weken leeg komen te staan. Mijn huurcontract liep pas de maand erna af. Maar ik wilde voorkomen dat het pand gekraakt zou worden, want mijn huisbaas had me opgedragen het netjes achter te laten.’ Toen hij een week na zijn vertrek op het Javaplein terugkeerde om de meterstanden op te nemen, paste zijn sleutel niet meer op het slot. ‘Ik bonkte op de deur, maar niemand deed open, hoewel de muziek verraadde dat er wel degelijk iemand thuis was. Dus ik naar de politie. “Wilt u die gozer er even uitgooien?— vroeg ik aan de agente achter de balie. Maar ze antwoordde dat daarvoor de ME moest worden ingeschakeld en dat dat zomaar niet ging. “Vindt u het dan goed dat ik het zelf opknap?— vroeg ik. Dat mocht ook niet. Dan zou ik huisvredebreuk plegen, zei ze. Stel je voor, huisvredebreuk, in mijn eigen huis! Maar er was niets aan te doen. Uiteindelijk is een buurtregisseur langsgegaan om mijn meterstanden op te nemen. En die gozer heeft er nog heel lang gezeten. Beláchelijk!’
Een groep van circa vijftig krakers, van wie ongeveer de helft van niet-Nederlandse afkomst, marcheert op vrijdagmiddag 17 juni door de binnenstad van Amsterdam. Ze blazen op scheidsrechtersfluitjes, laten sirenes loeien en slaan met lepels op pannen. Het betreft een lawaaimanifestatie, zo leren de pamfletjes die aan omstanders worden uitgedeeld, georganiseerd uit protest tegen de sluiting van Pakhuis Afrika. Burgemeester Job Cohen heeft de avond ervoor op advies van de brandweer besloten dat de kunstenaarsbroedplaats en krakershangout stante pede dicht moet vanwege onvoldoende brandveiligheid. ‘Schandalig,’ roept een Italiaan achter in de stoet. ‘Hier zit een complot achter.’ Een landgenoot die naast hem loopt, valt hem bij. ‘Afrika is zo veilig als maar kan. De gemeente wil ons gewoon weg hebben.’ De burgemeester, vinden alle betogers, díé moet branden. Als de krakers het stadhuis passeren, stormen ze plotseling als één man naar binnen. Er worden bloembakken kapot geschopt en het metalen rolluik dat de demonstranten van de raadszaal scheidt, wordt flink beschadigd. Een beveiligingsbeambte die de groep naar buiten sommeert, wordt met bruut geweld aan de kant geduwd. Een röntgenfoto zal later uitwijzen dat hij aan zijn optreden een paar gebroken ribben heeft overgehouden. Na tien minuten komen acht voertuigen van de mobiele eenheid het Waterlooplein opgescheurd, maar dan hebben de actievoerders het stadhuis alweer verlaten.
‘Het is merkwaardig,’ zegt woordvoerder Remco Gerritsen van de politie Amsterdam-Amstelland, ‘maar altijd als er Spanjaarden of Polen bij een krakersrel betrokken zijn, gaat het er enorm gewelddadig aan toe. Veel gewelddadiger dan bij confrontaties met uitsluitend Nederlanders.’ Vraag hem niet hoe het komt, hij heeft geen idee. Kraakexpert Eric Duivenvoorden meent wél een verklaring te hebben. ‘In veel Europese landen is kraken verboden,’ weet hij. ‘Krakers zijn daar gewend als criminelen te worden behandeld en bij opstootjes keihard door de politie te worden aangepakt. Met als gevolg dat ze zelf enorm agressief zijn geworden.’
Amsterdam heeft al meerdere keren met het temperament van buitenlandse krakers mogen kennismaken. In december 2002 bijvoorbeeld, toen de ME een pand met Polen probeerde binnen te dringen in de Foeliedwarsstraat. In de woning zouden zich twee mannen verschuilen die even ervoor bij een schietpartij betrokken waren geweest. De Polen reageerden furieus op de charge en gooiden van driehoog een televisietoestel op het hoofd van een ME’er. Die hield er ‘slechts’ nek- en schouderletsel aan over. Nog een geluk dat de flessen, de ladekast en de radiator doel hadden gemist.
In mei 2004 gingen tien krakers van verschillende nationaliteiten in het centrum van de stad drie Polen te lijf. Die logeerden in een kraakpand in de Eerste Weteringdwarsstraat, maar veroorzaakten al snel zoveel overlast dat ze door de oorspronkelijke krakers werden verzocht op te hoepelen. Toen de Polen dat weigerden, ontstond er een massale vechtpartij in de straat waar knuppels, stokken en pitbulls aan te pas kwamen. Buurtbewoonster Shulamith van der Hart kan zich de rel nog goed herinneren. ‘Ik zat net met mijn vriend aan tafel toen er opeens werd aangebeld,’ vertelt ze. ‘Er lag een jongen in het portiek. Helemaal onder het bloed. “Help me,— kreunde hij. “Call doctor.— Dat deed ik en ik verleende ook meteen eerste hulp.’ Later heeft Van der Hart de Pool nog eens teruggezien. ‘Op de brug bij de Oudemanhuispoort, waar die junkies altijd gestolen fietsen staan te verkopen. Hij was dronken en ontzettend luidruchtig.’
Enkele uren na de lawaaimanifestatie voor Pakhuis Afrika is het over en uit voor het krakersbolwerk. Omdat de politie de directe omgeving van het pakhuis heeft afgesloten, hebben demonstranten, ramptoeristen en pers zich verzameld op de nabijgelegen Jan Schaeferbrug. Vooraan in het publiek staat een groepje anarchokrakers uit Spanje, duidelijk herkenbaar aan hun hoofd- en lichaamsbeharing en niet te vergeten hun honden. De meesten maken een wat mismoedige indruk. Ze zoeken troost op elkaars schouder en kussen elkaar op de wang. Maar één kraakster, een kleine vrouw met een rood fluitje in haar mond dat onophoudelijk snerpt, voelt zich duidelijk nog niet verslagen. Met haar gegroefde huid, aangetaste gebit en ogenschijnlijk aangevreten kapsel heeft ze het voorkomen van een junk. Ze slaat continu blikjes Best-bier achterover en trekt van leer tegen iedereen die haar onwelgevallig is. Journalisten, fotografen, maar vooral het kordon ME’ers moet het ontgelden. Meerdere malen probeert ze over de dranghekken te klimmen. Even zo vaak wordt ze door de ME’ers teruggeduwd. De andere Spanjaarden laten haar maar. Ze letten intussen op haar zoontje, een jochie van een jaar of zes met een staartje en een veeg op zijn gezicht. Hoe ironisch dat zijn moeder uitgerekend zo tekeergaat op de brug die naar wijlen Jan Schaefer is vernoemd. De oud-PvdA-wethouder van Amsterdam die zich eind jaren zeventig sterk maakte voor meer betaalbare woningen, bekend van zijn credo ‘In gelul kun je niet wonen’. Zou de Spaanse kraakster ooit van de man hebben gehoord? Waarschijnlijk niet. Als ze na anderhalf uur haar buik vol heeft van het amok maken, laat ze halverwege de brug haar broek zakken en drukt ze haar stempel op de dag.
‘Ach meneer, hou op, schei uit,’ zegt inspecteur Hygiënisch Woningtoezicht Henk Plenter van de GG&GD. ‘Dat buitenlandse krakersvolk is zó smerig.’ Plenter kan het weten. Dagelijks bezoekt hij panden die op de nominatie staan ontruimd te worden wegens ernstige verontreiniging en stankoverlast. De laatste jaren zitten daar ook veel kraakpanden bij. ‘Vooral de Zuid-Europeanen zijn berucht. Als zíj in een huis hebben gezeten, dan danst het van de luizen en liggen er overal injectienaalden.’ Fatsoenlijke sanitaire voorzieningen behoren voor sommige Spanjaarden en Italianen niet tot de eerste levensbehoeften. ‘Ze doen hun grote boodschap gewoon in de hoek van de kamer. En ik tref ook altijd overal emmers met urine aan. Om nog maar te zwijgen van wat zestien honden kunnen produceren.’
Misschien moet de inspecteur ook maar eens op huisbezoek in de Bloemstraat in de Jordaan. De eerste indruk van het kraakpand op nummer 174 is allesbehalve kraakhelder. Op de pui, die zo ver voorover hangt dat hij met dikke houten balken moet worden ondersteund, staan met grote zwarte letters Catalaanse leuzen gekalkt. Door de ramen, al zijn ze al een tijdje niet gelapt, is goed te zien hoe binnen de schimmel op de wanden woekert. Op de achterplaats ligt links een grote berg afval en geurt het rechts naar fecaliën. Aanbellen en nog eens aanbellen haalt niets uit. Er staan fietsen voor de deur, maar niemand doet open.
Van Hoogendorpstraat 195 lijkt ook typisch een gevalletje voor Henk Plenter. De voordeur hangt half uit de sponning. De trap naar boven blijkt tree voor tree bekleed met een dikke zwarte aanslag. De plafonds komen bijna naar beneden en de muren zijn van gatenkaas. En dan is er nog de penetrante walm van verrotting. Als de krakers op de eerste etage na enig bonzen de deur openen, blijkt in één oogopslag waar de lucht vandaan komt. Op het zeil in het halletje zitten grote, onbestemde vlekken en de woonkamer ligt bezaaid met vuilnis. Spijtig dat die typisch Oost-Europese gastvrijheid hier slechts tot op de drempel strekt. ‘Nee, we willen echt niet dat je binnenkomt.’
Je moet er toch niet aan denken dat zo’n groep krakers bij je in de buurt komt wonen, zoals Lidwien Meulemeester overkwam. Een groot, internationaal gezelschap betrok eind 2002 een monumentaal pand op de Prins Hendrikkade. Dat pand staat bij Meulemeester om de hoek. Haar keuken en slaapkamer kijken uit op de achterzijde van de woning. ‘Kijk, dát huis is het,’ wijst Meulemeester, gezeten op haar bed. ‘Vanaf het moment dat die krakers er waren heb ik geen oog meer dichtgedaan. Ze vierden elke nacht feest op het dak. Dat betekende voortdurend geschreeuw en lawaai van trommels en didgeridoos.’ Haar toenmalige vriend werd er gek van. Die moest voor zijn werk om zes uur op. ‘Hij was zo kwaad dat hij op een avond met een breekijzer thuis kwam en riep: “De volgende keer dat het raak is, doe ik ze wat!—’ Na een kleine week sprak Meulemeester een van de krakers op straat aan. Dat had ze net zo goed niet kunnen doen. ‘Het was een Italiaan, weet ik nog. Ik vroeg of het voortaan wat rustiger kon. Hij priemde zijn wijsvinger in mijn richting en blafte: “Back off, you woman!—’ Ook haar buurman, weet Meulemeester, ondervond grote hinder van de krakers. Maar híj hield zijn mond. ‘Doodsbang dat die gasten opeens voor zijn deur zouden staan.’ Het dieptepunt werd bereikt toen de Amsterdamse op een nacht een klaterend geluid hoorde. ‘Ik schoof mijn slaapkamergordijn opzij en keek recht in het kruis van een plassende kerel.’ Ze staat op, loopt naar een kast in de woonkamer en haalt een stapeltje foto’s te voorschijn. ‘Kijk, hier is het bewijs.’ En inderdaad, al zijn de opnames wat onscherp, ze tonen onmiskenbaar de contouren van een jongeman die vanaf het dak zijn blaas ledigt. ‘En wat dacht u hiervan?’ vraagt Meulemeester cynisch wanneer ze een andere foto laat zien. De hurkzit van het meisje op de afbeelding doet het ergste vermoeden. ‘Jazeker, die zit daar gewoon te kakken!’
Na een stortvloed van klachten van omwonenden werd het pand aan de Prins Hendrikkade in 2003 dan eindelijk ontruimd. Opmerkelijk genoeg zitten er inmiddels weer nieuwe krakers in, wederom van buitenlandse origine. ‘Ach,’ zegt Meulemeester gelaten, ‘zij veroorzaken tenminste niet zoveel overlast als de vorigen. Ze hebben pas twee keer een punkfeest op het dak gehouden.’
Autochtone krakers blijken verdeeld over hun broeders en zusters van over de grens. Een minderheid verwijst de overlast van de Zuid- en Oost-Europeanen naar de prullenbak als verzinsels van ‘de media’. Je hebt nu eenmaal sociale en asociale mensen, luidt de redenering, en het is ‘racistisch’ om daar etiketjes als ‘krakers’ of ‘Spanjaarden en Polen’ op te plakken. Anderen spelen de zwartepiet toe aan ‘Europa’. Zij vinden: wanneer je als land wél de vrijheid van verkeer en verblijf in de EU toejuicht, maar vervolgens niet voor voldoende woonruimte in de steden zorgt, moet je achteraf niet gaan zeuren als er problemen met krakers ontstaan. Weer anderen willen na enig aandringen wél toegeven ongelukkig te zijn met het wangedrag van de nieuwkomers. ‘Ja, ik weet dat in heel de stad incidenten met jongens van buitenlandse afkomst plaatsvinden,’ zegt kraker Pieter. Hij woont op de gekraakte camping ‘De wolf en de zeven geitjes’, net buiten Amsterdam. In kleermakerszit in het gras neemt hij een stevige trek van zijn joint. ‘Het is irritant,’ vindt hij, ‘dat die groep het beeld van de hele beweging bepaalt.’ Zelf heeft hij ervaring met een stel Polen. Ze klopten bij hem aan toen hij nog een pand bij station Sloterdijk bewoonde. ‘Kijk, normaal gesproken is onze scene erg gastvrij. Iedereen kan altijd overal blijven logeren. Maar in dit geval moest ik echt even nee verkopen. Voor je het weet wordt je huis ontruimd omdat zij er een bende van maken.’
Ondertussen raakt ook in politiek Den Haag de maat behoorlijk vol. De LPF diende begin vorig jaar een motie in waarin ervoor werd gepleit het kraken van woningen strafbaar te stellen. Het CDA heeft al twee keer een motie voor een algemeen kraakverbod ingediend. ‘Sinds negen van de tien krakers uit het buitenland komen,’ zegt woordvoerder economische zaken Jan ten Hoopen, ‘hebben huizeneigenaren het steeds moeilijker. Die Zuid- en Oost-Europeanen brengen enorm veel schade aan de woningen toe. Ondernemers kunnen die schade nergens verhalen. Integendeel, ze worden meteen uit de verzekering gegooid.’ Volgens de politicus is de krakersscene met de komst van de Spanjaarden en Polen ‘sterk vercriminaliseerd’. Zo zouden ze regelmatig illegale housefeesten organiseren waarop de coke en speed van neus tot neus gaan. ‘Dat heeft niets meer met linkse idealen te maken.’ Natuurlijk, vindt de CDA’er, moet de politiek ook iets aan de nijpende woningnood doen. ‘Maar met een algemeen kraakverbod komt in ieder geval een einde aan de aanzuigende werking van de kraakbeweging op criminele elementen uit het buitenland.’
Er bestaat een aardige kans dat het CDA en de LPF hun zin krijgen. Minister Sybilla Dekker van VROM heeft een aantal weken geleden een brief naar de Tweede Kamer gestuurd. Daarin laat Dekker weten samen met minister Piet Hein Donner van Justitie ‘de regelgeving tegen kraken onder de loep te gaan nemen’.
Maar ook als de wetswijziging er niet komt, denkt expert Eric Duivenvoorden, kan het snel afgelopen zijn met de kraakbeweging. Hij ziet een duidelijke parallel tussen de huidige scene en die van het einde van de jaren tachtig. ‘Ook toen was er een klein clubje dat zich voortdurend aan geweld te buiten ging. Dankzij hen kregen de krakers een steeds slechter imago en is de scene uiteindelijk bijna uitgestorven.’ Van Duivenvoorden voorziet dat nu iets soortgelijks te gebeuren staat. ‘Als die buitenlandse krakers steeds overlast blijven veroorzaken, zal de beweging nóg meer aan populariteit inboeten. Dat zal op afzienbare termijn de doodsteek betekenen.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.