Twintigers zijn razend interessant. Tenminste, als je kijkt naar de hoeveelheid boeken, artikelen en documentaires waarin de twintigersgeneratie wordt geduid.
Filosoof Rob Wijnberg gaf in 2007 het startschot door in zijn boek Boeiuh! Het stille protest van de jeugd te stellen dat de jongere generatie niet geïnteresseerd is in politiek. Twee jaar later publiceerde onderzoeksbureau Motivaction de studie De grenzeloze generatie en de eeuwige jeugd van hun opvoeder. De uitkomst: de generatie geboren na 1985 is ‘een sociale tijdbom’, narcistisch, en alleen maar geïnteresseerd in uiterlijk, kicks en netwerken. De twintigers zijn volgens Motivaction minder dan eerdere generaties bezig met de maatschappij en meer met ‘zichzelf als merk’.
De kritiek van Wijnberg en Motivaction werd gemeengoed en in allerlei publicaties en debatavonden discussieerde men over de vraag waarom twintigers zo egocentrisch zijn. De generatie sloeg terug in een tweetal documentaires. Wij zijn slechts verwarde adolescenten, was hierin de boodschap. In Alles wat we wilden (2010) kwamen vier ambitieuze twintigers aan het woord, bijna allemaal werkzaam in de culturele sector. Ze spraken over hun ambities, hun angst om te falen en hun obsessie met uiterlijke schijn. De een had aan deze fenomenen dwangneuroses overgehouden, een ander zat aan de antidepressiva. In De BV IK (2011) kwamen deze thema’s terug. De documentaire draaide om de twintigjarige filosofiestudente Roos, die klaagde over de druk van de onbegrensde mogelijkheden.
Onbetaalde stage
De nieuwste bijdrage aan de twintigershype heet De wereld aan je voeten en andere illusies uit het leven van twintigers, door journaliste Marijke de Vries en onderzoeker Birte Schohaus. Beiden behoren tot de generatie die ze beschrijven. De aanname van de auteurs luidt dat veel twintigers zich in een persoonlijke crisis bevinden. Ze zijn teleurgesteld door de wereld, die hen, in tegenstelling tot wat hun altijd was voorgespiegeld, niet met open armen ontvangt. Op de arbeidsmarkt blijkt een goede opleiding ineens niet voldoende te zijn. Daarnaast hebben velen het gevoel dat alles wat ze doen leuk, bijzonder en excellent moet zijn – met onzekerheid en twijfel tot gevolg. Dit klinkt allemaal bekend voor wie het ‘generatiedebat’ heeft gevolgd. Veel van de inmiddels tot gemeenplaats verworden verzuchtingen uit de twee documentaires (over keuzestress, de drang om te excelleren en de angst dat anderen het beter doen) worden in het boek herhaald. Wat de auteurs wilden toevoegen is niet duidelijk – dat blijkt ook uit de weinig systematische manier waarop ze te werk zijn gegaan. Anekdotisch bewijsmateriaal bestaande uit interviews met een niet-representatieve steekproef van twintigers wordt afgewisseld met citaten van (ogenschijnlijk?) willekeurig gekozen sociologen en andere cultuurcritici.
Het gebrek aan hiërarchie in de besproken problemen is verwarrend. Het hoofdstuk over twintigers op de arbeidsmarkt laat zien hoe ingewikkeld het is voor pas afgestudeerden om een baan op (of zelfs onder) hun niveau te vinden. Jongeren met een mastertitel en bestuurservaring strijden met vijfhonderd andere sollicitanten om een baan en zien zich uiteindelijk genoodzaakt de ene na de andere onbetaalde stage te doen. Dit is een reëel probleem dat we terugzien in de hoge jeugdwerkloosheidscijfers. Maar het gedeelte over werkloosheid onder twintigers staat zij aan zij met een hoofdstuk waarin wordt beschreven hoeveel moeite twintigers hebben met het zich verwerven van een eigen, authentieke identiteit. Het begint met de vaststelling dat twintigers moeite hebben met het vinden van dé onderscheidende reisbestemming: ‘De reis als een unieke ervaring lijkt een soort obsessie te zijn geworden.’ Vervolgens wordt beschreven hoe de zoektocht naar uniciteit op gespannen voet staat met moderne massamedia als Facebook. Twintigers zouden er hevig onzeker van worden: Facebook is ‘een feest der vergelijking pur sang’. Dit hoofdstuk getuigt van zoveel narcisme en zelfmedelijden dat je Motivaction bijna zou gaan geloven.
Is zo’n worsteling op die leeftijd niet van alle tijden?
Alleen over hoogopgeleiden
Het presenteren van zeer verschillende problemen als nevengeschikt is ook het manco van de documentaires over twintigers. Ze hebben ongetwijfeld een troostend effect op de jongeren die lijden aan de beschreven symptomen, en voor niet-twintigers geven ze wellicht een interessant beeld van (een deel van) deze generatie. Toch zijn ze niet bevredigend. De analyse blijft oppervlakkig, waardoor op geen enkele vraag echt antwoord wordt gegeven.
Neem bijvoorbeeld de vooronderstelling, zowel van het boek als van de documentaires, dat het neoliberalisme schuld heeft aan de stress onder jongeren. Wat het neoliberalisme precies inhoudt, wordt niet uitgelegd, maar wel wordt verwezen naar ‘de hedendaagse meritocratie’ en ‘de prestatiemaatschappij’ als boosdoeners. Deze zouden van mensen verlangen dat zij werk, geld en status op de eerste plaats zetten. Bovendien zorgen ze ervoor dat elk individu verantwoordelijk wordt gehouden voor zijn eigen succes en dus ook zijn eigen falen. Nog los van de kwestie of deze stelling klopt – hij wordt niet met veel bewijzen gestaafd – is het de vraag wat ermee wordt verklaard of opgelost. Moeten we dan weer terug naar een samenleving waarin alleen de groep telt en werk onbelangrijk wordt gevonden – als zo’n samenleving al heeft bestaan?
De aanklacht tegen het neoliberalisme legt nog een zwakke plek bloot van de twintigerspublicaties: veel van de beschreven problemen treffen niet uitsluitend jongeren. Hooguit kun je stellen dat twintigers meer onder deze fenomenen lijden omdat zij – volgens het boek – zo’n verwende en beschermde jeugd hebben gehad. Op een andere manier is de beschreven groep juist weer te ruim gedefinieerd. Alles wat we wilden, De BV IK en De wereld aan je voeten pretenderen de hele generatie van twintigers te behandelen, maar uit de selectie van geïnterviewden en de aangesneden problematiek blijkt dat het alleen gaat over hoogopgeleiden – en dan vooral uit de creatieve sector. Is er eigenlijk wel zoiets als een collectieve identiteit die twintigers van alle opleidingsniveaus en sociale milieus met elkaar verbindt? En is een individuele worsteling tijdens de adolescentie niet van alle tijden?
Minderwaardig
Misschien laat De wereld aan je voeten vooral zien dat het voor een boek over de twintigersgeneratie nog te vroeg is. Toonaangevende studies over de generatie die jong was in de jaren zestig, zoals Hans Righarts De eindeloze jaren zestig en James Kennedy’s Nieuw Babylon in aanbouw, zijn ook pas dertig jaar later geschreven. Dit betekent niet dat we geen aandacht moeten hebben voor de problemen waarmee twintigers nu te maken hebben. Interessant is bijvoorbeeld dat zoveel jongeren kampen met klachten als depressie, angstaanvallen en burn-out. Ook de economische aspecten van de jongerenproblematiek vragen om aandacht, zoals de vastzittende woningmarkt, de onzekere pensioenen en de halfslachtig geflexibiliseerde arbeidsmarkt. Vooral de moeite die jongeren hebben met het vinden van een baan zorgt voor veel persoonlijke ellende. Werkloosheid, of werk doen ver onder je niveau, kan leiden tot apathie en gevoelens van minderwaardigheid. Het is dus best mogelijk dat de identiteitscrises verminderen zodra de economie aantrekt. Wie hard werkt, krijgt meer zelfvertrouwen – en minder tijd zichzelf met anderen te vergelijken op Facebook.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.