Birma

Mobiele telefoons rinkelen in de tropische avondlucht en laptops staan uitgeklapt. Klanten lopen af en aan in het restaurant met zijn knipmessende manager, comfortabele stoelen en exotische cocktails. Het is moeilijk voor te stellen dat het sfeervolle etablissement aan het meer in hartje Rangoon tot voor kort vaak uitgestorven was. Terwijl hij de drukte overziet nipt de Birmese journalist van zijn margarita en zegt: ‘George wil me morgen spreken.’

‘George wie?’ vraag ik. Mijn gedachten zijn nog bij zijn commentaar dat de media beduidend meer vrijheid hebben dan vroeger, maar dat de nieuwe perswet toch verdacht veel mogelijkheden tot controle biedt.

‘George Soros,’ antwoordt hij op een toon alsof zijn ontmoeting met de Amerikaans-Hon­gaarse filantroop en zakenmagnaat heel gewoon is.

Ik schiet in de lach. Natuurlijk, ik had kunnen weten dat ook Soros acte de présence in Rangoon zou geven. Iedereen spoedt zich immers naar Birma nu het land na decen­­nia van dictatuur de deuren naar het Westen openzet.

Te midden van het geroezemoes wordt Thiha Saw om de haverklap begroet. De gemoedelijke journalistieke veteraan is met zijn encyclopedische kennis en uitgebreide adresboek een populaire vraagbaak voor buitenlandse bezoekers. Zijn gedachten gaan terug naar de lange jaren van omzichtige ontmoetingen toen uit handen blijven van de geheime dienst een scala aan trucs vereiste. ‘Those were the days,’ zegt hij. Er klinkt zowaar een flard van heimwee door in die verzuchting.

Goudkoorts

Overal in de stad zijn de veranderingen zichtbaar. Als herauten van de nieuwe tijd prijken tussen de grauwe, door vocht aangevreten gevels vers geschilderde reclameborden met Coca-Cola: ‘Open happiness’. Luxe appartementencomplexen die jarenlang verpieterden in de steigers komen tot leven. Op kruispunten wapperen straatventers met groene en roze brochures naar elk westers gezicht dat ze ontdekken in de verkeerschaos. Het zijn de onofficiële vertalingen van de nieuwe wetten over handel en investeringen. In de kiosks verschijnen Engels­ta­li­ge brochures met de do’s en don’ts van de vrije markt. ‘The opening of the country will prove to be one of the outstanding phenomena of our lifetime,’ belooft de eerste pagina.

Met zijn zestig miljoen inwoners en voorzichtig opkomende middenklasse is Birma een potentiële afzetmarkt. Ook de grote voorraden gas, olie en mineralen lokken, evenals het reservoir aan goedkope arbeidskrachten.

Te midden van het gehamer en gesjouw in een fris geverfd pand met een koloniale gevel vertelt Thein Tun hoe hij ze de afgelopen maanden allemaal zag arriveren: de CEO’s uit de top van de Fortune 500-bedrijven, consultancybureaus en de ondernemers met eenmanszaakjes. Maar Thein Tun tempert de goudkoorts. ‘Het land is politiek instabiel. Er zijn nog onduidelijkheden in de nieuwe wetten over buitenlandse handel en investeringen en de financiële infrastructuur is slecht.’ Alsof dat nog niet ingewikkeld genoeg is, zijn er de problemen met de elektriciteitsvoorziening, haperende internetverbindingen en wegen die vooral in de regentijd grote delen van het land onbegaanbaar maken. Vanwege tekorten aan kantoorruimte kunnen de huurprijzen concurreren met die in de duurste steden ter wereld.

Thein Tun weet waarover hij praat. Hij bestiert een van de grootste ondernemingen van het land. Hij maakte zijn fortuin met de komst van Pepsi in het begin van de jaren negentig, toen hij het contract voor een joint venture binnensleepte. Sedertdien heet hij in de volksmond ‘Pepsi’ Thein Tun. In 1998 hield de samenwerking op omdat Pepsi zich onder druk van Ame­rikaanse consumenten terugtrok. De fabriek maakte een doorstart met de productie van mineraalwater en frisdrank. Als oude rot in het vak typeert Thein Tun het nieuwe Birma nog steeds als een ondoorzichtige mix van risico’s en kansen. ‘Voor buitenlandse ondernemers zijn die nog lastiger in te schatten dan voor ons,’ zegt hij. Er glijdt een besmuikt lachje over zijn gezicht. Alsof de ongewisse complexiteit waarin zakelijke debutanten moeten opereren hem heimelijk amuseert.

Het opgeknapte gebouw waar hij zijn cappuccino drinkt, gaat over enkele dagen open als lokale bank. Maar de werkelijke ambitie van Thein Tun ligt enkele straten verderop bij een kolossaal Victoriaans gebouw van roodbruine baksteen. Nadat de autoriteiten in 2005 hun ambtenaren overplaatsten naar de nieuw gebouwde hoofdstad Naypyidaw driehonderd kilometer noordwaarts, verkommerde het vroegere hooggerechtshof. ‘Ik wil er een hotel van maken,’ zegt Thein Tun.

Ook voor toeristen is het fotogenieke onontdekte land the place to be nu plezierreizen na jaren van boycotcampagnes niet langer omstreden zijn. Boed­dhis­tische pelgrims die Bir­ma voorheen als achterlijk en gevaarlijk beschouwden, bezoeken in grote groepen de eeuwenoude pagodes. In 2012 steeg het aantal vakantiegangers met twintig procent naar ongeveer 1 miljoen. Vergeleken met de 22 miljoen reizigers die Thailand jaarlijks scoort, is dat nog altijd zeer bescheiden. Volgens de Birmese Federatie van Toerisme telt Rangoon ongeveer 8000 kamers, waarvan slechts de helft aan westerse eisen voldoet. Het afgelopen hoogseizoen doolden regelmatig reizigers door de straten van Rangoon die de wanhoop nabij waren in hun speurtocht naar een bed. Anderen deelden noodgedwongen kamers met elkaar.

Maar het prestigieuze project van Thein Tun heeft sinds kort tegenstanders, en ook dat is exemplarisch voor het vrijere klimaat. Terwijl historische gebouwen voorheen achteloos tegen de vlakte gingen, is er een beweging op gang gekomen die cultureel erfgoed wil beschermen. In een volgend gesprek houdt de mega-ondernemer zich dan ook op de vlakte over zijn plannen met het gebouw. ‘Ik investeerde 2 miljoen dollar in de deal.’ Hij haalt laconiek zijn schouders op en doet de tegenvaller af met: ‘We zien wel.’

Voormalige pariastaat

Ook buitenlandse hulpverleners storten zich na jaren van terughoudendheid vanwege het militaire bewind op het noodlijdende land. Door de vergaderzalen van hotels klinken termen als empowerment, capacity building, gender equality. In Rangoon is de competitie tussen de buitenlandse organisaties soms zo hevig dat Birmezen met een betaling worden gelokt om de workshops gevuld te krijgen. Medewerkers van lokale ngo’s verzuchten dat ze vanwege de plotselinge interesse voor de noden van Birma nauwelijks meer toekomen aan hun eigen werk. Met een mengeling van humor en ergernis vertelt een van hen: ‘Ik neem mijn telefoon niet meer op als ik het nummer niet herken.’

Ook de populaire komiek en activist Zarganar weet niet goed wat hij met al het bezoek bij zijn kleine theaterruimte annex kantoor aan moet. In een luttel aantal dagen verschijnen er Scan­di­navische juristen met een workshop, een Ame­rikaanse advocate die lezingen wil geven over feminisme, een Franse filmmaakster, een Ame­rikaanse fotografe met een plan voor foto-onderwijs, een Duitse rasta die aanbiedt te komen goochelen en diverse afgevaardigden van donororganisaties die hem vragen over hulpprojecten mee te denken. Met een ongewoon geagiteerde trek op zijn expressieve kale hoofd zegt Zarganar: ‘Ons land is net een beeldschoon maar onzeker tienermeisje dat plotseling door iedereen het hof gemaakt wordt.’

Ruim een half jaar geleden gaf Barack Obama met een kus op de wang van een verraste oppositieleidster Aung San Suu Kyi zijn presidentiële fiat voor de nieuwe betrekkingen, al waarschuwde hij ook dat het land nog een lange weg te gaan had. Onder buitenlandse toeristen die zich langs de marktstalletjes in het centrum van Rangoon persen, vinden T-shirts met een afbeelding van het memorabele moment gretig aftrek. Voor westerse regeringen spelen niet alleen economische motieven om de banden aan te halen. De afgelopen jaren moesten ze met lede ogen aanzien hoe hun beleid van sancties en minimale diplomatieke betrekkingen Birma in de armen van China dreef. In maart 2011 trad een regering van ex-militairen aan die hervormingen begon door te voeren. Nu deze nieuwe leiders salonfähig zijn bevonden, wil vooral de VS zo snel mogelijk een voet aan de grond in de voormalige pariastaat. Zo is Birma de arena voor een New Great Game geworden.

Wat de junta tot concessies bewoog, laat zich moeilijk achterhalen. Het is een volkssport om in de theehuizen eindeloos te speculeren over wat er omgaat in de hoofden van de militaire top. Een zakenman met connecties in invloedrijke kringen legt uit dat het om pragmatische motieven gaat. Het begon de militaire leiders steeds meer te steken dat Birma als verpauperde sloof door het leven ging terwijl andere landen in de regio aanzienlijke groeicijfers noteerden. Ook de uit de hand gelopen economische dominantie en roofbouw door China zat de legertop flink dwars. De westerse steun die nu in ruil voor politieke hervormingen doorkomt, biedt tegenwicht voor de overheersing van de Grote Noorderbuur. En met de zorgvuldig geregisseerde benoeming van een opvolger regelde de voormalige dictator Than Shwe voor zichzelf bovendien een veilig pensioen en karma (spiritueel krediet) voor een volgend leven.

In steden als Rangoon domineert het nieuwe Birma. Een aanzienlijk vrijer en minder angstig land, waar burgers kansen grijpen ondanks de risico’s en hun twijfel of de veranderingen inderdaad wel verder zullen doorzetten. Maar buiten de steden ligt een grimmiger land. Een Birma waar het vervaarlijk gist, juist in deze periode van transitie.

Bedorven curry

In het dorpje Sit Kwin, drie uur rijden ten noorden van Rangoon, raapt de bejaarde Tin Hla een foto van Mekka en ingelijste spreuken uit de Koran van de houten vloer in zijn huis. Ze zijn besmeurd met bedorven curry en met een mes kapot gestoken. ‘Wie het ook waren, ze hebben niets eens iets gestolen. Het ging hen alleen om de vernieling,’ zegt hij mismoedig terwijl hij zijn onttakelde interieur in zich opneemt.

Eind maart barstte in de streek geweld tegen moslims los. De agressie begon met een ruzie tussen de islamitische eigenaar van een goudwinkel en een boeddhistische klant. Toen vervolgens een monnik werd vermoord, sloeg de vlam in de pan. In de aanvallen kwamen ruim 40 mensen om; zo’n 13.000 burgers raakten ontheemd. De meeste slachtoffers zijn moslim.

Tin Hla en zijn gezin van zes sloegen op de vlucht toen een boze bende op motoren brandschattend door het dorp trok. Een bevriende boeddhistische agent bood hun onderdak. ‘Daarom zijn we nog in leven.’ Zijn schichtige blik dwaalt telkens af naar de stille zandweg en het veld aan de overkant. ‘Veilig is het niet, maar waar moeten we anders heen?’

Tin Hla is een eenvoudige timmerman die niet begrijpt waar de agressie vandaan komt. ‘We leven al generaties zonder problemen bij elkaar. Hoe kon dit nu gebeuren?’

Het is verleidelijk te geloven dat het land van oudsher een harmonieuze mix van godsdiensten is. In talloze plaatsen van Cen­traal Birma prijken tussen de goudkleurige koepels van pagodes ook de ranke minaretten van moskeeën. Maar de werkelijkheid is een stuk complexer. Discriminatie van moslims is veel dieper geworteld in de samenleving dan alle clichés over de tolerantie en de vredelievende aard van boeddhisten willen doen geloven.

Net na de onafhankelijkheid van 1948 werd het boeddhisme tijdelijk tot staatsreligie verklaard. De militairen die in 1962 de macht grepen, propageerden decennialang een beleid van Birmaans nationalisme, waarbij het boeddhisme superieur was aan andere religies. De meeste moslims werden geweerd uit overheidsbanen of uitgesloten van promotie. In onrustige tijden fungeerden ze regelmatig als zondebok en werden ze door aan het bewind gelieerde milities aangevallen om de aandacht van andere problemen af te leiden. Bij veel boeddhisten heerst bovendien verborgen jaloezie tegenover moslims die tijdens de Britse overheersing vanuit India naar Birma trokken en zich ontpopten tot goed georganiseerde en handige winkeliers en handelaren. Ook in de crisis van de jaren dertig koelden burgers hun woede op moslims.

In het vrijere klimaat komen sluimerende vooroordelen en afgunst ongehinderd naar de oppervlakte. In de westerse Rakhine-staat zag een ultranationalistische lokale politieke partij de kans schoon om een extreem gewelddadige hetze op touw te zetten tegen de statenloze moslimminderheid, de Rohingya’s. Ook monniken, overheid en veiligheidstroepen deden mee. De meeste prominente Birmezen, onder wie ook Aung San Suu Kyi, spraken zich nauwelijks uit over de vervolging. Er vielen zeker 180 doden, honderden personen worden nog vermist en tienduizenden sloegen op de vlucht, de meesten van hen Rohingya’s.

Inmiddels wordt de antipathie tegen moslims ook elders in het land aangewakkerd. ‘Als je bij moslims spullen koopt, zal je geld bijdragen aan de vernietiging van ons ras en onze religie,’ klinkt de cd van een straatstalletje in Rangoon. De stem is van Ashin Wirathu, een van de leiders van een kleine groep extremistische monniken die campagne voert om moslims te mijden en hun producten te boycotten. De stickers, pamfletten en cd’s met hun boodschap dat moslims het land zullen overnemen duiken overal op. In diverse plaatsen waar het geweld om zich heen greep, hielden Wirathu en zijn volgelingen kort tevoren opruiende toespraken.

Veel lokale media doen mee aan de stemmingmakerij en op internetfora krioelt het van de hatelijke opmerkingen. ‘Facebook lijkt wel de muur van een wc,’ zegt een lokale journalist die als een van de weinigen zorgvuldig blijft berichten. Er zijn aanwijzingen dat militairen en medestanders uit het oude machtsapparaat het geweld aanmoedigen of zelfs mede organiseren. Grootschalige onrust kan het leger een reden geven om in te grijpen. Sommige analisten denken dat de campagne ook bedoeld is om te zorgen dat de woede zich op moslims richt in plaats van op Chinezen, die vanwege hun dominante succes steeds meer wrok oproepen. Het zijn deels speculaties, maar ze borduren voort op machtsmanoeuvres die in het verleden maar al te vaak waar bleken.

Hoogverraad

Ook Khun Htun Oo, een leider van de Shan-minderheid uit het oosten van het land, biedt de Birmese Lente tegengas. De verhouding tussen het centrale gezag en de etnische minderheden compliceert de toekomst, waarschuwt hij. De niet-Birmaanse groepen, die eenderde van de bevolking vormen, vechten al sinds de onafhankelijkheid van 1948 voor een federale staat met gelijke rechten en autonomie. De 69-jarige Khun Htun Oo is een van Birma’s meest ervaren politici. In 2005 werd hij vanwege zijn politieke activiteiten op beschuldiging van hoogverraad tot drieënnegentig jaar gevangenisstraf veroordeeld. Hij kwam begin vorig jaar vrij onder een presidentieel pardon. Uit zijn forse lijf ontsnapt een diepe zucht als hij zijn gedachten laat gaan over de nieuwe leiders: ‘Vaak zegt de regering het een, maar doet ze het ander.’

Met sommige rebellengroepen zijn onderhandelingen aan de gang, met andere verslechteren de verhoudingen juist weer. In een deel van de oostelijke Shan-staat wordt gevochten en verder naar het noorden nam het Birmese leger na ongewoon zware offensieven de afgelopen maanden vrijwel het hele gebied van de Kachin-minderheid in. Tienduizenden ontheemden bivakkeren vrijwel zonder hulp en zonder bescherming in kampen die binnen het bereik van de Birmese wapens liggen. Terwijl het geweld tegen moslims de internationale aandacht vangt, speelt de burgeroorlog zich ver buiten het zicht van de wereld af.

Behalve nationalistische motieven spelen er economische redenen om de etnische gebieden te pacificeren en het land in beslag te nemen. Er liggen kapitalen aan natuurlijke hulpbronnen. Ook aanleg van dammen en gas- en oliepijpleidingen levert de staatskas veel geld uit China en Thailand op.

De Shan-veteraan wantrouwt vooral het leger en zijn medestanders in de regering. De inzet van zware wapens en gevechtsvliegtuigen tijdens de recente offensieven bewijst dat de bevelen niet van lokale commandanten, maar van de militaire top komen. Hij denkt dat de Tat­ma­daw, het Birmese leger, de opstandige etnische groepen koste wat kost onder de duim wil houden. ‘Wij minderheden weten onderhand wel wat we onder federalisme verstaan. Maar voor de Tatmadaw betekent die term hetzelfde als separatisme. Het uiteenvallen van de Unie beschouwt het leger als het grootste kwaad. Bij het woord federalisme gaan alle alarmbellen af.’ De welbespraakte politicus pauzeert even en er komt een vermoeide trek op zijn gezicht. Dan zegt hij: ‘Toch is een federale staat de enige garantie voor vrede in Birma.’

Nu de etnische en religieuze spanningen vervaarlijk verder smeulen, speelt ook de discussie op of de Birmese regering niet te snel het groene licht kreeg voor een normalisering van de betrekkingen. Maar de westerse karavaan laat zich niet meer stoppen. President Thein Sein werd door Barack Obama met alle egards ontvangen in het Witte Huis. Ook schudde het Birmese staatshoofd handen met de Britse militaire top. De hoofdstad Naypyidaw kreeg het World Economic Forum op bezoek.

Het is een kwestie van tijd of de allerlaatste sancties zullen – op de wapenembargo’s na – worden opgeheven. Maar liefst achtentwintig buitenlandse banken zitten al op het vinkentouw. Telecombedrijven vechten om de mobiele markt. Ook steeds meer Nederlandse ondernemingen laten zich in Birma zien. Zo kondigde Heineken aan dat er in een joint venture over anderhalf jaar de groene blikjes van de band gaan rollen. Eind mei leidde minister Schultz (Infrastructuur en Milieu) er een bedrijvenmissie met onder andere Shell en Philips. Royal HaskoningDHV, dat deel uitmaakte van de delegatie, opent een kantoor in Rangoon.

Uit de internationale pinmachines in Rangoon knisperen de splinternieuwe kyatbiljetten zo vanzelfsprekend naar buiten dat het lijkt alsof het jarenlang zwart wisselen van meegebrachte dollars nooit bestaan heeft. ‘Mijn tijd is wel voorbij,’ zegt een illegale geldhandelaar op de markt terwijl groepen buitenlandse shoppers hem ongeïnteresseerd passeren.