Reportage / De bestaansstrijd van Stichting Exodus

‘Drinken of blowen, dat maakt niet uit. Ze zijn allebei een goeie opstap naar harddrugs.’

We lopen door de beeldentuin van Museum Kröller-Müller – ‘dat boeit me niet zo, ik kom hier voor Van Gogh’ – terwijl Marco vertelt hoe het met hem van kwaad tot erger ging. Mavo niet afgemaakt, gaan werken als hovenier. ‘Daardoor had ik geld om te stappen, en ging het helemaal mis. Snuiven, pilletjes, drank.’ En veel foute vrienden, die hij hielp met ‘plantjes knippen’. ‘Dan kreeg ik de amfetamine tegen inkoopprijs.’

Toen hij op een kwaaie dag ‘helemaal over de rooie’ met een groot en scherp keukenmes naar zijn vader zwaaide in plaats van naar het banaantje dat hij ermee wilde pellen, werd hij in de boeien geslagen en afgevoerd. ‘Niet dat mijn vader bang was. Maar hij had genoeg van mijn gedrag.’

Drie dagen vast, twee jaar proeftijd. ‘In de laatste paar maanden verknalde ik het wéér. Ik had geen werk meer, geen woning, ik zat zwaar aan de drank en de drugs. En toen moest de reclassering verslag uitbrengen.’

Hij heeft ermee gebroken, met dat leven. Rookt zelfs geen sigaretten meer, al is dat vooral omdat hij die niet meer kan betalen. Marco, dertig jaar oud, vier dagen per week werkzaam in de bouw, moet rondkomen van vijfendertig euro leefgeld en twintig euro zakgeld per week. ‘Ik heb nog een doorlopend kredietje dat afgelost moet worden.’ En in plaats van met foute vrienden gaat hij met Exodus-vrijwilliger Jill op stap, een goedgemutste zestigjarige die hem onder haar hoede heeft genomen.

Marco en Jill zijn aan elkaar gekoppeld via het ‘maatjesproject’ van Stichting Exodus Nederland, een organisatie die zich ontfermt over (ex-)gedetineerden (zie kader). ‘Waarom ik dit doe?’ zegt Jill, die vroeger lichamelijk gehandicapte jongeren verzorgde. ‘Ik heb me altijd bezig gehouden met mensen die aan de onderkant van de maatschappij zitten, die psychische problemen hebben. Dat boeit me, en dat gaat me goed af. Dit was nieuw voor me, ik wist niets van drugsgebruik of van mensen die hebben vastgezeten. Ik was er wel nieuwsgierig naar. Wat tref ik aan? Wat zijn dat voor mensen?’ Ze glimlacht. ‘Ze zijn eigenlijk heel gewoon. Net zoals jij en ik.’

Dertig miljoen bezuinigd

Exodus is vorig jaar uitgeroepen tot Maatschappelijk Ondernemer 2006 – de oorkonde ligt op een tafeltje in het kantoor van directeur Rien Timmer, naast de speciaal ontworpen Exodus-lamp. Exodus is daarmee een voorbeeld par excellence van een organisatie in het maatschappelijk middenveld dat het kabinet zo graag betrekt bij zijn beleid. De honderd dagen regeringsbreed luisteren naar de samenleving zijn zojuist afgesloten, en half juni horen we wat dat aan nieuwe plannen en initiatieven heeft opgeleverd.

Naar Exodus luistert de overheid al jarenlang. Als het resultaat daarvan maatgevend is voor wat we kunnen verwachten, dan ziet het er niet best uit. Exodus vult gaten die de overheid laat vallen, en die zijn de afgelopen jaren niet kleiner geworden. Integendeel. Zo heeft de bezuiniging van dertig miljoen op de reclassering twee jaar geleden zijn sporen achtergelaten. In één klap verdwenen alle vrijwilligers van de reclassering uit de bajes; daar was geen geld meer voor. Maar ze zijn nog wel gewoon nodig. Bovendien kwamen er in plaats van de vertrouwde reclasseringsambtenaar per 1 januari 2006 ruim honderdtachtig ‘medewerkers maatschappelijke dienstverlening’ (mmd’ers). Deze zouden ervoor moeten zorgen dat elke ex-gedetineerde bij het verlaten van de gevangenis identiteitspapieren heeft, huisvesting en een inkomen, en dat zijn (medische en of psychische) zorg is geregeld. ‘We maken nu een inhaalslag om alle gedetineerden in kaart te brengen en proberen in alle gemeenten coördinatiepunten op te zetten waar een gedetineerde na zijn ontslag uit de gevangenis terecht kan,’ zegt Justitie-woordvoerder Hans Janssens over de mmd’ers. Daar schiet een gedetineerde nu nog niet veel mee op. Bovendien, zegt Janssens, ‘gaan we ervan uit dat een gedetineerde zelf verantwoordelijk is en het initiatief neemt.’ Maar dat is voor de meeste gedetineerden, vaak zonder inkomen, woning of soms zelfs vaste verblijfplaats, net iets te veel gevraagd. Iemand anders moet hen dus te hulp komen.

Tenslotte zijn er, en dat is een jaarlijkse traditie, problemen met Justitie over de financiering van Exodus. Rechters en gevangenisdirecteuren kunnen middels een zogeheten ‘justitiële titel’ een verblijf in een Exodus-huis opleggen. Dat betekent dat gedetineerden het laatste stukje van hun straf daar mogen uitzitten, en dat ex-gedetineerden er naartoe kunnen om hun leven weer op poten te zetten. Maar wie betaalt dat? Justitie, zou je denken. Maar zo eenvoudig zit het niet.

Proeven van het gewone leven

Marco woont sinds december 2006 in een opvanghuis voor ex-gedetineerden. Het bevalt hem maar matig. ‘Veel hanengedrag, de een doet zich nog ruiger voor dan de ander. Voor sommige jongens is het weleens crisis aan het einde van de week, dan moet je geen eten in de koelkast laten liggen.’ Zijn keukenkastje moet hij tot zijn ergernis op slot doen, anders worden zijn spullen gejat.

‘Hopelijk heb ik in september een eigen woonruimte,’ zegt hij. Dan krijgt hij zijn bankpasje terug, en ontvangt hij zijn geld per maand in plaats van per week. Een andere baan zou ook welkom zijn. Liefst iets kunstzinnigs. ‘Ik heb een cursus airbrushing gedaan. Er is bijna niemand in Nederland die dat echt goed kan.’

Hij vertelt hoe hij op zijn werk starterswoningen uit de grond moet stampen. ‘Ik schaam we gewoon voor wat we daar afleveren. Van die prefab-dingen waarvan de voordeur niet eens open of dicht kan als je ze recht neerzet. Je ziet hoe de boel wordt geflest, terwijl je zelf juist probeert opnieuw te beginnen.’ Toch blijft hij positief. ‘Je wilt een beschaafd leven leiden, kinderen op de wereld zetten misschien,’ zegt hij verlegen. ‘Bovendien, ik krijg nu alle hulp die er is.’

Zijn trajectbegeleider regelt alle praktische zaken, Jill is er voor de ‘extra’ dingen. ‘Je probeert iemand weer te laten proeven van het gewone leven’, zegt ze. ‘Samen ergens naartoe, met elkaar praten. Laten zien dat er iemand is met wie je afspraken kunt maken, van wie je op aan kunt. Je hoopt dat je een beetje verschil kunt maken. In ieder mens zit iets goeds, maar je moet het wel willen zien en durven te zeggen tegen elkaar.’

Liever in de bak

Herman Vooijs, sectordirecteur ‘Vrijwilligers en Kerkzaken’ van SEN, stuurt samen met drie regioconsulenten en de landelijk coördinator van het project Ouders, Kinderen en Detentie (OKD) de ongeveer 1400 Exodus-vrijwilligers aan. Er zijn er duizend actief in de gevangenissen, driehonderd in het maatjesproject en bij de OKD, en zo’n honderd in de opvanghuizen.

Vooijs windt er geen doekjes om dat Exodus een interkerkelijke organisatie is. Maar: ‘We zijn geen evangelisatieproject en ook geen bezigheidstherapie voor mensen die zelf in de knoop zitten. We zoeken mensen die van mensen houden, die zich uit naastenliefde inzetten voor een ander. Ze mogen niet zeggen: ga jij vanavond maar eens op je knieën aan God denken. Dan duw je iemand het geloof door de strot, dat is niet de bedoeling. Maar vrijwilligers mogen hun levensovertuiging wel meenemen.’

Binnen de organisatie liggen het geloof en de kerkelijke binding gevoelig. De vrijwilligers van het OKD-project, dat onder de reclassering viel voordat het daar werd wegbezuinigd, stonden erop dat de originele naam gehandhaafd bleef. ‘Wij hadden het liever “Kinderen van Gedetineerde Ouders” of iets dergelijks genoemd, dan was het ons project geweest, maar een deel van de vrijwilligers wil niet geassocieerd worden met een kerkelijke organisatie. Daarom is de oude naam gebleven,’ zegt Vooijs.

Sommige vrijwilligersgroepen zijn ‘panisch’ (Vooijs) voor een landelijk verband, die hebben hun eigen stichtingsvorm. Volgens Vooijs is die angst niet nodig: ‘Het is het belangrijkste dat groepen lokaal en regionaal goed draaien. Landelijke dingen zijn alleen belangrijk als ze effectief zijn. Het is bijvoorbeeld handig dat alle huizen en groepen volgens dezelfde methodiek werken – volgens onze vier ‘sleutels’ wonen, werken, relaties en zingeving – zodat je weet wat je kunt verwachten als je naar een Exodus-huis gaat, of met een Exodus-vrijwilliger te maken hebt.’ De trainingen en deskundigheidsbevordering die de vrijwilligers krijgen, zijn daarom in grote lijnen overal hetzelfde.

De hulp die vrijwilligers geven, kan heel praktisch zijn, zoals het aanvragen van een ID of een uitkering, maar meestal gaat het erom goed naar iemand te luisteren, zegt Vooijs. ‘Want daar is geen tijd meer voor. De reclassering is de meeste tijd bezig met rapporten schrijven. Maar een heel klein deel van hun tijd helpen ze mensen, en dan alleen met zichtbare problemen als budgettering en verslaving. Die hulp is heel doelgericht, er moet snel resultaat geboekt worden. Als iemand niet meewerkt, is het een onwillig persoon, en dan kan het vaak over zijn. Waaróm iemand niet meewerkt, is een vraag die niet wordt gesteld. Daar is geen tijd voor. Terwijl dat vaak de sleutel is voor de oplossing van het probleem.’

Zo blijven sommige gedetineerden liever in de bak dan daarbuiten, omdat buiten de gevangenismuren te veel mensen rondlopen die nog een appeltje met ze te schillen hebben. Voor oplichters, bedriegers en helers is het vaak niet gemakkelijk om het verleden achter zich te laten. Timmer: ‘Ook de mmd’ers in de gevangenis weten niet of een gedetineerde graag eens tegen iemand zou willen aanpraten. Het zijn nu alleen de geestelijk verzorgers die die behoefte kunnen peilen. Maar zij hebben steeds meer werk. En de piw’ers (penitentiair inrichtingswerkers) lopen óók vast. Iedereen heeft het veel drukker gekregen.’

Je ziet daarom, zegt Vooijs, dat de laatste jaren de verzoeken om hulp teruglopen. Want die verzoeken worden niet meer opgepikt. ‘De nazorg is nu afhankelijk van individuele mensen, die is niet meer in de structuur ingebed. Idealiter zou het zo moeten zijn dat er onmiddellijk actie wordt ondernomen als iemand de gevangenis binnenkomt: wat gaan we doen als deze persoon er weer uit komt. Want de mensen moeten toch weer de maatschappij in. Maar in de praktijk gebeurt dat niet.’

Ben je er alwéér?

Cathy (39) en Ari (62) weten precies hoe het in de praktijk wél gaat. Ari, verontwaardigd: ‘Je wordt met een blauwe plastic zak op de keien gezet, en zoek het verder zelf maar uit.’ En dan is het drie keer raden wat er gebeurt. Tot ziens maar weer, zwaait de ex-gedetineerde. Hij gaat terug, naar zijn oude vrienden. Wat moet hij anders?

Cathy en Ari kennen elkaar uit de bajes. Cathy heeft er twintig jaar detentie als verslaafde veelpleger op zitten: ‘Steeds een paar maanden d’r in en d’r uit, de straffen waren altijd te kort om een traject op te starten. Ik kwam na elke straf weer in het criminele circuit terecht.’

Ari bracht jarenlang voor verschillende bedrijven werk naar allerlei gevangenissen. Omdat Cathy een vaste klant was en er maar vijf vrouwengevangenissen in Nederland zijn, kwamen ze elkaar nogal eens tegen. ‘De laatste keer was in Zwolle, twee jaar geleden. Toen heb ik gevraagd het contact te intensiveren’, zegt ze. Sinds vorig jaar, toen hij is gestopt met werken, is Ari vrijwilliger van Exodus en bezoekt hij Cathy regelmatig.

Cathy: ‘Ari is altijd heel geïnteresseerd. Hij vroeg: “Waarom kom je hier steeds weer terecht?” Mensen zoals ik zijn ontzettend gebaat bij de onbevooroordeelde kijk van Exodus. Het personeel zei hooguit: “Goh, ben je er alwéér?” En daarmee hield hun betrokkenheid op.’

Als het contact met de bajesmedewerkers stroef is, maakt de psycholoog daar een notitie van en volgt hun oordeel, zegt Cathy. ‘Dat geldt ook voor de persoonlijke rapportages die het personeel maakt. De gedetineerde heeft altijd ongelijk.’

Er is veel veranderd in de loop van de tijd, vindt Ari. ‘Dat Spoor-gevoel krijg je nergens meer, Cathy.’ De voormalige vrouwengevangenis in Utrecht waar hij op doelt, biedt nu onderdak aan het Pieter Baan Centrum. ‘Dat was kleinschalig, daar was het personeel echt betrokken bij de gedetineerden. Dat zie je nu niet meer.’

Ook de reclassering staat inmiddels op grotere afstand van de gedetineerden. ‘Die voelt voor mij als een politieagent van justitie omdat ze over gedetineerden rapporteren,’ zegt Cathy. En aan de mmd’ers heb je ook niet veel, zegt ook zij, en ze spreekt uit ervaring. ‘Dat zijn meestal onervaren meisjes van tweeëntwintig, drieëntwintig jaar. Die staan tegenover doorgewinterde gebruikers van veertig. Zulke meisjes neem je niet serieus, die hebben geen gezag. Ze werken alleen vanachter hun bureau. De theorie kennen ze, maar ze hebben geen idee van de praktijk.’

Ook de mmd’ers schrijven hun rapporten. Aan meningen over gedetineerden is in elk geval geen gebrek.

Ari fulmineert: ‘Veel mmd’ers zijn op die plek terecht gekomen omdat ze elders zijn wegbezuinigd. En wat doen ze? Tot op heden heb ik er niets van gemerkt. Ze zouden moeten regelen dat er een plek is voor gedetineerden als die uit de gevangenis komen. Maar dat gebeurt helemaal niet. De politiek zegt: we hebben het netjes geregeld. Er zit toch iemand? Dan is het probleem opgelost. Wat die verder uitvoert, daar kijken ze niet naar.’

Geweigerd door Verdonk

De politiek, tja. Directeur van SEN, Rien Timmer, kent de politiek vooral als een verzameling loketten waar een ‘nee’-bordje voor hangt. ‘Waar hoort een ex-gedetineerde thuis? Bij Justitie? Nee, want het is een ex-gedetineerde. Bij Sociale Zaken? Alleen als het erom gaat weer werk te vinden. VWS dan? Nee, zeggen ze daar, u moet bij de gemeenten zijn. Maar in de nieuwe Wet Maatschappelijke Ondersteuning komt het woord ex-gedetineerde niet voor. Bovendien zijn ex-gedetineerden vaak juist niet meer gebonden aan een gemeente, en kun je van kleine gemeenten ook niet verwachten dat ze beleid gaan maken op een of twee ex-gedetineerden.

Binnenlandse Zaken dan, waar het Grote Stedenbeleid onder valt? Alleen als het gaat om veiligheid en preventie. VROM doet huisvesting, meer niet. Ex-gedetineerde Nederlanders die terugkomen uit een buitenlandse gevangenis kunnen helemaal nergens terecht, ook niet bij Buitenlandse Zaken. De afdeling buitenland van de reclassering doet alleen iets voor je als je nog in het buitenland zit, dat is voorbij als je terug bent. Kortom: het is net zo erg als bij jeugdzorg, die valt ook onder zeven ministeries.’

Elk jaar is het weer een gedoe om de financiering van de huizen rond te krijgen, zegt Timmer. ‘We staan bij iedereen op de begroting, en dus bij niemand. Vorig jaar zaten we in de portefeuille van Verdonk, die weigerde ons een miljoen uit te keren omdat ex-gedetineerden in haar optiek niet bij Justitie thuishoren. Uiteindelijk is in de ministerraad besloten dat we het wél kregen.’ Het geld voor 2006 kwam zodoende pas in 2007.

Hij legt uit wat het probleem is. Er zijn twee soorten zogeheten justitiële titels waarvoor Justitie wil betalen. Een: iemand is al gedetineerd, maar de gevangenisdirecteur besluit dat hij een deel van zijn straf elders, in een Exodus-huis, mag doorbrengen. Twee: de rechter bepaalt dat iemand in plaats van, of in combinatie met zijn straf naar een Exodus-huis gaat.

Met name de eerste categorie, de ‘penitentiaire programma’s’, beslaat altijd een bepaald percentage van de opgelegde straf, en daar zit het probleem. Timmer: ‘De mmd’ers, die hard werken maar een te zware case load hebben, gaan vaak pas in een heel laat stadium met iemand rond de tafel zitten. Zo laat, dat de tijd die bedoeld was voor het penitentiair programma (pp) buiten de gevangenis, al voor het grootste deel binnen de gevangenis is verstreken.

Iemand heeft bijvoorbeeld een straf van twee jaar, waarvan tien maanden pp, maar daarvan zijn er al negen om. Dan blijft er dus maar één maand over. Maar dat is veel te kort voor zo’n programma, dat acht tot twaalf maanden duurt. Dat betekent dat iemand langer dan die ene maand bij ons zit. Wie betaalt dat?’ Exodus probeert dat gat te dichten met geld van gemeenten, fondsen en particuliere bijdragen. Dat is bidden en hopen, en schrapen en harken.

Voormalig Justitie-minister Donner had er wel een oplossing voor, zegt Timmer. ‘Hij wilde het aantal justitiële titels uitbreiden – er zijn er nu elf – en dan gaan stapelen. Zodat iemand bijvoorbeeld eerst drie maanden in een Exodus-huis zou zitten op basis van artikel 43.3 van de penitentiaire beginselenwet, en daarna zes maanden vanwege het penitentiaire programma. Hoe meer titels je bedenkt, hoe meer je kunt stapelen, hoe makkelijker je bij Exodus binnenkomt.’

Hij glimlacht. ‘Zo zou de bureaucratische rompslomp nóg meer toenemen. Albayrak heeft daar gelukkig een streep door gezet. Zij zegt: “We financieren het gewoon af.” Maar dan is het volgende probleem natuurlijk: hoe lang mag de opvang duren? Justitie zal drie maanden al gauw voldoende vinden, anders gaat het ze te veel geld kosten.’

De Leidse hoogleraar penologie Martin Moerings heeft een onderzoek gedaan waaruit blijkt dat die acht tot twaalf maanden echt nodig zijn. Timmer: ‘Een gedragsverandering breng je niet zo maar tot stand. Maar als het je lukt, scheelt het de maatschappij veel recidive en dus ook heel veel geld.’

Moerings onderzoek wijst uit dat van de ex-gedetineerden die het Exodus-programma succesvol doorliepen, 18 procent recidiveerde. Van alle Exodus-bewoners samen recidiveerde 43 procent. Dat is nog altijd veel minder dan de ‘normale’ recidive, die op 70 procent ligt. De combinatie van praktische hulp en zelfreflectie – ‘hoe kwam ik hier terecht en hoe ga ik verder?’ – zou verantwoordelijk zijn voor het succes.

Een onderzoek naar de Stichting Exodus Amsterdam van de Novius Adviesgroep bevestigt Moerings bevindingen. Volgens dit rapport bespaart Exodus Amsterdam de samenleving jaarlijks meer dan een miljoen euro omdat de recidive laag is, en omdat verblijf in een Exodus-huis goedkoper is dan in een gevangenis.

Is dit reden genoeg om aan te dringen op royalere financiering vanuit Justitie, Timmer zou niet naar een situatie toe willen waarin de overheid álles betaalt. ‘Dan worden we een verlengstuk van Justitie, en dat willen we per se niet. Want dan gebeurt met ons hetzelfde als de reclassering is overkomen, en dat zou de doodsteek voor onze organisatie betekenen.

Bovendien: resocialiseren kun je niet van bovenaf regelen. De samenleving komt via Exodus naar je toe. Daarom zijn al die vrijwilligers ook nodig. Die zijn er alleen maar omdat ze zich iets van een ander aantrekken. Die maken geen rapporten, die komen voor jou als mens.’

Drie onderbroeken

Vrijwilliger Peter komt elke woensdag in het Utrechtse Exodus-huis koken voor de bewoners die zich daarvoor hebben ingetekend. Hij is een van de twaalf vrijwilligers die zich, gemiddeld, een dagdeel per twee weken voor de bewoners inzettten. De voormalige studie-adviseur volgde een koksopleiding en probeert nu voor drie euro per persoon – ‘dat is mijn budget en ik mag er echt niet overheen’ – wekelijks een smakelijke warme maaltijd op tafel te zetten. ‘Hoe minder mensen mee-eten, hoe lastiger dat is,’ zegt hij, terwijl hij drie zakken uien op het aanrecht legt en zijn schort rechttrekt.

Door het keukenraam kijkt hij uit op de binnenplaats, die dienst doet als rookplek. Eromheen liggen de kamers van de drie panden die samen het Exodus-huis vormen. In elke kamer staan een bed, twee kleine kastjes en een boekenkast, een tafeltje en twee eetkamerstoelen. Bewoner Jozef heeft er niets van zichzelf bij gezet. Waarschijnlijk had hij dat ook niet.

Er komen soms mensen binnen wier hele bezit in een klein plastic tasje past, vertelt gastvrouw Carla. Dieptepunt was een jongen die een gescheurde broek droeg waaronder zijn blote billen zichtbaar waren. ‘Hij had maar drie onderbroeken.’

Op de muur naast zijn bed heeft Jozef een ansichtkaart geprikt van een oude molen in groen gras. ‘Lente: nieuwe kansen!’ staat er met grote letters op het gras geschreven.

Plassen in een buisje

In een klein kamertje verderop houdt Marc Groenendijk kantoor, de manager van het Utrechtse Exodus-huis. ‘Ons uitgangspunt is: we veroordelen jou niet als persoon, en we zijn allemaal potentiële daders. Je kunt in tien seconden je leven veranderen wanneer je iemand met zijn hoofd op de stoeprand slaat. Het is zó snel gebeurd.’

Groenendijk – spijkerbroek, loshangend overhemd, twee oorbelletjes in zijn linkeroor – is opgegroeid in de protestantse traditie. ‘Ik ben een gelovig mens, maar wij hebben niet de waarheid in pacht. Integendeel. We proberen juist bescheiden te zijn. Er is ook geen reden om jezelf op te blazen. Je ziet hier elke dag hoe makkelijk het mis kan gaan. Omkijken naar je naaste is betekenisvol, dat heb ik als een opdracht meegekregen. Dat betekent dat we hier werken met een bezielde professionaliteit. Het werk mag je wat kosten, en het levert je ook wat op.’

Groenendijk en zijn team hanteren twee motto’s: ‘We doen alles mét je, niet vóór je’ en ‘we zeggen wat we denken’. De eisen aan toekomstige bewoners zijn streng. Het Exodus-huis is geen vluchtweg uit de gevangenis, maar vraagt juist iets extra’s van zijn bewoners.

‘Mensen die hier willen komen, moeten hun levensverhaal opschrijven. Daaraan kunnen we zien of je in staat bent na te denken over je eigen leven en over de verantwoordelijkheid die je daarvoor draagt. Wij spreken mensen niet alleen aan op hoe ze nu zijn, maar ook op hoe ze kunnen en willen worden. Daar moet die brief aanknopingspunten voor bieden.

Is dat zo, dan volgt een stevig gesprek van anderhalf uur met twee mensen van hier. Over je delict, over seksualiteit, alles. Heel confronterend. Als je ons geen antwoorden geeft, heb je iets te verbergen. Dan pas je niet in ons programma. Toekomstige bewoners moeten ook in een buisje plassen waar wij bij staan te kijken. Nee, dat is niet prettig. Maar dat moet wél. Tijdens het verblijf vinden voortdurend urinecontroles plaats. We willen geen gebruikers in huis.’

Elke bewoner krijgt een mentor toegewezen en heeft een sleutel van zijn eigen kamer, maar niet van de voordeur. De eerste twee weken mag hij niet alleen naar buiten, later wel. ‘Binnen twee à drie weken moet iemand een dagbesteding hebben, en dan bedoelen we niet sporten of figuurzagen. Dat kan werk zijn, betaald of als vrijwilliger, een opleiding of therapie; sommige mensen volgen een dagbehandeling. We hebben iemand in dienst die inventariseert welke werk bewoners zouden kunnen en willen doen, en er zijn allerlei werkervaringsprojecten waar mensen naartoe kunnen. Er is bijvoorbeeld een project waarbij ze drie maanden gratis aan de slag gaan. Als dat goed gaat, krijgen ze een halfjaarscontract.’

De hulpverleners in huis helpen met praktische dingen – koken, de administratie doen – en voeren gesprekken die iemand stimuleren over zijn verleden en toekomst na te denken. Groenendijk: ‘Waar kom ik vandaan, wat drijft mij, waarom ben ik vanochtend opgestaan?’ Juist die vragen zijn cruciaal als je je leven weer opnieuw op poten moet zetten, vindt hij. ‘Als je een goede woning hebt en een normale baan, maar je hebt niet over jezelf nagedacht, dan gaat het mis.’

Zingeving is verdacht

Ook Groenendijk worstelt met de financiering van ‘zijn’ huis. ‘Justitie betaalt voor alle justitiële titels, maar als iemand eerder weggaat dan begroot, dan derven wij die inkomsten en moeten we zelf die plek zien op te vullen. Vroeger kregen welzijnsinstellingen, waaronder Exodus Utrecht, gewoon een budget. Nu wordt er per dag afgerekend. Andersom zeg je ook niet tegen iemand die halverwege zijn programma vrij komt: nu opzouten. Dus de rest moeten we zelf betalen. Gelukkig is de gemeente Utrecht vooralsnog bereid geld op tafel te leggen, maar het is al jarenlang een ontzettend gezeur.’

Daar komt bij dat alle justitiële titels ook een jaarlijks maximum hebben, zegt hij. ‘Maar de rechter legt die titels op, en die voelt zich, onafhankelijk als hij is, niet aan dat maximum gebonden. Zo kan het gebeuren dat we iemand niet kunnen opnemen ook al is het verblijf door de rechter opgelegd, en dat we een wachtlijst hebben terwijl er bedden leeg staan.’

Er zit nog een nieuw probleem aan te komen. Groenendijk: ‘De inkomsten kloppen niet met de kostprijs, die ligt ongeveer twintig procent hoger. Anders gezegd: een nacht hier kost meer geld dan Justitie er nu voor betaalt. Als Justitie straks het totaalbedrag niet verhoogt, betekent dat dat het geld eerder op is, en dat de periode dat we hulp kunnen bieden nog korter wordt.’

Tegelijk wordt die hulp urgenter omdat de reclassering in de gevangenis geen programma’s meer biedt. SEN-directeur Rien Timmer: ‘Voor zover de reclassering nog cursussen geeft, is dat heel beknopt. Tien keer twee uur sociale vaardigheden. Maar die moeten wel ingebed zijn in een omgeving. Je moet “heel de mens” oppakken.’

Vaardigheden oefenen zonder dat je weet wie je bent, waar je vandaan komt en waar je naartoe wilt met je leven, is weinig zinvol, vindt Timmer. ‘Maar die vragen worden niet meer gesteld. Alles wat naar zingeving ruikt, is verdacht geworden. De hulpverlening moest strikt neutraal worden, en alles moest zakelijker. Zo is een afrekencultuur ontstaan waarin veiligheid, strengere straffen en genoegdoening belangrijker zijn geworden dan bezinning en iemand voorbereiden op zijn rentree in de maatschappij.’

Begrijpelijk is dat wel, zegt hij. In de jaren zeventig gold een zielige jeugd al te gemakkelijk als een excuus voor crimineel gedrag. ‘Pappen en nathouden, en emmeren over iemands verleden, zo ging het toen. De reclassering wilde vooral goed doen, en had weinig oog voor de maatschappelijke baten van haar werk. Nu zien we het tegenovergestelde gebeuren, en is er geen aandacht meer voor de kernwaarden in je leven. Terwijl die juist zo belangrijk zijn als je op een kruispunt staat; en dat stá je als je de gevangenis verlaat.’

De groei van personal trainers en loopbaancoaches laat volgens Timmer zien dat de behoefte aan ‘een soort pastorale gesprekken’ weer groeit. ‘Die vinden nu in een geseculariseerde biechtstoel plaats.’ Ook in de politiek en bij hulpverleners ziet Timmer dat er weer ruimte komt voor zingeving. ‘Dat is waardevol, maar ook best lastig. Want in gesprekken daarover moet je ook iets van jezelf laten zien. Zowel onze vrijwilligers als onze professionals helpen niet alleen met hun hoofd, maar ook met hun hart.’

En als het hart spreekt, wil dat nog weleens tot gedachten leiden die je bij een kerkelijke organisatie als Exodus niet zo gauw zou verwachten. Op zijn kantoor in Leiden, waar een sober houten kruis op een feloranje muur hangt, verklapt Rien Timmer: ‘Soms is een kandidaat zó geschikt om bij ons geplaatst te worden, dat je je tong moet afbijten om niet te zeggen: pleeg nog een delict, en regel met je advocaat dat je hier kunt komen.’ Want voor mensen die zich vrijwillig melden voor opvang in een Exodus-huis, de meest gemotiveerden onder de ex-gedetineerden, heeft Justitie geen geld. Is dat niet een béétje de omgekeerde wereld?

Stichting Exodus Nederland

SEN, meestal aangeduid als Exodus, helpt (ex-)gedetineerden door gevangenen te bezoeken, door professionele opvang in een van de Exodus-huizen en door het ‘maatjesproject’, waarbij een ex-gedetineerde aan een vrijwilliger wordt gekoppeld die hem praktische en emotionele steun geeft. Ook zorgen vrijwilligers ervoor dat gedetineerde ouders, lees: vaders, met enige regelmaat hun kinderen op bezoek krijgen (het Ouders Kinderen en Detentie-project).

Bij Exodus werken 170 betaalde krachten, meest parttime, en zijn zo’n 1400 vrijwilligers actief. De organisatie is in 1981 ontstaan als een lokaal initiatief van de Haagse kerken en het justitiepastoraat. Exodus bestaat inmiddels uit een landelijk bureau, een vrijwilligersnetwerk en tien opvanghuizen. Jaarlijks komen er ongeveer 350 (ex-)gedetineerden in de Exodus-huizen terecht, krap 1% van alle mensen die de gevangenis verlaat.

De professionals die bij Exodus werken, hoeven niet gelovig te zijn, maar moeten zich wel geïnspireerd voelen door christelijke waarden als naastenliefde en barmhartigheid. Vrijwilligers worden in eerste instantie via de kerken geworven. Mensen die willen evangeliseren, zijn niet welkom.

Prijzenfestival

Exodus werd vorig jaar uitgeroepen tot Maatschappelijk Ondernemer 2006. Het juryrapport roemt de ‘innovatieve organisatie’ die ‘belangrijk werk verzet’ en ‘ondernemend’ is, en ‘maatschappelijke winst’ oplevert: ‘reductie van overlast en criminaliteit, minder uitkeringen en lagere kosten van politie en justitie’.

Vorige maand kreeg Exodus uit handen van prins Willem-Alexander een van de drie Appeltjes van Oranje uitgereikt voor zijn ‘maatjesproject’. Het Appeltje, de jaarlijkse prijs van het Oranje Fonds, is bestemd voor ‘initiatieven op het terrein van maatschappelijk welzijn en sociale cohesie’, zoals het officieel heet, en had dit jaar als thema Beste Maatjes.

De prins onderstreepte in zijn speech het belang van het ‘gewone contact van mens tot mens’: ‘Hoe waardevol en hoe nodig instanties ook zijn, ze halen je niet uit de put en je kunt niet met ze lachen.’ Hij prees de ‘positieve kracht’ van de maatjes: ‘Dat heeft veel meer effect dan correctie en straf’, en noemde het werk van Exodus’ heel erg nodig en zinvol’.

Het Ouders Kinderen Detentie-project van Exodus is genomineerd voor de Nationale Kinderkroon 2007, een prijs van de Stichting Kinderpostzegels.

De ex-gedetineerden en de Exodus-vrijwilligers zijn in verband met hun privacy alleen met hun voornaam aangeduid.

www.stichtingexodus.nl

www.oranjefonds.nl