04-10-2008
Door Michiel Hulshof

Voor het terras van het Amster­damse café Kobalt rijden drie mannen langs in een bestelbus met open raampjes. Ze zingen de oude kaskraker van Bloem (‘Even aan mijn móéder vragen!’), hard en vals. Vanaf de overkant van het tafeltje kijkt David Verbeek me schamper aan. Hij zegt niets. We denken hetzelfde: Amsterdam is heel anders dan Shanghai. Een groot dorp.

Twee jaar lang woonde filmregisseur David Verbeek (1980) in mijn huidige woonplaats Shanghai. Daar maakte hij de film Shanghai Trance, met een grotendeels Chinese cast en crew. De film volgt drie jonge koppels met een moeizaam liefdesleven tegen de achtergrond van een van de meest explosief groeiende steden ter wereld. De film komt ook in China uit, een prestatie van formaat in een land waar jaarlijks niet meer dan een handvol buitenlandse producties het witte doek halen.
Toen Verbeek in 2004 voor het eerst naar Shanghai kwam om een korte film op te nemen voor VPRO’s Lolamoviola-reeks, wist hij meteen dat hij er wilde wonen. ‘In de bus van het vliegveld naar de stad zag ik twintig kilometer lang alleen maar flats,’ zegt hij. ‘Het maakte een verpletterende indruk.’

De jonge regisseur: ‘Ik hou van enorme steden waarin ik kan verdrinken, mezelf kan verliezen. Shanghai maakt je rusteloos. Veel mensen vinden zoiets vreselijk. Maar ik opereer graag op een hoog adrenalineniveau. Ik voel juist geborgenheid in zo’n menselijk mierennest.’

Hij neemt een slok van zijn cappuccino en vraagt me dan ineens waar in Shanghai ik eigenlijk woon. Ik: ‘Zhao Jia Bang, die grote straat ten zuiden van…’ ‘Jaja, ik weet het,’ onderbreekt hij. ‘Daar reed ik vaak na middernacht overheen. Plankgas op de scooter naar mijn vriendin. De wind langs je hoofd, al die lichten vanaf die hoge gebouwen. Dan heb je het gevoel in een wereldstad te zijn. Ik ben nu bijna een jaar terug in Nederland en ik mis dat.’

Verbeek draagt een spijkerbroek, een T-shirt en sneakers. Ik schat hem minstens één meter negentig. Hij moet in China een opvallende verschijning zijn. Ik kijk dan ook op als hij zegt dat hij ook een zekere verwantschap voelt met de Chinezen in Shanghai. Hij vertelt dat zijn vader diplomaat is. Dat hij daarom niet alleen in Nederland heeft gewoond, maar ook in Oostenrijk, Nigeria en de Verenigde Staten. Dat hij een paar keer ‘alles en iedereen’ opnieuw moest leren kennen. En daarin zit volgens hem de overeenkomst.

‘Bij wijze van grap zei ik tegen vrienden in Shanghai: “Ik ben telkens ergens anders gaan wonen, terwijl jullie steeds op dezelfde plek zijn gebleven. Maar allebei hebben we de wereld om ons heen radicaal zien veranderen.”’

Daarmee zijn we aangekomen bij het onderwerp van zijn film. ‘Ik vertel graag over de tijdgeest. Mijn films gaan over de vervreemding die nieuwe ontwikkelingen met zich meebrengen. Over de zoektocht van mensen naar hun identiteit in een veranderende wereld. In Shanghai zie je die vervreemding overal. Ik dacht: ik hoef er alleen maar een camera op te richten.’

Oppervlakkig laagje
De film portretteert twintigers in liefdesrelaties die allemaal lijken te bezwijken onder de permanente druk van een doorgedraaide miljoenenstad. Zo woont de jonge Xu Yu met zijn familie in een oude Shanghainese volksbuurt. Hij besteedt zijn tijd aan online gaming en heeft een relatie met Apple, een jonge vrouw uit diezelfde wijk. Hun relatie verwatert als haar gezin plotseling veel geld verdient en verhuist naar een chique compound.

Dit verhaal hoorde Verbeek van een Chinees gezin waar hij in 2005 een tijdje bij in huis woonde. ‘Ik had in Amsterdam een Chinese jongen ontmoet. Ik vertelde hem dat ik naar Shanghai zou gaan. Hij zei: kom dan een tijdje bij mijn familie wonen. Eerst voelde ik me een beetje opgelaten, maar zijn ouders bleken het hartstikke leuk te vinden, al spraken ze geen woord Engels. Het waren boeren, wier huizen waren gesloopt en die nu in een appartement woonden. De vader werkte in de fabriek, de moeder had een kleine kledingboetiek.’

Het gastgezin speelt in de film het gezin van Xu Yu. ‘Ze waren nog nooit op een filmset
geweest, maar vooral die moeder bleek een natuurtalent als actrice.’

Verbeek werkte zowel met acteurs als niet-acteurs. De casting van die eerste groep bleek in China ‘een potje’ te zijn. ‘Dan had je allemaal voorwaarden gesteld en dan kwam zo’n casting director met alleen maar heel mooie jongens en meisjes die totaal niet konden acteren. Ik heb meer dan duizend mensen gezien.’ Hij zucht. ‘De selectie kostte me een half jaar.’

We bestellen nog eens. Dan zegt hij dat hij eigenlijk een ‘hele positieve film’ over jongeren in China had willen maken. Over de mooie verwachtingen die ze hebben van de toekomst. Over hun optimisme. Toch werd Shanghai Trance een donkere film. Dat komt, zegt hij, omdat hij heeft ingezien dat die toekomstgerichtheid alleen een oppervlakkig laagje was. ‘Daaronder liggen de negatieve kanten. Shanghai is een rusteloze stad waarin geen ruimte is voor duurzaam geluk. De snelheid waarmee sociale verhoudingen veranderen, heeft allerlei nare gevolgen. Alles groeit er zo hard dat je spierpijn krijgt. Over die spierpijn gaat mijn film.’

Armin van Buuren
Een belangrijke rol in de film speelt de Shangainese club-scene. ‘In Nederland kon ik clubs niet echt waarderen. Altijd van die kliekjes mensen die bij elkaar hangen. Amsterdam pretendeert een open stad te zijn, maar wanneer kom je in het uitgaansleven nou eens nieuwe mensen tegen? Dat gebeurt zelden. In Shanghai altijd.’

Dan: ‘Ben je wel eens in de DKD geweest?’ Ik schud beschaamd van nee. ‘Hoe lang woon je al in Shanghai?’ Een jaar, stamel ik. ‘O, dan was hij al weer opgeheven,’ zegt hij begripvol. ‘DKD stond voor Decadence Kills Depression. In 2005 was dat de enige club waar goede progressive gedraaid werd. Armin van Buuren kwam er wel eens draaien. Het publiek was een mix tussen Chinezen en een paar buitenlanders. Heel anders dan al die bekende tenten waar je tussen allemaal halfbakken Franse sukkels staat die op zoek zijn naar een Chinese hoer. Maar goed, in de DKD kwam ik vaak en ik begon me af te vragen hoe het leven van de mensen die er werken eruitzag. Ik begon te fantaseren over de dj, Calvin Z, een heel kalme jongen. Wat als hij een vriendin zou hebben die ook in de club werkt? Wat voor absurd leven zouden ze dan hebben?’ En zo belandden zowel dj Calvin als zijn mogelijke liefdesleven in de film.

In een van de pijnlijkste scènes van Shang­hai Trance zit architect Jochum, de enige Neder­lander (gespeeld door Tygo Gernandt), aan de bar in de club, terwijl zijn Chinese geliefde aan een tafel verderop dronken wordt met een groep oude Chinese zakenmannen die haar openlijk mogen betasten. ‘Die scène is een letterlijke copy-paste uit de werkelijkheid. Ik dacht, o, zo gaat dat dus hier.’

Even later: ‘Relaties in China zijn vreemd. De manier waarop je wordt behandeld! Dan denk je dat je iets bijzonders hebt met iemand, dat het goed gaat. Verdwijnt ze ineens, zomaar, zonder aankondiging. Dat is heel gebruikelijk. Ze koopt een nieuwe simkaart en je hoort nooit iets van haar. Chinese vrouwen spelen jealousy games, ze zorgen dat een jongen gek op ze blijft door hem echt gek te maken. Eigenlijk heel vreselijk allemaal.’

Hij wijdt even uit over de korte film die hij later dit jaar gaat opnemen in Tokio over een al even absurd Japans liefdesfenomeen: de host boys, een soort gigolo’s die het hebben geschopt tot beroemde sterren. Ze hangen overal in de stad op enorme posters en verschijnen in de populairste televisieprogramma’s. Vrouwen betalen grof geld om met ze uit te gaan. ‘Die vrouwen belanden soms zelf in de prostitutie om geld te verdienen om hun host boy te betalen. Het is een vicieuze cirkel van nepliefde. Waarom bestaat het? Zijn Japanse vrouwen zo desperaat om aandacht dat ze betalen voor een soort role playing game? Ik vind het een fascinerend fenomeen.’

Als film staat Shanghai Trance meer in de Aziatische traditie dan de Europese, met prachtige lange shots, weinig gesproken tekst en een verhaal dat eerder een toestand weergeeft dan dat het zich ontwikkelt. ‘Chinezen die de film hebben gezien,’ zegt Verbeek tevreden, ‘konden zich niet voorstellen dat Shanghai Trance door een buitenlandse filmmaker was gemaakt. Dat beschouw ik als een enorm compliment. Al verwacht het Nederlands publiek misschien een minder Chinese film.’

Om een film in China uit te brengen, moest Verbeek nog wel even langs de Chinese censor. ‘Ik kreeg twee A4’tjes opgestuurd met suggesties. Misschien kan je die scène schrappen, en die, en die.’ Hij wijst met zijn wijsvinger op een denkbeeldig papier. ‘Ze bedoelden gewoon: het moet eruit! In de Chinese versie zijn daardoor een paar van de mooiste scènes vervallen. Vaak seksueel getinte opnamen, of beelden van het arme Shanghai. Zoiets doet pijn, ja.’

Waarom ben je eigenlijk teruggekomen naar Nederland? vraag ik hem tenslotte. ‘Ach,’ zegt hij. ‘Ik blijf Nederlander. Hier woont mijn familie, hier zitten mijn vrienden. Als je langer wegblijft, kom je misschien nooit meer terug. En Nederland is een goed filmland. De mate van culturele ontwikkeling is hier groter dan in China. Kijk alleen al naar de televisie. Niet dat ik een grote fan ben van de Nederlandse televisie, maar in China is het belabberd.’

Even stil. Dan: ‘Ik mis in China ook het goede gesprek. Je hebt dat slechts bij hoge uitzondering en dan vrijwel alleen met Chinezen die een tijdje in het buitenland hebben gewoond. Het is gek. Wij vinden dat er in China geen vrijheid is. Maar de meeste Chinezen zijn daar nauwelijks mee bezig.’

Op 2 oktober gaat ‘Shanghai Trance’ in première.

Trailer Shanghai Trance