Het kantoor van Social Enterprise NL zit op de derde verdieping aan de Amsterdamse Herengracht. Binnen zijn de gangen van marmer, de plafonds hoog en liggen er rode lopers op de trappen. ‘We zaten hier eerst antikraak, pas de laatste tijd betalen we huur. Onze huisbaas staat achter onze missie: wij zijn z’n sociale geweten,’ verklaart Willemijn Verloop (44) de chique locatie.
Naast een grote kamer met bureaus waar zes collega’s werken is een kleinere vergaderkamer. Daar krabbelt haar veertienjarige bijna-blinde hond Chilli al snel na het begin van het interview aan de deur. Hij nestelt zich op de bank voor het raam en valt in slaap.
Als oprichter en directeur van War Child was Verloop vijftien jaar bezig met het verwezenlijken van haar idealen. Dat doet ze ook weer in haar huidige werk voor Social Enterprise NL, het platform voor sociale ondernemers dat ze in 2012 mede oprichtte. Deze ondernemers richten zich op duurzaamheid, het verbeteren van de internationale keten of het vergroten van de arbeidsparticipatie van mensen met een achterstand op de arbeidsmarkt, op nieuwe zorgconcepten, of het versterken van de sociale cohesie in buurten. ‘Winst is daarbij een middel om gezond te blijven en op te schalen, geen doel op zich.’ Ruim 300 ondernemingen zijn inmiddels aangesloten. Starters werden de eerste jaren nog uitgesloten, vooral omdat 70 procent na drie jaar alweer stopt. Bij reguliere starters is dat 60 procent. Dat dit percentage onder sociale ondernemers hoger is, komt volgens Verloop doordat het combineren van een maatschappelijke missie met een gezond businessmodel complex is, en doordat deze ondernemers vaak een product of dienst leveren waarvoor op dat moment nog geen markt is. Sinds begin dit jaar biedt Social Enterprise NL een boost-programma, speciaal voor starters.
‘Als ik van tevoren alle beren op de weg zou zien, was ik nooit aan iets begonnen. Als anderen me op die beren wijzen, denk ik meestal dat ze vast wel gaan meedansen’
Het aantal sociale ondernemingen in Nederland neemt langzaam maar zeker toe. Volgens een ruwe schatting zijn het er nu tussen de drie- en vierduizend. Social Enterprise NL biedt hun praktische adviezen en houdt zich bezig met lobbyen bij de overheid en onderwijs-, onderzoeks- en financiële instellingen. Met succes, want sociaal ondernemen krijgt op diverse terreinen steeds meer voet aan de grond.
Zo hebben de universiteiten in Utrecht, Amsterdam, Rotterdam en Tilburg recent minors en keuzevakken sociaal ondernemen ontwikkeld. Ook groeit de interesse in het onderwerp bij banken en financiers. Begin dit jaar heeft Verloop met mensen uit de private equitywereld het investeringsfonds Social Impact Ventures opgericht om meer privaat investeringskapitaal voor sociale ondernemers op de markt te brengen. Ook ABN Amro investeert in verschillende sociale ondernemingen en neemt deel aan de eind 2013 gestarte eerste Social Impact Bond van Nederland in Rotterdam.
Daarnaast komt er meer samenwerking met het reguliere bedrijfsleven en neemt dat ook steeds meer elementen van sociale ondernemers over. Alleen maar mooi, vindt Verloop. ‘Ondernemingen als Specialisterren en AutiTalent laten zien dat mensen met autisme enorm getalenteerde softwaretesters zijn. Hun modellen kunnen enorm opgeschaald worden als grote bedrijven hun IT-afdeling ook bemannen met deze groep.’
‘Door de financiële crisis beseffen steeds meer mensen dat puur aandeelhoudergedreven ondernemen een ‘dead end’ is en dat we de economie anders moeten inrichten’
War Child was een succes. Waarom stapte u in 2012 over naar Social Enterprise NL?
‘Eigenlijk vind ik dat je als oprichter ergens na tien jaar uit moet, voordat je een remmende kracht wordt: zo iemand die alles al honderd keer heeft gedaan. Ik ben bijna vijftien jaar gebleven, tot ik het durfde over te dragen aan iemand in wie ik het volste vertrouwen had.
Mijn overstap had er ook mee te maken dat ik tijd met mijn gezin wilde doorbrengen en niet alleen maar op reis wilde zijn.’
Speelde ook mee dat u getrouwd bent met een sociale ondernemer?
‘Dat speelde zeker een rol. Mijn man besloot vijf jaar geleden om met een vriend een eerlijk merk te gaan bouwen voor bedden- en badgoed: met ecomaterialen, zonder vervuiling en chemicaliën en met een eerlijke prijs voor boeren en corporaties. Ik hoor dagelijks aan het ontbijt waar hij tegenaan loopt. Zo is het voor startende ondernemers moeilijk dat je veel kapitaal nodig hebt om boeren te kunnen betalen en voorraden aan te leggen.’
Hoe stond het ervoor met sociaal ondernemen toen jullie met Social Enterprise NL begonnen?
‘Je had wel zichtbare koplopers zoals Tony’s Chocolonely en Triodos Bank, maar erkenning voor het veld als zodanig bestond hier niet. Mensen zeiden: waar begin je aan? Dat is al wel eens geprobeerd en werkt niet in Nederland. Ik denk dan: dat kan wél. Ik houd van uphill battles, ruimte zoeken voor iets dat nog niet breed geaccepteerd is.
Ik ben heel optimistisch en misschien ook naïef, maar als ik van tevoren alle beren op de weg zou zien, was ik nooit aan War Child of Social Enterprise NL begonnen. En wanneer anderen me op die beren wijzen, denk ik meestal dat ze vast wel gaan meedansen.’

U was bij War Child internationaal georiënteerd. Is Nederland dan niet opeens klein?
‘Ja, heel klein. Ik heb Nederland altijd als luilekkerlandje gezien. En als je naar de problemen in Somalië of Afghanistan kijkt, dan is dat natuurlijk ook zo. Maar door het krijgen van kinderen raakte ik meer gefocust op onze eigen samenleving. Ik vind dat we vanuit onze bevoorrechte positie hier teveel achterover hebben geleund. Daardoor zitten we nu – ondanks dertig jaar van grote welvaart – in een situatie waarin we op zoek moeten naar oplossingen voor allerlei maatschappelijke issues zoals een gigantisch klimaatprobleem, uitputting van de aarde, armoede, eenzaamheid, gebrekkige arbeidsparticipatie en een zorgsysteem zonder menselijke maat.
Ik geloof in ondernemende modellen die structurele oplossingen ontwikkelen voor dit soort vraagstukken. Door de financiële crisis beseffen steeds meer mensen dat de puur aandeelhoudergedreven manier van ondernemen een dead end is en dat we de economie anders moeten inrichten. Sociale ondernemers zijn koplopers in de transitie naar een nieuwe economie.’
Is die transitie al echt gaande, of is het vooral iets waarvan u vindt dat het zou moeten gebeuren?
‘Het is voor mij niet de vraag óf het gaat kantelen: dat gaat gebeuren en ik zie dat ook al gebeuren. Zo zie je steeds meer nieuwe businessmodellen ontstaan waarin het niet draait om bezit, maar om gebruik en om collectieve in plaats van individuele waarden. Maar het gaat nog veel te langzaam.’
Koppige gekken
In de Tweede Kamer werden onlangs twee moties aangenomen: één om sociaal ondernemerschap fiscaal te belonen en één om inkopen bij sociale ondernemingen te stimuleren. Ook heeft minister Asscher de Sociaal Economische Raad (SER) om een advies gevraagd over sociaal ondernemerschap. De uitkomsten daarvan zullen in maart bekend worden gemaakt. Hoog tijd, zegt Verloop, want tot nu toe toonde de Nederlandse overheid maar weinig interesse in sociaal ondernemerschap. ‘De overheid erkent en herkent het veld niet. Daardoor blijven we in sommige domeinen erg achterlopen. Zo hebben we in de zorg regels die nieuwe businessmodellen in de weg zitten, want ze zijn volledig toegeschreven naar grote bureaucratische instituten. De regeldruk is immens.
Gelukkig zijn sociale ondernemers meestal koppige gekken die het gewoon blijven proberen: de autonome kracht is groot. Sommige ondernemers hebben echt lef, ze verpanden hun huis of leggen eigen geld op tafel voor hun idealen. Ik ben trots op waar we staan, ondanks het feit dat we een overheid hebben die nog niet meedoet.’
Hoezo doet die niet mee?
‘De Europese Unie is al vijf jaar geleden gestart met het Social Business Initiative met onderzoeken in verschillende Europese landen. Nederland heeft daaraan nog nooit serieus deelgenomen. We zijn lang de “Black Hole of Europe” genoemd, omdat niemand wist wat hier gebeurde. De OECD heeft recent een interessant rapport geschreven over de belangrijke rol van sociale ondernemingen voor het oplossen van maatschappelijke problemen. Daarin staat – net als in allerlei andere rapporten – dat overheden een belangrijke rol hebben in het aanjagen van dit veld.’
‘Eigenlijk alle Europese landen hebben al een beleid voor sociale ondernemingen’
Waarom is de Nederlandse overheid hierin zo terughoudend?
‘Ik denk dat binnen de overheid nog altijd een smal welvaartsbegrip prevaleert dat uitgaat van de hoeveelheid geld die rouleert. Maar welvaart gaat ook om schone lucht, dat iedereen werk heeft, kwaliteit van leven et cetera. Veel weerstand komt volgens mij vanuit oud denken en onbegrip.
Eigenlijk alle Europese landen hebben al een beleid voor sociale ondernemingen. Zo heeft Frankrijk flinke stappen gemaakt met een minister voor social economy en een nieuwe rechtspositie voor ondernemingen met een maatschappelijke missie. Denemarken heeft twee jaar geleden voor een aansprekend integraal beleid gekozen met verschillende initiatieven om de relatie tussen (lokale) overheid en sociale ondernemingen te verbeteren. Dat was na een soortgelijk advies als waarmee de SER hier in maart komt. We hopen dat dit geen verkennend rapport wordt, maar ook een actieagenda bevat, met mooie concrete aanbevelingen.’
Wat moet er zeker in het SER-advies staan?
‘Het allerbelangrijkste vind ik dat er erkenning komt voor deze vorm van ondernemen. Daarin zit ook een psychologisch element: het gaat niet alleen om praktische knelpunten. We hopen dat de overheid sociale ondernemers gaat zien als serieuze businesspartners.
Stap 2 is dat er allerlei knoppen zijn waaraan de overheid kan draaien. De twee belangrijkste zijn het aanbestedingdossier en een speciaal rechtsregime zoals in veel landen al bestaat. In Nederland ben je als sociale onderneming nu een bv of een stichting. Maar veel gemeenten willen niet met bv’s werken, met name in zorg en welzijn. In een stichting kun je geen kapitaal aantrekken en heeft niemand de echte eindverantwoordelijkheid. De combinatie van stichting en bv is voor de buitenwereld niet transparant en levert de ondernemer veel papierwerk op. Bij aanbestedingen moet het niet meer uitsluitend gaan om wie de goedkoopste aanbieder is, maar ook om de maatschappelijke waarde, zoals iemand aan het werk brengen.’
Er staat vast nog meer op uw wensenlijstje?
‘Jazeker. Een derde belangrijke knop is het beter beschikbaar maken van start- en groeikapitaal. Bijvoorbeeld met het stimuleren van private investeringen in sociale ondernemingen. Dat zou kunnen met een nieuw soort Tante Agaath-regeling waarbij particulieren fiscaal aantrekkelijk geld kunnen lenen of investeren in sociale ondernemingen.
Daarnaast zijn allerlei specifieke maatregelen denkbaar: zo zit de kringloopsector in Duitsland in het lage btw-tarief: 6 procent in plaats van 21. Dat zou ik in Nederland ook graag zien. Verder kan de overheid opleidingsprogramma’s voor inkopers beginnen, gericht op het creëren van maatschappelijke waarde. En misschien kunnen bepaalde sectoren fiscale voordelen krijgen.’
‘De waarde van sociaal ondernemerschap blijkt ook uit harde indicatoren zoals banengroei. Die steeg tussen 2012 en 2014 met twaalf procent’
Leidt dat niet tot oneerlijke concurrentie met ‘gewone’ ondernemers?
‘Natuurlijk moet er een level playing field zijn, maar dat is er nu de facto ook niet. Als je kijkt hoeveel bedrijven nu voorgetrokken worden… We noemen het “topsectoren” of “technostarters” en dan is het wel geaccepteerd.
Bovendien worden nu allerlei grote spelers voorgetrokken die met een lage prijs komen ten koste van milieu en sociale structuren. Die zijn feitelijk duurder, omdat de kosten op de lange termijn buiten beschouwing blijven.’
Bestaat die angst voor voortrekken?
‘Ja, maar als je de maatschappelijke waarde van sociale ondernemingen doorrekent, is het geen voortrekken. Het vergroten van de sociale cohesie met initiatieven als Thuisafgehaald, Peerby en Snappcar is moeilijk in geld uit te drukken. Iemand met een arbeidsbeperking aan een baan helpen al beter, want dat scheelt allerlei kosten en subsidies.
De waarde van sociaal ondernemerschap blijkt ook uit harde indicatoren zoals banengroei. Die steeg tussen 2012 en 2014 met twaalf procent. En vanwege hun langetermijnvisie zijn sociale ondernemingen de financiële crisis vaak ook beter doorgekomen dan bedrijven die sturen op korte termijn winstmaximalisatie. Voor sociale ondernemers is winst een middel om gezond te blijven en op te schalen, maar geen doel op zich.’
Welke sociale onderneming had u zelf opgericht willen hebben?
‘Een heleboel. Doordat ik uit de ontwikkelingssamenwerking kom, word ik heel gelukkig van ketenvernieuwers als Fairphone en van een bedrijf als Text to Change. Dat biedt sms-diensten om in ontwikkelingslanden cruciale informatie te verspreiden. Ook mooi vind ik dat Thuisafgehaald nu ook maaltijden brengt naar eenzame gehandicapten. En ik ben enthousiast over Mantelaar: zij koppelen medicijnenstudenten aan ouderen, wat heel waardevol is voor beide groepen. En dan heb ik de duurzame energieopwekkers nog niet genoemd.’

José Manuel Barroso, ex-voorzitter van de Europese Commissie, verwacht dat op termijn 10 procent van de Europese economie bestaat uit social enterprises. Hoeveel groter zou sociaal ondernemerschap in Nederland kunnen worden?
‘Het kan hier gemakkelijk binnen vijf jaar verdubbelen: zowel in nieuwe initiatieven als in groei van bestaande. Dat is ook minimaal ons doel. In Engeland is de sector met ruim 70.000 social enterprises relatief gezien vier keer zo groot als hier. De Engelse overheid heeft er drastisch in geïnvesteerd: er is een aparte rechtsvorm, de aanbestedingsregels zijn aangepast en er is een groot fonds met 600 miljoen pond opgericht, The Big Society Capital, waarin ze alle slapende bankrekeningen hebben gestort. Ook gelden er fiscale maatregelen voor bepaalde sociale ondernemingen. En ze financieren platforms zoals Social Enterprise UK. Voor ons is interessant om te zien: wat werkt daar wel en wat niet?’
Wat werkt daar bijvoorbeeld goed?
‘Een mooi voorbeeld is GLL Greenwich Leisure: zij beheren 130 sportclubs, zwembaden en bibliotheken. Het zijn prachtige faciliteiten waarvan de werknemers eigenaar zijn. Met het geld dat ze verdienen aan de yuppen die er komen sporten, financieren ze faciliteiten voor mensen met een laag inkomen en gehandicapten. Ook hebben ze een groot fonds voor jonge sporters. Ze groeien al jaren 8 tot 10 procent per jaar harder dan commerciële fitnesssportclubs. Dat zijn modellen waar we in Nederland goed naar moeten kijken, want de kans bestaat dat de overheid zich ook hier terugtrekt uit dit domein. Dan mag je hopen dat er sociale ondernemingen komen met dit soort mooie oplossingen.’
Andere dynamiek
Hoewel sociale ondernemingen hier ook al het gat vullen dat ontstaat nu de overheid wil dat burgers zelf meer gaan regelen, zou Verloop sociaal ondernemerschap zeker niet willen framen als een doekje voor het bloeden voor een zich terugtrekkende overheid. Ze merkt dat de neiging bestaat – vooral bij de overheid – om alle nieuwe modellen op een hoop te gooien als horend bij de participatiemaatschappij. Maar sociaal ondernemen is niet hetzelfde als de (ook waardevolle) vrijwilligersprojecten in wijken, benadrukt ze. Ondernemers runnen immers een bedrijf en dat betekent een andere dynamiek.
In hoeverre biedt de decentralisatie nieuwe kansen?
‘De gemeentes zijn nu natuurlijk ondergedompeld in alle nieuwe taken. Ze hebben minder geld terwijl ze meer moeten doen, dat is niet het beste uitgangspunt om naar vernieuwing op zoek te gaan. Een meerderheid gooit daarom de luiken dicht, maar een minderheid zoekt wel naar nieuwe aanknopingspunten. Zo heeft de gemeente Oss nu een businesspartnership met de Kringloop waardoor die het grof vuil kan ophalen. Daardoor zijn er meer spullen om te verkopen en kunnen ze meer mensen aannemen, hebben ze meer omzet en zijn minder subsidies nodig. De gemeente heeft geen grofvuilkosten meer en betaalt minder voor arbeidstrajecten of dagbesteding.
Voor gemeentes kan het natuurlijk ook enorm schelen als er informele zorg op gang komt, zoals het platform Zorgvoorelkaar organiseert. Geldrop-Mierlo is als een van de eersten met ze gaan samenwerken, waardoor zij er nu goed voor staan.’
Zijn dit uitzonderingen?
‘Ik wil niet negatief zijn: ik zie zeker meer voorbeelden van gemeentes die experimenteren. Maar er is veel meer mogelijk als er ook een stimulans van bovenaf zou komen. Bijvoorbeeld met een pilot in vijf gemeenten, waarbij alle regels even op non-actief gaan. Daarnaast moeten gemeenten dringend werk maken van coherent beleid voor sociale ondernemers. Ze passen niet in het standaardbeleid en voelen zich vaak een rondje dat door een vierkante opening geperst moet worden. Doordat ze vaak aan verschillende maatschappelijke doelen werken, worden ze nu binnen veel gemeenten van het kastje naar de muur gestuurd.’
‘Ik heb er tot nu toe altijd vanaf gezien om politiek actief te worden. Ik ben niet snel bereid om water bij de wijn te doen’
Hangt het succes van sociale ondernemers vooral af van de overheid?
‘Nee, de overheid is vooral een potentiële versneller. Ook investeerders, universiteiten, kennisinstituten, consultants en commerciële partijen kunnen een heel belangrijke rol spelen. Dat geldt ook voor consumenten: zij kunnen hun euro’s bewust besteden. Uiteindelijk vindt zo’n transitie plaats omdat burgers zeggen: wij willen ander eten op ons bord en zijn bereid daarvoor een eerlijke prijs te betalen. Of: wij willen dat de buurjongen die niet goed meekomt ook aan de slag kan en daarmee volwaardig kan deelnemen aan de samenleving.’
Zou het niet nóg effectiever voor u zijn om politiek actief te worden?
‘Daar heb ik tot nu toe altijd vanaf gezien, omdat de realiteit van het politieke systeem nou eenmaal is dat je een groot deel van je idealen moet loslaten. Ik ben niet snel bereid om water bij de wijn te doen. Ik heb ook teveel mensen die met idealen de politiek in gingen, vanuit Greenpeace, Amnesty en Oxfam, eruit zien komen op een manier waardoor ik denk dat ik me daaraan voorlopig niet moet branden.’
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.