Ze is soms dodelijk, maar nooit cynisch. Als gezichtsbepalende columnist van de Volkskrant, Opzij en Buitenhof is Sheila Sitalsing een belangrijke stem in het publieke debat. ‘Ik kan heel fel zijn als ik het gevoel heb dat er iets te verdedigen valt.’

‘Natuurlijk ga ik dat niet doen,’ was de eerste reactie van Sheila Sitalsing toen Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque haar in 2011 belde om te vragen of ze columnist wilde worden op pagina twee, in afwisseling met Bert Wagendorp. Na afloop van het gesprek vertelde ze haar man waarvoor Remarque haar had gevraagd, en dat ze zijn verzoek had afgehouden. Maar haar man zei: ‘Natuurlijk ga je dat wel doen.’

Ze lag er nog drie nachten wakker van voor ze besloot ‘ja’ te zeggen.

Vier jaar later is Sheila Sitalsing (46) een gevierd columnist in de Volkskrant en voor het maandblad Opzij, en in het tv-programma Buitenhof, waar zij in de rubriek Schuim & As bij toerbeurt een buitenlands onderwerp bespreekt. In 2013 won ze de Heldringprijs voor de beste Nederlandse columnist. De jury prees haar om haar feitenkennis, humorvolle benadering en afwezigheid van cynisme. In datzelfde jaar trad ze op als co-referent bij de Van der Leeuwlezing, waarbij inleider Douwe Draaisma haar formuleringen omschreef als sierlijk, charmant en dodelijk.

‘Ik wilde eerder Kuifje zijn dan G.B.J. Hiltermann’

Het gaat goed met u als columnist. Verrast u dat?
‘Ja, want ik had het nooit gedacht. Toen ik had bedacht dat ik journalist wilde worden, op mijn zeventiende of zo, droomde ik vooral van de belevenissen die je dan meemaakt. Ik wilde eerder Kuifje zijn dan G.B.J. Hiltermann. Ik dacht dat journalisten de waarheid onderzochten en columnisten de waarheid in pacht hadden.’

Wat is volgens u een goede column?
‘Een column moet feitelijk zijn. Er moet onderzoek achter zitten. Voordat ik ga schrijven, lees ik en bel ik met mensen. Maar een column wordt een column als die iets doet met de harde schijf van de lezer, een column moet iets teweegbrengen. Ik probeer een onderwerp op zijn zij te gooien, te kantelen. Dat de lezer denkt: o, zo had ik er niet nog niet tegenaan gekeken. Maar ik vind het ook fijn als de lezer er alleen maar hartelijk om moet lachen of ontroerd is, dan heb ik ook iets teweeggebracht.’

U krijgt veel reacties, ook van ministeries en allerlei andere clubs waar u over schrijft, toch?
‘Ja, dat is leuk. Ik merk dat ik word gelezen door de mensen die ertoe doen. Maar ik ben natuurlijk maar een van de velen die ze lezen, hè?’

Foto Robin de Puy
Foto Robin de Puy

Nou, u bent een belangrijke stem in het publieke discours, vooral op de gebieden waar u veel over schrijft: politiek en economie. Hoe voelt dat?
‘Als andere mensen dat vinden, schept dat verplichtingen. Ik ben me ervan bewust dat wat ik schrijf een toevoeging moet zijn aan wat er al aan meningen is. Zo’n Heldringprijs is leuk, maar de druk wordt er ook groter door. Ik denk: o, nu moet ik het wel waarmaken.’

Dit is een typisch vrouwelijke opmerking, naar het schijnt. Ik denk dat er weinig mannen zijn die zichzelf zo onnodig relativeren.
Ze lacht. ‘Ja, erg is dat hè?’

Sitalsing ontvangt in haar drive-inwoning aan de rand van Delft, waar ze woont met echtgenoot Mario en hun dochters Zora (9) en Zadie (6). Ze is aan de beurt voor de paginatweecolumn van de volgende dag, maar ’s ochtends rond elf uur heeft ze nog alle tijd voor een interview. De rest van het gezin is weg, het is stil in huis. Ze serveert koffie en koekjes aan de eettafel midden in de lichte woonkamer annex keuken. Straks, als iedereen weer thuis is en Mario de avondmaaltijd kookt, zal Sitalsing aan diezelfde tafel achter haar laptop zitten en haar column tikken. Als ze schrijft, wil ze rumoer om zich heen. Ze is dat zo gewend van de redacties waar ze van 1993 tot 2009 als verslaggever heeft gewerkt, bij het Rotterdams Dagblad, Elsevier en de Volkskrant. Dan komen de zinnen waarover Draaisma zich vrolijk maakt en waarvan er in elke column wel een aantal opduiken. Over een optreden van VVD-voorman Halbe Zijlstra schreef ze onlangs: ‘In zijn ogen smeulde een vleugje Clint Eastwood. Iemand floot het motief uit The Good, the Bad and the Ugly. Thuis dweilden we de lachtranen op.’ Tijdens de bijna-teloorgang van de V&D adviseerde ze het warenhuis de wild gebloemde wikkeljurken en driekwart leggings in de Zak van Max te doen, de tent te sluiten en een broodjeszaak te beginnen. Volgens haar zat de boardroom van de V&D zich verdwaasd af te vragen wat dat internet toch is waar je tegenwoordig zoveel over hoort en intussen graaide de doelgroep bij de Primark, de H&M en de Zara de rekken leeg.

U bent inderdaad soms dodelijk.
Sitalsing schatert het uit. ‘Dat is wel zo ja, maar ik probeer het te reserveren voor figuren die het publieke belang dienen. Zij verdienen het om kritisch gevolgd te worden. Soms lees ik terug wat ik heb geschreven en denk: oe, oe, dit is misschien niet zo aardig bij het ontbijt. Maar ik doe het niet expres. Ik denk nooit: wie ga ik vandaag weer eens pakken.’

‘Balkenende werd uitgelachen om zijn normen-en-waardenverhaal, maar er zat wel twintig jaar nadenken achter over wat de mens is en hoe hij zich moet verhouden tot de ander. Dat heeft dit kabinet niet’

Zit het plezier voor u ook in het schrijven zelf?
‘Ja, ik vind het heerlijk. Op de dagen dat ik een column moet schrijven, nestelt zich ergens in de loop van de middag een onderwerp in mijn hoofd en dan ga ik afwassen en een wasje draaien. Dan landen dat soort zinnetjes vanzelf, die verzin ik niet per se achter een toetsenbord.’

U legt geregeld de poppenkastachtige aspecten van het politieke bedrijf bloot. Doet u dat bewust?
‘Dat probeer ik wel. Politiek is ook een spel. Dat vind ik interessant en ik vind het leuk om te laten zien hoe het werkt. Waarom is iets op deze manier afgesproken? Is het belangrijk of is het een toneelstukje? Welke belangen spelen er mee?’

U heeft als verslaggever gewerkt bij de Europese Unie en op het Binnenhof. Had u zonder deze ervaring ook zulke stukjes kunnen schrijven?
‘Nee, absoluut niet. Ik heb geregeld tot diep in de nacht staan wachten voor een dichte deur waarachter wordt vergaderd. Als je dat niet hebt gedaan, denk ik dat je cynische stukjes schrijft. Ik heb zelf gezien hoe de politiek werkt en daardoor doe ik politici minder snel af als zakkenvullers die niet te vertrouwen zijn. Ik weet dat er hard wordt gewerkt door over het algemeen gewetensvolle mensen die echt wat willen bereiken.’

Wat vindt u van dit kabinet?
‘Interessant, omdat het beleid uitvoert dat lang taboe is geweest. Sinds ik in de journalistiek zit, schrijf en lees ik zorgelijke verhalen over de pensioenleeftijd, de AOW, de hypotheekrenteaftrek, de zorg. Het moest allemaal anders, maar het kon niet, want als je als politicus alleen al die woorden noemde, had je de verkiezingen al verloren. En nu gebéurt het, dit kabinet pakt alles aan. Ik weet niet of Nederland er per se beter van wordt, maar deze regering stelt doelen en haalt ze. Dat vind ik vanuit politiek-technisch oogpunt bewonderenswaardig. Er zijn zat kabinetten geweest die in vier jaar tijd misschien één weg hadden aangelegd en dat was het zo ongeveer.’

‘Nooit hoor je Rutte zeggen dat achter de Europese Unie een gedachte zit, dat het een organisatie is die de oorlog heeft overwonnen’

Critici vinden dat er wat weinig ideologie achter dit PvdA-VVD-kabinet zit.
‘Ja, ik mis ook de bezieling. Kijk, Balkenende werd uitgelachen om zijn normen-en-waardenverhaal, het was benepen, het was spruitjeslucht, maar er zat wel twintig jaar nadenken achter over wat de mens is en hoe hij zich moet verhouden tot de ander. Dat heeft dit kabinet niet. Ik zou af en toe een verhaal van Rutte willen horen over waarden en moraal, maar dat zit er niet in. Hij is er allergisch voor.’

Wat je ook over Rutte opmerkt, het glijdt langs hem af, wordt vaak gezegd.
‘Precies, hij is de man zonder eigenschappen genoemd. Hij zal wel opvattingen hebben, maar hij weet ze goed te verbergen. Hij heeft een bijna technocratische blijmoedigheid: we gaan wat dingen uitvoeren. Het geen man die ik in oorlogstijd als leider zou willen hebben.’

Geen Winston Churchill.
‘Beslist niet. Hij is een procesmanager. Dat is waarschijnlijk wel wat we nodig hebben om al deze hervormingen door te voeren, maar er mag best wat meer bevlogenheid zijn. Ik hoor hem nooit over Europa als waardengemeenschap bijvoorbeeld. Het gaat altijd over de Grieken die terug moeten betalen of over Bulgaren die onze baantjes komen inpikken. Nooit hoor je hem zeggen dat achter de Europese Unie een gedachte zit, dat het een organisatie is die de oorlog heeft overwonnen.’

Foto Robin de Puy
Foto Robin de Puy

U heeft als verslaggever ook veel over de financiële wereld en economie geschreven. Heeft u ooit signalen opgevangen dat we in 2008 in een wereldwijde crisis zouden belanden?
‘Nee, de economie gaat altijd met ups en downs, maar het is nooit te voorspellen waar het omslagpunt ligt. Economen wisten wel dat er luchtbellen waren, de huizenprijzen waren veel te hoog en er waren rare constructies bij de banken, maar wie zegt dat hij het heeft zien aankomen, is een achterafprater.’

Je hoort vaak zeggen dat banken weinig hebben geleerd van hun fouten en dat we dus zo weer in een ernstige crisis kunnen belanden.
‘Als er iets misgaat in de economie, ligt het nooit aan het systeem, maar aan de mens. En wat er mis was bij banken lag aan typisch menselijk gedrag: hebzucht, hoogmoed, zelfoverschatting, inhaligheid en ook gewoon slechtheid. Er is fraude gepleegd, er zijn mensen opgelicht. Dat is met geen enkel systeem te veranderen. Welk systeem je ook ontwerpt, de mens kan er altijd omheen. Dus je kunt nooit zeggen: dit gaan we nooit meer meemaken.’

Bert Wagendorp en u laten doorgaans een links-liberaal geluid horen. Dat contrasteert nogal met het rechtse geluid dat je elders in de Volkskrant leest.Krijgen jullie alle ruimte om te zeggen wat jullie willen?
‘We hebben totale vrijheid, echt, totále vrijheid. We worden door niemand beknot. Ik spreek de hoofdredactie ook bijna nooit.’

Wagendorp vertelde dat jullie tweeën elkaar ook bijna niet spreken. ‘We gaan twee keer per jaar met elkaar uit eten, hartstikke gezellig, dan kankeren we op deze en gene,’ zei hij. Volgens Wagendorp ergeren jullie je eraan dat ‘elke debiel’ tegenwoordig in de Volkskrant kan staan.
‘Eens in de zoveel tijd staat de opiniepagina vol met mensen van wie ik denk: die zijn uit een gesticht ontsnapt. Dan bel ik Bert en zeg: “Bert, dit kan niet, we moeten gaan eten.”’

‘Ik ben kritisch op het CDA. Als ze bij de PVV uit de bocht vliegen, denk ik: dat staat in de functieomschrijving’

Hoofdredacteur Remarque wil alle stemmen laten klinken. ‘En de cijfers geven hem gelijk want het gaat goed met de krant,’ aldus Wagendorp.
‘Dat is absoluut waar. Het is verfrissend, al die geluiden in de krant. Maar waar het mij om gaat, is dat we in onze ijver om iedereen aan het woord te laten soms ook stukken op de opiniepagina afdrukken van mensen van wie je denkt: die zijn duidelijk verward. Laatst hadden we weer zo’n debatje over godsdienst, ik kan het niet meer goed terughalen. Het gaat me ook niet om de onderwerpen of de stellingname, het gaat me om de onderbouwing die niet klopt of er gewoon niet bij staat.’

Iets anders, soms trekt u behoorlijk van leer op Twitter. Toen CDA-Kamerlid Michel Rog over anti-Zwarte Piet-activist Quinsy Gario twitterde dat hij een graaipiet was, bent u helemaal losgegaan.
‘Ik ben kritisch op het CDA. Als ze bij de PVV uit de bocht vliegen, denk ik: dat staat in de functieomschrijving. Bij de SP heb ik een beetje hetzelfde. Maar als ze uit de bocht vliegen bij het CDA, dat zolang een regeringspartij is geweest, met zoveel verantwoordelijkheid, sla ik daar professioneel op aan. Ik was het ook zo ontzettend zat, die Zwarte Piet-discussie.’

In uw columns heeft u het er nauwelijks over gehad.
‘Ik had een enorme weerzin tegen het onderwerp. Ik vond die discussie zo ontzettend lang duren. Er kwam ook zoveel drek naar boven dat ik dacht: jeetje, speelt dit? Ik had me nooit gerealiseerd dat Zwarte Piet een onvervreemdbaar cultuurgoed is en dat het land instort als je daaraan komt. Ik hoor niet tot de militante tegenstanders, maar ik was echt stomverbaasd over de felheid van die reacties. Het zegt wel iets over wat er aan de hand is: sommige mensen zijn bang dingen kwijt te raken.’

Maar toen Michel Rog zijn opmerking maakte, gold dat even niet meer.
‘Toen had ik het wel even gehad.’

U dwong hem bijna tot een reactie.
‘Toen ik las dat hij “graaipiet” over Quinsy Gario had gezegd, dacht ik: neeeee, dit kan écht niet. Maar na een dag ben ik weer opgehouden.’

‘Als je in Suriname twee jaar lang zo’n Zwarte Pietendiscussie zou voeren, zou het oorlog worden’

U heeft uw ene dochter genoemd naar de BritsJamaicaanse schrijfster Zadie Smith en uw andere dochter naar een personage van Smith. Zij heeft onder meer geschreven over rassen- en machtsverhoudingen, is dat iets wat u bezighoudt?
‘Die vernoeming was primair omdat we het prachtige namen vonden. Maar ja, ik ben opgegroeid in Suriname en op Curaçao, daar zijn die verhoudingen ontzettend belangrijk.’

Je hoort vaak dat in Suriname alle groepen juist goed met elkaar samenleven.
‘Dat moet hè? Anders valt het land uit elkaar. Als je in Suriname twee jaar lang zo’n Zwarte Pietendiscussie zou voeren, zou het oorlog worden. De groepen zijn allemaal even groot, het is een wankel evenwicht.’

Hoe is dat op Curaçao?
‘Daar heb je een voornamelijk zwarte bevolking, nakomelingen van de slaven, en een kleine blanke groep, nakomelingen van de kolonialen. Je hebt er een enorm minderwaardigheidscomplex van zwart tegenover blank. Hoe witter hoe beter. Het is allemaal heel subtiel, het zijn kleine verschillen, maar iedereen ziet ze en ze bepalen je plaats op de maatschappelijke ladder.’

Heeft u zich over die verhoudingen opgewonden?
‘Nee, niet opgewonden. Je groeit ertussen op en denkt: zo is het. Later denk je: hé, raar. Maar er is van alles raar in de wereld, hè?’

Foto Robin de Puy
Foto Robin de Puy

U bent dus niet activistisch op dit gebied.
‘Als ik dat was geweest, had ik mijn kinderen wel Malcolm X genoemd.’

De wortels van haar overgrootvader van vaders kant liggen in India. Als jongeman stapte hij op de boot naar Brits-Guyana, waar hij aan het werk ging als een van de vele Indiase contractarbeiders die na de afschaffing van de slavernij de slaven vervingen. Later belandde overgrootvader Sitalsing in Suriname, waar hij deel uitmaakte van de Hindoestaanse gemeenschap, in dat land een aanduiding voor Indiase immigranten, ongeacht hun geloof. In Nickerie, het rijstplantagegebied, begon hij een limonadefabriek en een soort van bioscoop.

Sheila Sitalsing werd in 1968 geboren in Paramaribo, waar haar vader werkte als internist. Toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd, hadden haar ouders geen vertrouwen meer in de toekomst van het land en vertrokken ze naar Curaçao. Hier zouden Sheila en haar vier jaar oudere zus verder opgroeien – haar ouders wonen er nog steeds. In 1986 ging ze economie studeren, eerst een jaar in Amsterdam, daarna in Rotterdam. Ze had de School voor Journalistiek in Utrecht willen doen, maar dat vonden haar ouders niet goed genoeg. Ze werd geacht te reiken naar het hoogste.

‘Als je kijkt naar de Hindoestaanse gemeenschap in de Haagse Schilderswijk, daar zitten mensen tussen die vijftig jaar terug in de tijd leven’

Volgens uw nicht Karin Sitalsing, ook een journalist, was jullie familie binnen de Hindoestaanse gemeenschap in Suriname een vreemde eend. Is dat zo?
‘Ja, omdat de Hindoestaanse cultuur binnen onze familie heel snel is verwaterd. Onze Hindoestaanse grootvader, de zoon van de man uit India, was areligieus en hij trouwde met een niet-belijdende moslimvrouw. Ze vormden een vrijzinnig gezin. Van hun zeven kinderen is ongeveer de helft getrouwd met niet-Hindoestanen. Mijn vader is mijn moeder, een Nederlandse, tegengekomen tijdens zijn studie in Leiden.’

Het gezin waarin u opgroeide was dus ook vrijzinnig?
‘Ik ben opgegroeid zonder Hindoestaanse tradities. Ik ken ook geen woord Sarnami, de taal van de Hindoestanen in Suriname. Wij spraken thuis Nederlands.’

Ik heb begrepen dat Hindoestaanse vaders enorm streng kunnen zijn, maar uw vader was liberaal.
‘Ik mocht alles. Maar die vaders kunnen inderdaad heel streng zijn. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de grote Hindoestaanse gemeenschap in de Haagse Schilderswijk, daar zitten mensen tussen die vijftig jaar terug in de tijd leven.’

Serieus?
‘Misschien overdrijf ik, ze worden vast heel boos als ze dit lezen, maar de Hindoestaanse gemeenschap in de Schilderswijk is traditioneel. Sommige meisjes worden nog steeds gechaperonneerd als ze naar buiten gaan en er wordt zelfs nog aan gearrangeerde huwelijken gedaan.’

Met als doel: een vlekkeloze reputatie en dan als maagd het huwelijk in?
‘Ja, hetzelfde als bij moslimmeisjes. Hindoestaanse meisjes worden geacht voor hun ouders te zorgen en als ze getrouwd zijn voor hun schoonouders en verder moeten ze hun mond houden. Tegelijkertijd is er een enorme prestatiecultuur, je moet héél erg goed je best doen op school. Er komen veel zelfmoordpogingen voor onder die meisjes omdat ze zo onder druk staan en niks mogen.’

‘Toen ik zestien, zeventien was, en Kuifje wilde zijn, was Curaçao een verschrikkelijke plek om te wonen’

Wat kun je daar aan doen?
‘Tja, bij Turkse en Marokkaanse gemeenschappen zie je dit ook. Het is vooral de eerste generatie die zich vastklampt aan tradities, de tweede en derde generatie zijn vaak alweer verder. Het gaat vanzelf over, je moet niet heel geforceerd denken: wat kunnen we eraan doen.’

Maar u had van dit alles dus geen last, u moest alleen presteren met de studie.
‘Mijn zus en ik moesten het maximale uit onszelf halen. Het was niet gauw goed.’

Hoe vond u Nederland toen u hier ging studeren?
‘Kijk, Curaçao is klein, je zit met honderdzestigduizend mensen op een eiland waar je niet zomaar af kunt. Het is leuk en veilig en beschut om op te groeien, maar als je wat ouder wordt, is het intens saai. Dus toen ik zestien, zeventien was, en Kuifje wilde zijn, was Curaçao een verschrikkelijke plek om te wonen. Ik kon niet wachten tot ik daar weg kon en toen ik in Nederland kwam, was het meteen aan. Nederland was de wijde wereld en ik keek mijn ogen uit: zo’n goed georganiseerd land, zo welvarend, ik wist niet wat me overkwam. Er waren allerlei dingen die ik nog nooit had gezien, winkels waar je álles kunt vinden…’

De V&D.
‘Ja!’ Ze lacht. ‘Die luxe, al die luxe… Je hebt hier alles, alles, alles. Ik dacht de hele tijd: wat boffen de mensen hier toch, wat hebben ze het goed.’

‘We dachten: we gaan de boel in Nederland overnemen, we worden minstens premier of president van Shell’

Toen Anil Ramdas, ook een Hindoestaans-Surinaamse journalist, in 2012 stierf, zei u dat hij voor u een rolmodel is geweest. Hij liet zien dat je dit als Surinamer kon bereiken.
‘Toen ik in 1986 in Nederland kwam, was iedereen die op de televisie iets te vertellen had, blank. Anil was de eerste Surinamer op tv die liet zien dat wij datzelfde konden bereiken. Hij zat bij Zomergasten, het was een memorabele uitzending. Hij was intelligent, erudiet, hij liet mooie televisiefragmenten zien. Ik woonde met veel Surinamers in een studentenflat en we zeiden tegen elkaar: “Wow, heb je dat gezien?” Toen hij zelfmoord pleegde, was ik echt een beetje van slag. Zonde van zijn talent.’

Wat dachten Surinamers dan vóórdat Ramdas op tv kwam? Zoiets bereik ik niet?
‘Nee, we dachten juist: we gaan de boel in Nederland overnemen, we worden minstens premier of president van Shell. Maar het gebeurde vooralsnog niet.’

Vanwaar dat optimisme dat jullie de boel gingen overnemen?
‘Ik denk dat het te maken had met hoe er in Suriname en de Antillen aangekeken werd tegen jongeren die in Nederland gingen studeren. Ze hadden een belofte in zich: dit is de bloem der natie, dit zijn onze zonen en dochters en die gaan grootse dingen doen. Op Curaçao had je zelfs de gewoonte dat je ouders een advertentie in de krant zetten, tussen de familieberichten, waarin ze meldden dat jij je Nederlandse diploma had gehaald.’

E-mail van zes kantjes
Sitalsing begon in 1993 als verslaggever bij het Rotterdams Dagblad. In 1996 kwam ze bij Elsevier, eerst op de economieredactie, daarna als correspondent in Brussel. In 2001 ging ze werken op de economieredactie van de Volkskrant, waarvan ze in 2004 chef werd. Bij de Volkskrant kwam ze bekend te staan om de e-mails die ze rondstuurde aan de economieredacteuren. ‘Hoe halen jullie het in je hoofd…’- dat was de toon.

Sitalsing moet hard lachen als ze dit hoort. Het is waar, zegt ze, een van die redacteuren zei later over haar: ‘Als Sheila iets niet beviel, kreeg je zo een e-mail van zes kantjes.’

Bert Wagendorp herinnert het zich ook nog. ‘Ze was een bitch, er viel niet met haar te spotten,’ zei hij.
Sitalsing lacht nog harder. ‘Klopt.’

Volgens Wagendorp was zelfs de toenmalige hoofdredacteur Pieter Broertjes als de dood voor u.
‘O wat grappig! Ik ga Bert straks meteen bellen.’

Ik heb niets verzonnen van dit hele commentaar.
‘Ik weet niet of Pieter bang was voor mij. Pieter was wel wat gewend, die heeft zó’n dikke huid. Hij heeft alles en iedereen bij de krant overleefd en nu is hij burgemeester van Hilversum. Als er nog eens een atoombom valt en alle stof is neergedaald, zit Pieter nog overeind achter een muur in Hilversum.’

‘In die mannenwereld moet je lawaai maken, anders denken ze dat je er bent voor de koffie’

Maar waarom beet u zo van u af?
‘Economie was een beetje een ondergeschoven kindje, we zaten achter het nietje, dus ik dacht: ik moet mijn fte’s houden en mijn aantal pagina’s. Ik had elke dag een grote mond tegen Pieter dat er niets afkon, dus dat moesten we dan wel bewijzen.’

Ik zie wel de overeenkomst met dat dodelijke in uw columns. Of niet?
‘Ik kan heel fel zijn als ik het gevoel heb dat er iets te verdedigen valt. Ik dacht toen echt: ik moet er voor mijn manschappen staan, alsof ik de generaal was. Dan zat je in zo’n vergadering, met heel veel testosteron – het is leuk hoor, maar je moet je laten horen. Dat had ook te maken met mijn ervaringen in de financiële wereld waarover ik bij Elsevier schreef. In die mannenwereld was ik een van de weinige vrouwen en dan moet je lawaai maken. Dat móet, anders denken ze dat je een decorstuk bent of dat je er bent voor de koffie.’

In Opzij heeft u gezegd dat u en de latere Volkskrant-hoofdredacteur Philippe Remarque in die tijd stiekem coupplannetjes aan het smeden waren. Hoe zat dat?
‘Het was rond 2005, 2006, ergens in die periode. Er was een sluimerende en groeiende onvrede op de werkvloer: wanneer ging Pieter Broertjes nou weg? We hadden zijn tienjarig jubileum gevierd en iedereen dacht: nu gaat hij weg. En toen bleef hij.’

Waarom moest hij weg?
‘Dat heb je als iemand te lang blijft zitten, dan gaat de vloer muiten. Het ging bovendien slecht met de krant en er was paniekvoetbal: we gaan het verliezen, wat moeten we met internet en wat met de papieren krant? Pieter Broertjes lanceerde het ene kansloze initiatief na het andere en dat moesten wij maar uitvoeren. Daar was onvrede over. Er waren clubjes op de krant van mensen die het anders wilden en ook de redactieraad was heel actief – daar zat Philippe in. Ik heb gehoord dat in de redactieraad heel serieus aan de orde is geweest: gaan we Pieters positie ter discussie stellen of niet? Het is er uiteindelijk nooit van gekomen, maar er werden allerlei telefoontjes over gepleegd.’

Foto Robin de Puy
Foto Robin de Puy

En in die tijd zat u met Philippe Remarque hierover te praten?
‘Ja, maar maak het niet groter dan het was. Dat waren meer gesprekken bij de koffieautomaat: “Hoe is het afgelopen met de vergadering?”’

In de rij voor eten
Sitalsing vertrok in 2007 naar de Haagse redactie, omdat ze graag weer meer wilde schrijven dan vermanende e-mails. In 2009 nam ze ontslag bij de krant om voor twee jaar naar Suriname te gaan. Ze wilde meer tijd aan haar kleine kinderen besteden en Suriname bood daartoe de mogelijkheid, want haar echtgenoot kon er gemakkelijk als ict’er aan de slag. Ze betrokken een groot, oud huis in Paramaribo. Zij en haar man, die ook uit Suriname komt, moesten zich het land opnieuw eigen maken. ‘Ik had altijd gedacht dat ik wist hoe het in Suriname was. Maar toen ik daar kwam, merkte ik hoe Hollands ik was.’

U vond de mentaliteit tegenvallen. ‘Het is een maatschappij gebaseerd op wantrouwen,’ heeft u gezegd.
‘Daar moest ik erg aan wennen. Ze hebben in Suriname in de jaren tachtig een militair regime gehad, in de jaren negentig hyperinflatie. Ze hebben meegemaakt dat je alles in één klap kwijt kunt raken, je vrijheid, je geld. Hun huizen waren niets meer waard, ze moesten in de rij staan voor eten. Daar word je anders van, je raakt gericht op overleven. Het is pakken wat je pakken kunt en loyaliteit heb je alleen tegenover je eigen kringetje.’

Was het een teleurstelling?
‘Ik vond het triest voor het land. Maar ik voelde me niet persoonlijk teleurgesteld, wij hadden het goed en prettig. Ik ben na een tijdje toch weer gaan werken, bij StarNieuws, het Nu.nl van Suriname. Ik hielp met de eindredactie, heel leuk en nuttig.’

‘Ik had nooit gedacht dat ik het zou kunnen, columns. Het was ook nooit mijn ambitie’

Tijdens jullie verblijf kwam Bouterse aan de macht, een misdadiger.
‘Een misdadiger en een moordenaar.’

Klopt het dat je in Suriname nu moet uitkijken wat je als journalist zegt of schrijft?
‘Je moet heel erg uitkijken, absoluut. Je wordt niet van je bed gelicht als je iets beweert dat het regime niet bevalt, maar er zijn wel kleine intimidaties. Een minister belt op of je gek bent geworden. Ik hoorde over een collega, Armand Snijders, dat hij van zijn brommer is getrokken en in elkaar geslagen. Hij werd gewaarschuwd dat hij rotzooi schreef.’

En toen belde Philippe Remarque, die net hoofdredacteur was geworden: of u columnist wilde worden.
‘Het overviel me eerst heel erg. Ik had nooit gedacht dat ik het zou kunnen, columns. Het was ook nooit mijn ambitie. Maar ik vind het nu fijn, dit leven bevalt goed.’

Hebben die twee jaar in Suriname er ook mee te maken dat u nooit cynisch wordt in uw columns?
‘Ik denk het wel. Ik ben er heel erg van doordrongen dat we in Nederland gezegend zijn. Dat zet ik niet in elk stukje, maar ik vind het mooi dat ik het kan zien.’