We keken samen op de bank naar de documentaire Mijn stad is mijn hart toen ons lievelingsrestaurant in beeld verscheen. In de documentaire keert regisseur Halil Özpamuk terug naar Rotterdam, de stad van zijn jeugd. Hij constateert dat inmiddels twee derde van alle jongeren hier wortels heeft in een ander land. En dat die Rotterdamse jongeren gelukkig niet meer bezig zijn met ‘integreren’; ze vormen nu zelf de voorhoede. Het was nu de beurt aan witte mensen om zich aan te passen. Rotterdam, de bakermat van het rechtse populisme, was opnieuw een gidsstad, ditmaal van de ‘superdiversiteit’.

De film was grotendeels geschoten in onze wijk, Middelland in Rotterdam-West. Het Duivenpleintje kwam in beeld, het Tiendplein, de West-Kruiskade: de straten waar onze liefde voor de stad ontsproten was. Daar wandelde ook schrijver en ‘stadmaker’ Malique Mohamud het beeld in. Hij gaf een rondleiding aan een groep Amerikaanse studenten, wees ze op al die nieuwe restaurantjes die rond het Tiendplein waren verschenen. Zoals de etablissementen Ilya en Ryad. Daar aten wij nooit, mede omdat ze er geen alcohol schonken. Deze zaken liepen goed, hield Mohamud zijn Amerikaanse gehoor voor, ze pasten bij de buurt; dit in tegenstelling tot dat andere restaurant daar. Hij wees nu op ons lievelingsrestaurant Holy Smoke. ‘Klassieke gentrificatie,’ zei Mohamud misprijzend tegen de Amerikanen.

Auw. Maar wacht even, sputterde ik tegen vanaf de bank, voor bijna elke subcultuur of bubbel was er hier wel een kroeg te vinden, Irakezen, Antillianen, Eritreeërs… Wat was er eigenlijk mis met net die ene kroeg waar ze Elvis Juice schonken?

Ik googelde op de naam van mijn collega-schrijver. Er popte een opiniestuk op: ‘Help, Rotterdam wordt gekoloniseerd door yuppen’. In het stuk hekelde Mohamud de ‘rijke, witte liberalen’ die de stad koloniseerden en voor wie de oorspronkelijke bewoners slechts ‘een decorstuk’ waren. Problemen die ik zelf ook had geconstateerd – alleen gebruikte hij in zijn betoog een keer of vijf het woordje ‘wit’. En hoe vaker ik dat woordje tegenkwam, hoe roder mijn witte wangen werden. Wat gaan we nou krijgen, dacht ik. Hoe kon ik nu kolonist zijn van de stad waar ik vandaan kwam? En ik was toch juist naar deze stad verhuisd omdat ik me thuis voelde in de mengelmoes? Heus niet alleen om olijfolie te halen bij de Marokkaanse buurtsuper. Onze oudste ging inmiddels naar een basisschool waar hij op één klasgenootje na de enige witte was. De jongste verbleef bij een Palestijnse gastouder. Onze huisarts was Afghaan. We mengden best lekker mee, gun me toch mijn biertje met tinten van grapefruit. En hoezo zouden yuppen altijd wit zijn? Ik zag ook best veel zwarte mensen op die stormrammen van elektrische bakfietsen. En het koffietentje om de hoek, waar je lavendelsap kon bestellen, trok ook Marokkaanse en Surinaamse levensgenieters.

Het verhaal van de veranderende stad leek me ingewikkelder dan ‘rijk wit’ versus ‘arm zwart’. En als we dan toch in kleurenschema’s gingen denken: in de jaren zeventig waren juist de witte Rotterdammers uit Rotterdam-West verdreven. Zij hadden die bruine kroegen achtergelaten, die winkeltjes, zoals dat van mijn opa. En verder terug, voor de oorlog, kende onze wijk nog een levendige Joodse gemeenschap, maar Joden zag je nauwelijks nog op straat. Ja, mijn vrouw. Haar opa was in deze stad door Rotterdamse politieagenten opgepakt en later gedeporteerd naar het concentratiekamp, het huis waar hij opgegroeid was geconfisqueerd. Kolonisten, wij? Hoe dan?

Verongelijkt geborrel

Enfin, zo liet ik me op stang jagen. Ik voelde me in een hokje geplaatst. Misschien zou ik me minder hebben opgewonden als de lofzang op diversiteit niet zo vaak klonk – zo vaak, en vaak zo eendimensionaal, dat ik een afkeer had ontwikkeld van woorden als ‘diversiteit’ en ‘inclusiviteit’, omdat ze juist iedereen uitsloten die niet met het liedje mee wilde zingen.

Op een keer keek ik een gelikt reclamefilmpje, Rotterdam For Real heette het. De stad presenteerde zich als kandidaat om het Eurovisie Songfestival 2020 te organiseren. Tientallen jonge, hippe creatievelingen maakten muziek, fietsten door de stad, waren aan het barbecueën. Bijna niemand in het filmpje was wit. ‘Welkom in het nieuwe Nederland’, zei een vrouwenstem. Opnieuw dat verongelijkte geborrel in mijn bloed. Welkom? Op mij kwam dit Nederland eerder over als een exclusief feestje in een te hippe club. Ik voelde me oud en wit en uit de mode. En hoe divers was dat filmpje eigenlijk, als je verder keek dan de visuele, makkelijk te turven verschillen als huidskleur? Als je keek voorbij die groepsfotodiversiteit?

Rotterdam had een ommezwaai gemaakt die ik toejuichte; maar sloeg de balans niet door naar de andere kant: diversiteit die juist groepen uitsloot?

Ik begon te googelen: de helft van de Rotterdammers had Nederlandse wortels, maar die taartpunt – de halve taart dus – was nauwelijks op het feestje terug te zien. En waar waren de honderdduizenden Rotterdammers van 40+? Waar was de ruime meerderheid van Rotterdammers die niet in de creatieve sector werkte, de zeventig procent die niet hoog opgeleid was, maar buffelde als wijkagent, kraamhulp, leerkracht? Rotterdam had een ommezwaai gemaakt die ik toejuichte; maar sloeg de balans niet door naar de andere kant: diversiteit die juist groepen uitsloot?

Ik appte het filmpje naar een goede vriend, zelf van Turkse komaf, opgegroeid in Rotterdam. Ik wist dat hij ook een hekel had aan diversiteit voor de bühne, hengelde om bevestiging. ‘Ik vind dit echt een beangstigend filmpje,’ schreef ik erbij. ‘Ik ben vreemde geworden in mijn eigen stad. Vergeef me.’ Het was maar half als grap gevoeld.

Typing… ‘Racist,’ schreef hij terug. ‘Tien jaar geleden maakte Rotterdam ook dit soort filmpjes maar dan alleen met witneuzen.’

Oké, oké, goed punt. Vroeger zouden in zo’n clip bonkige, witte havenarbeiders figureren. En die vriend werd vroeger bij het uitgaan vaak geweigerd op feestjes. Nu werd ik eens ‘geweigerd’. Ik moest me niet zo vreselijk aanstellen, niet zo kleingeestig zijn. En nee, mijn witte mannenlijf was hier niet langer de vanzelfsprekende maat der dingen. Wat had ik dan gedacht: dat ik een beetje beschouwend door deze stad kon slenteren, met mijn lichaam als sensor, en zo de ziel van de plaats kon vangen? Dat lijf van mij leek als meetinstrument even hopeloos subjectief als die Leefbaarometer.

Wittemannensap

Misschien hadden mijn oprispingen met statusangst te maken, dacht ik eerst. In het huis waar onze dealende achterbuurman had gewoond, nam een jonge fotograaf zijn intrek. Hij was een jongen van de straat geweest, vaderloos opgegroeid, met Tunesische roots; een autodidact die inmiddels furore maakte met een serie portretten van jonge vaders met een migratie-achtergrond. Liefdevolle portretten van zorgzame papa’s. Hij was ook in dat filmpje Rotterdam For Real te zien, tussen alle creatievelingen (waar dus wel degelijk sociale klimmers bij zaten). De fotograaf won prijs na prijs. Maar nog zonder hem of zijn werk goed te kennen, was mijn eerste reflex bij het zien van succes: ja, ja, vast vanwege zijn kleur.

Die dealer was eigenlijk minder eng geweest. Die had geen bedreiging gevormd voor mijn status, die fungeerde – hier had stadmaker Mohamud een punt – eerder als rauw decorstuk bij mijn burgermansbestaan. Ik kon hem verachten, ik kon medelijden voor hem koesteren, ik kon hem gebruiken als detail in een reportage: allemaal variaties van neerkijken.

In het Rotterdam waarin ik was opgegroeide was bijna negentig procent van de bewoners wit. Veel gastarbeiders hoorden tot de lagere klasse: ze stonden achter de lopende band, maakten nog geen documentaires. Maar hun kinderen en kleinkinderen hadden tegen een xenofobe stroom in zelf de microfoon gepakt. Ze deden precies wat de samenleving van hen vroeg – ‘kansen pakken’, ‘invechten’ – en toch bleef die weerstand bestaan.

In de gidsstad van de superdiversiteit was Leefbaar Rotterdam, erflater van Pim Fortuyn, nog steeds de grootste partij. Die paradox zag je vaker in de geschiedenis: de dominante cultuur vond nieuwkomers juist intimiderend als ze goed meedraaiden. In mij zat kennelijk nog een restje Overschie, de wijk waar Pim Fortuyn de meeste stemmen kreeg. Ook mij was zulke statusangst kennelijk niet vreemd, ik beschouwde mijzelf als progressief, maar er vloeide nog veel Elvis Juice in mijn aderen. Wittemannensap. Niets om je voor te schamen, dacht ik, ieder mens is een mengvat vol tegenstrijdigheden en navenante stemmingswisselingen. Maar misschien moest ik eens wat aan mijn zelfbeeld sleutelen.

Anachronisten

Arie Willem, zo heet ik volgens mijn paspoort. Elke schooldag fietsten mijn broers en ik vanuit Overschie dwars door Rotterdam naar de gereformeerde basisschool, een tocht die op een kinderfiets drie kwartier duurde. We fietsen door het ‘Wilde Westen,’ waar straatprostitutie en heroïnegebruikers bij het straatbeeld hoorden. We trapten door, als pelgrims op doorreis door een heidense stad, de ogen gericht op het hemels Jeruzalem. Ik was een jaar of negen toen ik met de fiets terug van school stond te wachten op het stoplicht bij het Kleinpolderplein. ‘Ben jij ook Turks,’ vroeg een jongen. Toen ik dat thuis vertelde, moest iedereen hard lachen. Als enige van de kinderen had ik donker haar en donkere ogen. En Turkse Rotterdammers waren paupers over wie we flauwe grappen maakten. Hassan hep een nieu-we jas an, net gejat bij Zeeman, oh watistie blij.

We waren geen allochtonen, maar als gelovige in een goddeloze wereldstad voelde ik me wel uitheems. We waren anachronisten, tijdsvreemdelingen.

Maar grappen verklappen je angsten. Misschien maakten we die grappen wel omdat we best veel gemeen hadden met de Turkse migranten van toen. We woonden zelf met een groot gezin in een kleine woning. We hingen een orthodoxe religie aan, net als veel migranten. Mijn vader had in een fabriek gewerkt (oké, oké, niet aan de lopende band, ik moet niet overdrijven). We droegen zelden nieuwe kleding. We hadden thuis geen televisie. Iedere zomer gingen we in een volgepropte, roestende Datsun stationwagen naar het zuiden, drie kinderen op de achterbank, de rest in de achterbak, als sardientjes ingeklemd tussen kratten met elleboogmacaroni. Passeerde er politie, dan riep mijn vader dat we moesten bukken. Op zondag bezochten we geen museum of restaurant, maar reden we met die Datsun tweemaal naar de kerk in het centrum, nette kleren aan. Stonden we stil bij het Kleinpolderplein, dan staarden de kinderen in andere auto’s ons soms aan alsof we Amish waren in een houten koets. Wilde ik ook bukken.

We waren geen allochtonen, nee, maar als gelovige in een goddeloze wereldstad voelde ik me wel uitheems. We waren anachronisten, tijdsvreemdelingen.

Gevoel van vervreemding

Die specifieke orthodoxe God van toen zou ik later niet meer lankmoedig en barmhartig vinden; eerder streng, patriarchaal, koloniaal, misogyn, homofoob, benauwend – noem maar op. Ik had me om die redenen met bloed, zweet (en ja, ook tranen) losgemaakt van die religieuze wortels. Het was een pijnlijk proces geweest. Ik had er een afkeer van hokjes en bubbels aan overgehouden en tegelijk een gevoel van ontheemding. Ik woonde op een kwartier fietsen van de plek waar ik was geboren, maar ik kwam evengoed van ver, vond ik. En nog steeds voelde ik me niet helemaal senang als ik de tempels van de culturele elite betrad. Zoals krantenredacties. Of musea met hun zuiver witte muren met hun bordjes vol museumlatijn.

Mijn gevoel van vervreemding op zulke plekken was geen kwestie van ‘witte fragiliteit’, of in ieder geval niet alleen: de klasse waar ik vandaan kwam, speelde evengoed een rol, net als de religieuze gemeenschap, het wantrouwen van die heilige muren – eigenlijk alles dat in dat mengvat zat dat mijn mensenlijf was.

En ieder mensenlijf leek me zo’n uniek mengvat, dat niet te vatten viel met welk hokje of afkorting dan ook.

Bezig met elkaar

Op een dag bezocht ik mijn oude basisschool in de Tarwewijk. Juf Wimmenhove, die me vijfendertig jaar eerder had leren lezen en schrijven aan de hand van Boom, roos, vis, gaf er nog steeds les. Ik had mijn laatste boek meegenomen als bedankje. We hadden het over hoe haar werk veranderd was. Lesgeven was veel intensiever geworden, kreeg ik de indruk. Ouders verwachtten meer van docenten; lesmethoden wisselden vaak, de klassen bestond niet langer uit witte kinderen, ze kwamen nu van overal, van China tot Bulgarije. Het maakte het lesgeven er niet simpeler op, maar ze juichte de ontwikkelingen op zich toe.

We hadden het ook even over de sloop van Tweebosbuurt, iets verderop, ze zag het met lede ogen aan. De conciërge, hij was in de buurt opgegroeid, luisterde mee. Hij begon spontaan een tirade tegen de mannen met baarden die je overal zag opduiken. ‘Rotterdam wil zijn eigen inwoners niet meer. Het is begonnen met de Kop van Zuid en nu trekken ze dat door!’ Mannen met baarden: hij had het over hipsters. ‘Ze willen Zuid helemaal pimpen. Ik heb helemaal niks tegen yuppen maar hier word ik een beetje eng van. Weet je wat het is, het draait gewoon om de knaken.’

Zijn woorden waren een echo van wat ik had gehoord in een andere volksbuurt, de Wielewaal, een hecht, dorps wijkje met schattige laagbouwwoningen. Anders dan in de Tweebosbuurt woonden hier vooral witte Rotterdammers, vaak praktisch geschoold. Maar verder was het verhaal hetzelfde: ook hun huizen werden gesloopt, ook zij moesten plaatsmaken voor rijkere mensen. Ik sprak er een oudere, witte vrouw die er was opgegroeid. Ze vatte de toestand voor me samen: ‘Het draait allemaal om dat vervloekte rotgeld.’

De lift naar boven – waar ik zelf nog van had geprofiteerd – haperde. In plaats van die lift als de wiedeweerga te repareren – studeren weer betaalbaar maken, wonen weer een recht, het volk verheffen – leek de culturele elite bezig met elkaar.

Als ik me al stoorde aan de diversiteitsjubel (‘In Rotterdam is plek voor iedereen!), hoe wrang moest dat dan klinken voor mensen die sociaal of economisch buiten de boot vielen, voor wie letterlijk geen plek was, die hun huizen uit werden geschopt, of ze nu wit of zwart waren? Dat kon toch niet anders zijn dan een recept voor onvrede? Diploma’s en geld waren nu de belangrijkste toegangsticket tot de stad.

De lift naar boven – waar ik zelf nog van had geprofiteerd – haperde. In plaats van die lift als de wiedeweerga te repareren – studeren weer betaalbaar maken, wonen weer een recht, het volk verheffen – leek de culturele elite bezig met elkaar. Ook ik. Als anderen in hokjes denken, ga je dat vanzelf ook doen. Je gaat er alleen zo slecht van kijken.

Toen ik wat meer artikelen van Malique Mohamud las, bleek hij namelijk niet heel anders over de dingen te denken dan ik.

Nadat Trump de verkiezingen in de VS had gewonen, gaf hij in een stuk niet de rechtse Amerikanen de schuld – de makkelijke reflex – maar juist de progressieve liberalen, die de geldzorgen van witte mensen niet serieus hadden genomen, waardoor de rassenhaat weer was opgebloeid. Hij had gelijk, leek me. Ook over Holy Smoke trouwens: dat zou een paar jaar na die documentaire sluiten bij gebrek aan klanten.

Dit is een bekorte voorpublicatie uit Rotterdam – Een ode aan inefficiëntie van Arjen van Veelen, dat 1 november verschijnt bij De Correspondent.