interview

Het was een bijzondere bijeenkomst in een voormalig wapenarsenaal in Daugavpils, Letland. Psycholoog Christopher Rothko was erbij, net als patholoog Kate Rothko Prizel: de kinderen van de kunstenaar. Sinds zij de juridische strijd om de nalatenschap wonnen van zijn New Yorkse galerie – dat ging over grote financiële belangen, twee jaar geleden bracht het schilderij Orange, Red, Yellow bij veilinghuis Christie’s bijna zeventig miljoen euro op – stellen zij zich onvermoeibaar in dienst van hun vaders artistieke erfgoed. Eerder bekostigden ze de restauratie van de plaatselijke synagoge, nu werd het Mark Rothko Art Centre geopend. ‘Ik had op die dag, in april vorig jaar, het gevoel dat ze hun vader terugbrachten naar zijn geboortegrond en daarmee zijn grote project afrondden,’ zegt Rothko-biografe Annie Cohen-Solal, die er ook bij was in Daugavpils. ‘Het helen van de wereld, tikkun ha-olam, dat was volgens Rothko de missie van de kunstenaar.’

Nieuwe grenzen

Honderd jaar geleden heette Mark Rothko (1903-1970) nog Marcus Rothkowitz en Daugavpils was nog Dvinsk, een stadje in Rusland. Vanaf hier vertrok Marcus als jongetje van tien met zijn moeder en zijn zus naar de Verenigde Staten, waar ze zoals zoveel emigranten uit Rusland aankwamen op Ellis Island. Daarna reisden ze door naar Portland, Oregon, waar vader Jakob Rothkowitz al eerder naartoe was geëmigreerd.
Marcus zag de stad waar hij opgroeide, en waar de familie weg moest vanwege het toenemende antisemitisme en de angst voor pogroms, nooit meer terug.
Zijn dochter vertelde bij de opening van het Mark Rothko Art Center: ‘Toen ik klein was, kwam mijn vader vaak naast me zitten met een landkaart en dan zei hij: “Je kunt het niet goed zien, want er zijn nieuwe grenzen. Maar dáár ben ik geboren.”’
literaire superster
Annie Cohen-Solal is komende week alweer onderweg naar Letland. Haar boek over Rothko – ‘de uitgeverij noemt het een biografie, ik vind het een historisch en sociologisch onderzoek’ – verschijnt daar kort na de Nederlandse uitgave.
Cohen-Solal heeft goede herinneringen aan Nederland, waar ze eind jaren tachtig dankzij het boekenprogramma Hier is… Adriaan van Dis en uitgever Rob van Gennep tijdelijk uitgroeide tot een literaire superster. Haar biografie van Jean-Paul Sartre werd volgens haar uitgever in korte tijd het meest ongelezen boek in de Nederlandse boekenkasten. ‘Adriaan, die ik toen niet kende maar die later een vriend is geworden, vroeg me naar de verleidingsstrategieën van Sartre en met mijn antwoord – ik vergeleek Van Dis een beetje flirterig met de onooglijke Sartre – verleidde ik het Nederlandse publiek.’
Dat verkoopsucces heeft de in Algerije geboren Française, die de komende vijf jaar in dienst is van Stanford University, nooit meer geëvenaard. Niet met haar boek over Amerikaanse critici, niet met de monografie over de New Yorkse kunsthandelaar Leo Castelli. Ook met dit Rothko-boek, het derde in een reeks over de geschiedenis van de sociale positie van de kunstenaar in de Verenigde Staten, zal dat niet lukken, zegt Cohen-Solal. ‘Al weet ik zeker dat de overzichtstentoonstelling van zijn werk in Den Haag een groot succes zal worden, volgens mij hebben Nederlanders iets met Rothko.’

buitengesloten

Er was weinig dat erop wees dat Marcus Rothkowitz kunstenaar zou worden, vertelt Cohen-Solal. Het jongetje dat opgroeide in het tsaristische Rusland ging als enige van zijn seculiere gezin naar een religieuze Talmud Torah-school, om te voorkomen dat hij later zou worden ingelijfd in het Russische leger. Hij leerde makkelijk en na de overtocht naar de Verenigde Staten sprak hij al snel accentloos Amerikaans. Na de middelbare school meldde hij zich bij Yale University, een van de elite-universiteiten.
Dat werd een deceptie, zegt Cohen-Solal. ‘Hij bleef op Yale de immigrant, een outsider. Hij was intelligent, maar dat was niet voldoende. Hij merkte al snel dat het op Yale niet zozeer ging om het aangaan van intellectuele uitdagingen, maar dat het vooral een opleidingsinstituut was voor wasps [white anglo-saxon protestants, red.], aangevuld met potentiële topatleten. Mark Rothko was geen van beide en zijn aanwezigheid op Yale werd dus een pijnlijke geschiedenis. Hij voelde zich buitengesloten en na twee jaar vertrok hij. Hij koos er om sociale redenen voor om kunstenaar te worden. Daar vond hij een omgeving waarbinnen hij zich thuis voelde.’

Ook in die kunstwereld was hij een buitenstaander die zich verzette tegen de status quo.

‘Rothko bleef altijd een immigrant en kunst was een manier om zijn plaats in de maatschappij te bevechten. En elke keer als hij onder vuur kwam te liggen, elke keer als hij dreigde te worden buitengesloten, legde hij zijn kwast neer en greep naar de pen om een manifest te schrijven of een boze brief aan een museumdirecteur. Of een boek, zoals The Artist’s Reality dat hij schreef nadat hij in 1940 net als zijn vriend en collega Barnett Newman tijdelijk was gestopt met schilderen.’

Rothko’s schilderijen maken veel emoties los. Hoe was uw eigen Rothko-ervaring?

‘Toen ik cultureel ambassadeur voor Frankrijk was in de Verenigde Staten, ontmoette ik Dominique de Menil, een rijke, linkse Franse kunstverzamelaar die Rothko aan het eind van zijn leven de opdracht gaf voor de Rothko Chapel. Die ruimte is helemaal gevuld met zijn werk en werd geopend in 1971, een jaar nadat hij zelfmoord pleegde. Het is nu een soort bedevaartsoord. Ze noemen me wel eens Amfetamine Annie vanwege mijn hoge energieniveau, maar toen ik die kapel in Houston, Texas binnenging, was ik als verlamd. Ik kwam volledig tot stilstand. Het is een minimalistische ruimte, er heerst totale stilte, er is weinig licht, je bent er helemaal omringd door zijn werk. Het zijn monumentale doeken die iets transparants en fluorescerends hebben. Je kunt je niet onttrekken aan de meditatieve ervaring die ze oproepen.’

De opdracht voor de kapel was een tegenhanger van het mislukte Seagram-project.

‘De Seagram-wolkenkrabber op Manhattan was ontworpen door Mies van der Rohe en Philip Johnson en Rothko kreeg een grote opdracht voor een serie muurschilderingen in het extravagante restaurant Four Seasons. Na een jaar reisde hij naar Europa en onderweg begon hij te twijfelen: wil ik wel dat mijn spirituele schilderijen een decor vormen voor rijke mensen die voor te veel geld zitten te eten? Hij hield niet van consumptie, geld, vulgariteit. Hij hield juist van meditatie, eenvoud, nederigheid. Toen het restaurant klaar was, ging hij er kijken en hij kwam er woedend vandaan. Volgens zijn assistent bezwoer hij de volgende ochtend: “Geen mens die dat soort voedsel eet voor dat soort prijzen zal ooit naar een schilderij van mij kijken.”’

U beschrijft Rothko als lastig en autoritair als het ging om het exposeren van zijn werk.

‘Hij was een vrolijk en sociaal mens, een combinatie van een intellectueel, een anarchist en een erudiet. Maar als er een expositie naderde, was hij uit het lood geslagen en ziek van ellende. Het moest perfect zijn en dat was het natuurlijk nooit. Hij wilde dat het publiek omringd werd door zijn werk, dat laag moest worden opgehangen. De muur moest in een bepaald soort gebroken wit zijn geschilderd. En elke potentiële verstoring moest worden uitgesloten. Bij de Fifteen Americans Show in het MoMa in 1952, bijvoorbeeld, eiste hij dat vanuit “zijn” zaal het werk van zijn vriend en collega Clyfford Still niet te zien zou zijn.’

Hij vertrok bij galeriehouder Sidney Janis omdat die zich inliet met jongeren als Warhol.

‘Omgekeerd konden Jasper Johns, Rauschenberg, Lichtenstein en Warhol de gevestigde orde niet uitstaan. Je kent de anekdote dat Rauschenberg een tekening van Willem De Kooning uitgumde – die generatie moest worden uitgewist. Het ironische is dat Rothko’s werk vooruitwijst naar de kunst ná de pop-art van Warhol en de zijnen. Hij was een pionier, een revolutionair, een wegbereider voor het minimalisme van Richard Serra, Donald Judd, Dan Flavin. Zij volgden allemaal het spoor van Rothko.’

De zelfmoord in zijn atelier versterkt de mythe rond Rothko.

‘Zijn dochter en vrienden vertelden dat ze het niet hadden zien aankomen. Ze waren geschokt maar ook verbaasd dat Rothko, de man die behalve schilderde ook altijd schreef, niet eens een briefje had achtergelaten.
De laatste twee jaar van zijn leven waren slecht, hij had een hartaanval gehad en dronk te veel. Hij had zijn vrouw verlaten en woonde in zijn studio. Hij maakte nog wel nieuw werk, maar hij moest ook de controle houden over zo’n achthonderd schilderijen die her en der stonden opgeslagen. Zijn nieuwe galeriehouder bleek een schurk en handelaren en museumdirecteuren kwamen op hem af als vliegen op de stroop. Het ging allemaal om geld en dat boeide hem niet. Zoals hij zei: “Het enige wat me interesseert, is het in mijn werk tonen van de basisemoties van de mens: tragedie, extase, noodlot.”’

Annie Cohen-Solal, ‘Mark Rothko. Biografie’, Meulenhoff, 301 p., € 24,95.
De Mark Rothko-tentoonstelling in het Gemeentemuseum Den Haag is te zien tot en met 1 maart 2015.